ECLI:NL:RBZWB:2026:6549

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
BRE 25/27 en 25/29
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:11 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen naheffingsaanslagen omzetbelasting ongegrond verklaard

Belanghebbende heeft verzet aangetekend tegen de uitspraak van 26 januari 2026 waarin zijn beroepen tegen naheffingsaanslagen omzetbelasting over de jaren 2017 tot en met 2021 ongegrond zijn verklaard. De rechtbank beoordeelt of het verzet gegrond is en of de bezwaren verschoonbaar te laat zijn ingediend.

Belanghebbende stelde dat hij een periode in hechtenis heeft gezeten en daardoor zijn post niet kon inzien, wat de late indiening zou verklaren. De rechtbank oordeelt echter dat de adressering van de aanslagen correct was, aangezien belanghebbende niet was ingeschreven in de basisregistratie persoonsgegevens en de inspecteur het laatst bekende adres gebruikte. Tevens was belanghebbende en zijn gemachtigde sinds 2021 in contact met de inspecteur en had hij het adres niet tijdig doorgegeven.

De rechtbank concludeert dat de omstandigheden niet leiden tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding en dat belanghebbende verantwoordelijk is voor het tijdig doorgeven van adreswijzigingen. Het verzet wordt daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van 26 januari 2026 blijft in stand.

Uitkomst: Het verzet tegen de naheffingsaanslagen omzetbelasting wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 25/27 en 25/29

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2026 op het verzet van

[belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 26 januari 2026 in het geding tussen
belanghebbende
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 26 januari 2026 waarin de rechtbank de beroepen van belanghebbende ongegrond heeft verklaard. De beroepen zien op de naheffingsaanslagen omzetbelasting met aanslagnummers [aanslagnummer 1] .F.03.9506 en [aanslagnummer 2] .F.03.1506 voor de tijdvakken 1 januari 2017 tot en met 31 december 2019 en 1 januari 2020 tot en met 31 december 2021.
1.1.
Belanghebbende heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 26 januari 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [1] is dat de beroepen ongegrond zijn. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
2.1.
Belanghebbende voert in verzet aan hij een tijd in hechtenis gehouden, omdat hij niet goed geregistreerd stond als inwoner op het adres [adres 1] in [plaats 1] en er een periode is geweest dat hij zijn post niet kon inzien.
2.2.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
2.3.
Belanghebbende heeft in het bezwaarschrift met dagtekening 17 januari 2023 aangegeven dat hij de aanslagen op 16 januari 2023 heeft ontvangen. Tussen partijen is niet in geschil dat de bezwaren buiten de bezwaartermijn zijn ingediend. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de bezwaren verschoonbaar te laat zijn ingediend. De termijnoverschrijding is verschoonbaar indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. [2]
2.4.
De rechtbank is van oordeel dat in de uitspraak van 26 januari 2026 terecht is overwogen dat in dit geval de vermeende onjuiste adressering niet aan de inspecteur is te wijten. Belanghebbende stond in de periode van 9 maart 2022 tot 25 juni 2024 niet ingeschreven in de basisregistratie persoonsgegevens. De aanslagen zijn om die reden verzonden naar het bij de inspecteur laatst bekende adres van belanghebbende.
2.5.
Belanghebbende en gemachtigde zijn sinds 11 oktober 2021 in gesprek met de inspecteur naar aanleiding van een boekenonderzoek. De inspecteur heeft aangegeven dat belanghebbende tijdens de controle heeft aangegeven op het adres [adres 2] in
[plaats 2] bereikbaar te zijn. In het controlerapport komt dit adres van belanghebbende ook terug. Op 23 augustus 2022 heeft er een eindgesprek plaatsgevonden. Indien het adres niet juist was, had het op de weg van belanghebbende en gemachtigde gelegen om dit bij de inspecteur te melden. Uit de brief van gemachtigde aan de inspecteur van 26 april 2024 volgt naar het oordeel van de rechtbank ook dat de inspecteur tot die datum uit mocht gaan van het adres [adres 2] in [plaats 2] .
2.6.
De rechtbank is niet gebleken dat de in verzet geschetste omstandigheden ertoe hebben geleid dat de beroepen na het verstrijken van de termijn zijn ingediend als gevolg van een niet aan belanghebbende toe te rekenen omstandigheid. De rechtbank acht ook geen sprake van geringe verwijtbaarheid aan de zijde van belanghebbende. Belanghebbende is verantwoordelijk voor het tijdig doorgeven van een adreswijziging. Belanghebbende voert aan dat er sprake is geweest van hechtenis en dat hij zijn post niet kon inzien, maar niet duidelijk is op welke periode dit ziet en de stelling is ook niet onderbouwd met nadere (bewijs)stukken. Belanghebbende staat bovendien pas sinds 25 juni 2024 ingeschreven op het adres [adres 1] in [plaats 1] .

Conclusie en gevolgen

3. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 26 januari 2026. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier.
griffier rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 6:11 van Pro de Awb.