ECLI:NL:RBZWB:2026:657

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
C/02/443322 / JE RK 25/2283
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Phillips
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:247 lid 2 BWArt. 1:255 lid 1 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265b lid 1 BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige wegens bedreigde ontwikkeling

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 23 januari 2026 besloten tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige voor de duur van één jaar. Dit besluit volgt op een verzoek van de gecertificeerde instelling die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Uit een persoonlijkheidsonderzoek blijkt dat de minderjarige ernstige gedragsproblemen vertoont, waaronder verbaal en fysiek geweld, en dat zijn sociaal-emotionele ontwikkeling wordt bedreigd. Daarnaast zijn er signalen van seksueel misbruik en is traumatherapie nog niet gestart.

De thuissituatie van de minderjarige is onstabiel en onvoldoende ondersteunend voor zijn ontwikkeling. De ouders, hoewel betrokken, kampen met een disbalans tussen draagkracht en draaglast, waarbij de moeder overbelast is. De minderjarige verblijft sinds mei 2024 in een jeugdhulpinstelling en gaat in het weekend naar huis. De gecertificeerde instelling heeft hem aangemeld bij verschillende gezinshuizen, maar deze aanmeldingen zijn afgewezen vanwege de combinatie van problematiek bij de minderjarige en de ouders.

De kinderrechter heeft de minderjarige digitaal gesproken en heeft de belangen van de ouders en de gecertificeerde instelling meegewogen. De moeder stemt in met de verlenging, maar uit zorgen over het perspectief en de hulpverlening. De vader was niet aanwezig bij de zitting. De rechtbank acht verlenging noodzakelijk om de continuïteit van de hulpverlening en bescherming te waarborgen. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en kan binnen drie maanden worden aangevochten bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige voor één jaar wegens bedreigde ontwikkeling en onstabiele thuissituatie.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/443322 / JE RK 25/2283
Datum uitspraak: 23 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
[locatie] ,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. P. Doorakkers te Oosterhout,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Het procesverloop bestaat uit de volgende stukken:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 22 december 2025;
  • het stelbericht van mr. Doorakkers van 14 januari 2026;
  • het bericht van de GI van 15 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 januari 2026. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
- de advocaat van de moeder;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
Bij aanvang van de zitting laat de advocaat van de moeder de kinderrechter weten dat de moeder in verband met problemen met de trein, niet op tijd kan zijn voor de zitting. De moeder verzoekt de kinderrechter om telefonisch bij de zitting aanwezig te mogen zijn. Zij kan de kinderrechter in een horecagelegenheid bij het station telefonisch te woord staan.
1.4.
De kinderrechter heeft dit verzoek van de moeder niet gehonoreerd, nu het een besloten zitting betreft en de moeder niet in een openbare gelegenheid telefonisch gehoord kan worden. De kinderrechter betrekt daarbij ook het gegeven dat de moeder wordt bijgestaan door een advocaat en hij namens haar een standpunt over het verzoek kan innemen. Dit betekent dat de kinderrechter de zitting heeft voortgezet in afwezigheid van de moeder.
1.5.
Hoewel daartoe correct opgeroepen, is de vader niet bij de zitting verschenen. Volgens de informatie van de GI komt de vader niet naar de rechtbank.
1.6.
De kinderrechter heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld om zijn mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd ‘kindgesprek’ of via het schrijven van een brief. [minderjarige] heeft op 22 januari 2026 digitaal, via MS Teams, met de kinderrechter gesproken. Bij dat gesprek was tevens aanwezig een begeleider van de groep. De kinderrechter heeft de aanwezigen voorgehouden wat [minderjarige] haar heeft verteld. Zij zijn in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 27 januari 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 27 januari 2025 tot 27 januari 2026. Tevens heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, voor de duur van de ondertoezichtstelling.
2.3.
[minderjarige] verblijft op grond van voormelde machtiging bij [zorginstelling] . Feitelijk verblijft [minderjarige] hier sinds mei 2024 en gaat hij om het weekend naar huis.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar.
3.2.
Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar.
3.3.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het standpunt van de GI

