ECLI:NL:RBZWB:2026:6512

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
BRE 26/3347
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Wet BibobBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen intrekking Alcoholwet- en exploitatievergunning op grond van Wet Bibob

De burgemeester van Tilburg heeft op 22 juni 2026 de Alcoholwet- en exploitatievergunning van verzoeker per direct ingetrokken op grond van artikel 3, eerste lid, sub b van de Wet Bibob. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 16 juli 2026 en deed direct uitspraak.

De voorzieningenrechter overweegt dat de intrekking grote financiële en persoonlijke gevolgen heeft voor verzoeker en dat het spoedeisend belang gelet op de verwachte beslissing op bezwaar in oktober 2026 aanwezig is. Hoewel het Landelijk Bureau Bibob een zwaarwegend advies gaf over een ernstig gevaar van strafbare feiten, is er sprake van een tijdsverloop van anderhalf jaar zonder nieuwe feiten. De burgemeester heeft onvoldoende gemotiveerd waarom ondanks dit tijdsverloop herhaling wordt gevreesd.

Verder is onvoldoende onderbouwd dat geen alternatieven mogelijk zijn en waarom het belang van de burgemeester zwaarder weegt dan dat van verzoeker. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en het besluit geschorst tot twee weken na de beslissing op bezwaar. De burgemeester moet het griffierecht en proceskosten vergoeden. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen en de intrekking van de vergunningen geschorst tot twee weken na de beslissing op bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/3347

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van

16 juli 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. B. Çiçek),
en

de burgemeester van de gemeente Tilburg

(gemachtigde: mr. M. Buitenhuis).

Inleiding

1. Met het bestreden besluit van 22 juni 2026 heeft de burgemeester de Alcoholwet- en exploitatievergunning van verzoeker (hierna: de vergunningen) per direct ingetrokken op grond van artikel 3, eerste lid, sub b van de Wet Bibob. [1] Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
De burgemeester heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
In een tussenuitspraak van 25 juni 2026 heeft de voorzieningenrechter een ordemaatregel getroffen en het besluit van 22 juni 2026 geschorst tot de dag na bekendmaking van de uitspraak van de voorzieningenrechter.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 16 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, bijgestaan door zijn partner [persoon] en zijn gemachtigde en de gemachtigde van de burgemeester, vergezeld door mr. N. Vrijsen.
1.4.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Is sprake van spoedeisend belang?
3. De voorzieningenrechter overweegt dat directe en permanente intrekking van de vergunningen betekent dat het café moet worden gesloten. Dat heeft grote (financiële en persoonlijke) gevolgen voor verzoeker. Ter zitting is gebleken dat de beslissing op bezwaar pas in oktober 2026 wordt verwacht. Anders dan de burgemeester is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker gelet hierop voldoende spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
Is sprake van een ernstig gevaar zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b Wet Bibob?
4. De voorzieningenrechter overweegt dat de burgemeester zich voor zijn besluit om de vergunningen in te trekken heeft gebaseerd op een advies van het Landelijk Bureau Bibob (LBB) van 11 maart 2026, waarin wordt geconcludeerd dat er een ernstig gevaar bestaat dat de vergunningen mede zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Uit vaste rechtspraak [2] volgt dat dit, gelet op de deskundigheid van het LBB, een zwaarwegend advies is dat de burgemeester in beginsel mag volgen. Vooralsnog ziet de voorzieningenrechter weinig aanleiding om aan de inhoud van dit advies te twijfelen.
4.1.
De voorzieningenrechter merkt wel op dat sprake is van een tijdsverloop van anderhalf jaar sinds de inval en dat zich in die periode voor zover bekend geen feiten hebben voorgedaan die verzoeker in kader van de Wet Bibob worden tegengeworpen. Anders dan de burgemeester is de voorzieningenrechter van oordeel dat ‘likes’ op de openbare Facebook-pagina van het café niet kunnen worden aangemerkt als vriendschappelijke contacten. Op grond van vaste rechtspraak [3] is het tijdsverloop sinds de strafbare feiten een voor de beoordeling van het ernstige gevaar relevante omstandigheid. De burgemeester heeft in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd waarom er, ondanks dit tijdsverloop, concrete aanleiding is om te vrezen voor herhaling. In de beslissing op bezwaar dient de burgemeester daarom nader aandacht te besteden aan dit tijdsverloop.
Is intrekking van de vergunningen geschikt?
5. Op grond van vaste rechtspraak [4] volgt de geschiktheid van de intrekking van de vergunningen in beginsel uit de Wet Bibob. De geschiktheid is tussen partijen niet in geschil.
Is intrekking van de vergunningen noodzakelijk?
6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester de noodzaak van de intrekking van de vergunningen nader dient te motiveren in de beslissing op bezwaar. Vooralsnog is onvoldoende onderbouwd dat geen alternatieve oplossingen mogelijk zijn, te meer nu verzoeker heeft aangegeven bereid te zijn om overal aan mee te werken.
Is intrekking van de vergunningen evenwichtig?
7. De voorzieningenrechter overweegt dat de (financiële en persoonlijke) belangen van verzoeker evident zeer groot zijn. De voorzieningenrechter ziet ook het belang van de burgemeester. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd waarom het belang van de burgemeester bij intrekking van de vergunningen zwaarder weegt dan het belang van verzoeker. Daartoe acht de voorzieningenrechter van belang dat sinds de inval anderhalf jaar is verstreken waarin geen incidenten hebben plaatsgevonden. Het tijdsverloop vergt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dus een nadere afweging door de burgemeester in de beslissing op bezwaar.
7.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat op dit moment het belang van de burgemeester bij directe intrekking van de vergunningen niet zo groot is dat de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht.

Conclusie en gevolgen

8. Gelet op het voorgaande wijst de voorzieningenrechter het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit waarbij de vergunningen zijn ingetrokken wordtis geschorst tot twee weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
8.1.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet de burgemeester het griffierecht aan verzoeker vergoeden.
8.2.
Ook krijgt verzoeker een vergoeding van zijn proceskosten. De burgemeester moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
8.3.
Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek toe;
  • schorst het bestreden besluit tot twee weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
  • bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden;
  • veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2026 door mr. M. Breeman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C.F.E.M. Mes, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.
2.ABRvS 27 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7505 (r.o. 5.1).
3.ABRvS 16 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4169 (r.o. 7.3).
4.ABRvS 20 mei 2026 ECLI:NL:RVS:2026:2905 (r.o. 9.4).