4.1.
Ter onderbouwing van en in aanvulling op het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. Bij [minderjarige] is sprake van forse gedragsproblematiek, waarbij hij verbaal en fysiek geweld kan gebruiken. De thuissituatie was daardoor niet langer houdbaar. Daarnaast is [minderjarige] door omstandigheden en door overmacht bij de ouders onvoldoende gezien. Zij konden onvoldoende aansluiten bij zijn ontwikkelbehoeften. Uit het persoonlijkheidsonderzoek van 2025 is gebleken dat [minderjarige] veel onveiligheid, onrust en onvoorspelbaarheid heeft ervaren en hij trauma- en hechtingsproblematiek kent. Dit verklaart zijn angsten, starheid en onzekerheid. Bij [minderjarige] is sprake van een achterstand in de sociaal-emotionele ontwikkeling. Tevens is een punt van zorg dat [minderjarige] signalen laat zien van seksueel misbruik.
4.2.
Op de [zorginstelling] wordt gezien dat [minderjarige] vastloopt en hij onrustig en gespannen is. Hij loopt rond met een geheim waarmee hij zit. [minderjarige] is aangemeld voor traumatherapie en volgt nu twee keer per week speltherapie. Bij speltherapie durft [minderjarige] niet meer te praten. Hij blokkeert en zit duidelijk klem. Hij is bang dat wanneer hij dingen vertelt, zijn broertjes uit huis worden geplaatst.
4.3.
De GI ziet dat de ouders [minderjarige] willen helpen daar waar dat mogelijk is. Echter, dit kost hen veel energie, ook gelet op de drie anderen kinderen die nog thuis zijn. Volgens de GI is de draagkracht en draaglast van de ouders uit balans. Gezien wordt dat de moeder overbelast is. Zij heeft bij de GI aangegeven dat zij terug aan het vallen is richting haar burn-out. Hoewel de ouders het beste met [minderjarige] voor hebben en zij willen dat het goed met hem gaat, lijken zij ook in te zien dat hem dit thuis niet geboden kan worden.
4.4.
In de komende periode zal [minderjarige] worden aangemeld voor een gezinshuis. Hierover is de afgelopen periode met [zorginstelling] gesproken. [minderjarige] weet van zijn toekomstige overplaatsing. Hij lijkt te beseffen dat hij niet meer terug naar huis kan. Dit geeft hij zelf ook aan. [minderjarige] is niet gericht bezig met een terugkeer naar zijn vader of moeder. De GI hoopt in de komende periode een gezinshuis te vinden waar [minderjarige] kan landen en hij vanuit die setting de noodzakelijke behandeling aan kan gaan. De GI heeft [minderjarige] bij drie gezinshuizen aangemeld. Echter, daar is [minderjarige] afgewezen vanwege de combinatie van zijn eigen problematiek en de problematiek van de ouders. De GI kan geen duidelijkheid geven over de termijn waarbinnen er een geschikt gezinshuis voor [minderjarige] is gevonden.

5.Het standpunt van de belanghebbenden

5.1.
De kinderrechter heeft geen standpunt kunnen vernemen van de vader, nu hij niet bij de zitting aanwezig was.
5.2.
Namens de moeder is, samengevat, aangevoerd dat zij instemt met het verzoek. Juridisch gezien bestaan hiervoor ook geen beletselen. De moeder wenst wel opgemerkt te hebben dat zij zich zorgen maakt over de invulling van de maatregelen. Zo heeft zij het gevoel dat de GI niet eerlijk is over het perspectief van [minderjarige] . Recent heeft de moeder voor het eerst gehoord dat het perspectief van [minderjarige] ook buiten het eigen gezin kan liggen. Dit klinkt voor de moeder alsof de GI al een besluit over het perspectief heeft genomen. Daarnaast heeft [minderjarige] tegen de moeder gezegd dat hij de hulpverlening niet vertrouwt. In de visie van de moeder is dit mogelijk de oorzaak waarom [minderjarige] blokkeert. Volgens de moeder heeft zij wel een ingang bij [minderjarige] en kan zij de vermoedens van seksueel misbruik met hem bespreken. Tijdens het laatste weekend dat [minderjarige] bij de moeder was, heeft hij haar verteld dat er iets is voorgevallen. Hij heeft daarbij geen namen genoemd.
Ook wenst de moeder op te merken dat er een verandering is in de gezinssituatie. De vader maakt nu deel uit van het gezin. Dit brengt een bepaalde dynamiek met zich mee en dat heeft aandacht nodig. Nu de vader in het gezin aanwezig is, heeft de moeder het idee dat haar draagkracht groter is geworden. Zij denkt nu voor [minderjarige] een grotere rol te kunnen gaan spelen. Daarbij komt ook dat de moeder sinds kort medicatie gebruikt voor haar ADHD. Zij ervaart dit als positief. Zij kan zich nu beter focussen op gesprekken en langer haar aandacht behouden. Ook dit draagt bij aan het vergroten van haar draagkracht. Samengevat: hoewel de moeder het eens is met de verlenging van de maatregelen is zij ook kritisch over het perspectief van [minderjarige] . Hier moet in de komende periode duidelijkheid over komen, in het belang van [minderjarige] .

6.De beoordeling

Wat zegt de wet?
6.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
6.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
6.3.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
6.4.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Verlenging ondertoezichtstelling
6.5.
Uit de overgelegde stukken en wat tijdens de zitting is besproken, blijkt dat [minderjarige] onverminderd in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. De zorgen over het forse probleemgedrag van [minderjarige] en zijn verdere ontwikkeling zijn onverminderd aanwezig. Uit persoonlijkheidsonderzoek blijkt dat [minderjarige] in zijn sociaal-emotionele ontwikkeling wordt bedreigd en dat hij vastloopt in zijn verdere ontwikkeling. [minderjarige] loopt rond met een geheim, vermoedelijk in verband met seksueel misbruik. [minderjarige] laat hier signalen van zien. Hulpverlening komt hierover niet met [minderjarige] in gesprek. Hoewel [minderjarige] speltherapie krijgt, komt de behandelaar niet verder.
6.6.
Naast genoemde zorgpunten is de kinderrechter ook gebleken dat de bij de ondertoezichtstelling gestelde doelen nog niet zijn behaald. Zo is traumatherapie nog niet opgestart en is [minderjarige] nog in het ongewisse over zijn toekomst. Met hem is besproken dat hij niet bij [zorginstelling] kan blijven en hij zal worden geplaatst in een gezinshuis. Echter, een stip aan de horizon of enige termijn kan hem niet worden gegeven. Dit leidt begrijpelijkerwijs tot onduidelijkheid en spanning.
6.7.
Gelet op het voorgaande acht de kinderrechter een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de verzochte duur noodzakelijk. De situatie is te complex om voort te zetten in een vrijwillig kader. De kinderrechter betrekt daarin dat zij zich aansluit bij de GI ten aanzien van de disbalans in draagkracht en draaglast van de ouders. Hun draagkracht laat het niet toe om de zaak voort te zetten in een vrijwillig kader. De namens de moeder opgeworpen veranderingen waardoor haar draagkracht zou zijn vergroot, zijn nog pril en niet nader door de GI onderzocht. Naar het oordeel van de kinderrechter dient de GI als regievoerder te blijven fungeren. Enerzijds om de ouders te ontlasten, anderzijds om de ingezette hulpverlening te waarborgen, noodzakelijke hulpverlening in te zetten en de ontwikkeling van [minderjarige] te blijven monitoren. Dit betekent dat de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] zal verlengen met ingang van 27 januari 2026 tot 27 januari 2027.
6.8.
Onder de doelen waaraan in de komende periode dient te worden gewerkt, verstaat de kinderrechter de volgende:
- Ingezette hulp of passende hulp wordt ingezet en gecontinueerd in het belang van [minderjarige] ;
- [minderjarige] groeit op binnen een veilige, gestructureerde, en stabiele situatie;
- Wanneer [minderjarige] thuis verblijft is er geen sprake meer van fysieke of verbale agressie;
- [minderjarige] en de ouders krijgen duidelijkheid over waar en in welk gezinshuis hij kan opgroeien.
Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
6.9.
Uit de overlegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is gebleken dat [minderjarige] gelet op zijn complexe problematiek en de persoonlijke problematiek van de ouders niet bij hen kan worden teruggeplaatst. Van belang is dat [minderjarige] vanuit zijn plaatsing bij [zorginstelling] , en de structuur, kaders en bescherming die hem daar worden geboden, toekomt aan verdere behandeling en ontwikkeling. De thuissituatie is daarvoor simpelweg te onstabiel. Met de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing wordt de plaatsing van [minderjarige] bij [zorginstelling] gewaarborgd.
6.10.
Tijdens de zitting is gebleken dat [minderjarige] is aangemeld bij verschillende gezinshuizen en deze aanmeldingen zijn afgewezen. De kinderrechter hoopt dat de GI, ondanks deze afwijzingen, voortvarend te werk zal blijven gaan in het vinden van een geschikte plek voor [minderjarige] . Van belang is daarbij dat de ouders hierin worden betrokken.
6.11.
Het voorgaande betekent dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder zal worden verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling, zijnde tot 27 januari 2027.
6.12.
Voor de volledigheid geeft de kinderrechter de GI nog mee dat wanneer er een gezinshuis voor [minderjarige] is gevonden, de GI een nieuwe machtiging tot uithuisplaatsing nodig heeft. De rechtbank hanteert sinds 1 juli 2025 een lijst met categorieën voor uithuisplaatsing omwille van de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid. Als [minderjarige] geplaatst zal worden in een gezinshuis, dan heeft de GI een machtiging nodig voor een plaatsing van [minderjarige] ‘in een gezinsgerichte voorziening’.
Uitvoerbaar bij voorraad
6.13.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het in het belang van [minderjarige] is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen kan worden uitgevoerd.
6.14.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 27 januari 2026 tot 27 januari 2027;
7.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 27 januari 2026 tot 27 januari 2027;
7.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.