ECLI:NL:RBZWB:2026:659

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
02-028575-25
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling beginnend bestuurder voor verkeersongeval onder invloed met letselpassagiers

Op 10 januari 2025 reed verdachte, een beginnend bestuurder, onder invloed van alcohol en met een te hoge snelheid (80-100 km/u) op een gladde weg in een bocht, waardoor hij de macht over het stuur verloor en een ongeval veroorzaakte. Twee passagiers raakten gewond; het letsel werd juridisch niet als zwaar lichamelijk letsel aangemerkt, maar wel als letsel met tijdelijke ziekte of verhindering.

De rechtbank oordeelde dat verdachte zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden, mede door zijn alcoholgebruik en het negeren van de gladheid en bocht. Roekeloosheid werd niet bewezen, waardoor verdachte daarvan gedeeltelijk werd vrijgesproken. De bewezenverklaring omvat schuld aan het ongeval, gevaar op de weg en rijden onder invloed.

De officier van justitie vorderde een taakstraf van 240 uur en een rijontzegging van 18 maanden (waarvan 6 maanden voorwaardelijk). De rechtbank legde een lagere straf op: een taakstraf van 140 uur, vervangende hechtenis van 70 dagen, en een rijontzegging van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De persoonlijke omstandigheden, waaronder autisme en berouw, werden meegewogen.

De rechtbank sprak verdachte vrij van overige tenlastegelegde feiten en bepaalde dat de tijd van ingeleverd rijbewijs in mindering wordt gebracht op de onvoorwaardelijke ontzegging. Het vonnis werd uitgesproken op 5 februari 2026 door de meervoudige kamer van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 140 uur taakstraf, 70 dagen vervangende hechtenis en 18 maanden rijontzegging waarvan 6 maanden voorwaardelijk.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02-028575-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 5 februari 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2005,
wonende te [woonadres]
raadsman: mr. S.J. Nijssen, advocaat te Goes.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 januari 2026, waarbij de officier van justitie mr. M. van Leeuwen en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 10 januari 2025:
feit 1:na het gebruik van alcohol en/of door het schenden van verkeersregels een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt, waarbij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (zwaar) lichamelijk letsel hebben opgelopen;
feit 2:door zo te handelen gevaar op de weg heeft veroorzaakt;
feit 3:een personenauto heeft bestuurd terwijl hij onder invloed was van alcohol.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daarbij op de bewijsmiddelen in het dossier. Op basis daarvan kan worden vastgesteld dat er sprake is geweest van zeer onvoorzichtig en onoplettend verkeersgedrag. Hierdoor is aan [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toegebracht. Aan [slachtoffer 2] is zodanig letsel toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. Daarom is sprake van schuld in de zin van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW). De officier van justitie acht feiten 2 en 3 eveneens wettig en overtuigend bewezen, gelet op wat hij ten aanzien van feit 1 naar voren heeft gebracht.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat op basis van het dossier niet kan worden bewezen dat verdachte roekeloos heeft gehandeld en verzoekt om verdachte ten aanzien van feit 1 van dat onderdeel van de tenlastelegging gedeeltelijk vrij te spreken. Op basis van het dossier kan wel worden bewezen dat verdachte in ieder geval aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gereden en er sprake is van is van schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro. Verder is aangevoerd dat het letsel van [slachtoffer 1] niet kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. Wel kan ten aanzien van zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] worden bewezen dat het gaat om letsel waaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. Ten aanzien van feiten 2 en 3 is geen bewijsverweer gevoerd.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feit 1
Feiten en omstandigheden
Uit de bewijsmiddelen zoals opgenomen in bijlage II volgt dat verdachte in de avond van 10 januari 2025 in een personenauto heeft gereden op de Binnendijk te Kapelle, een voor hem bekende weg. Bij verdachte in het voertuig zaten twee passagiers, te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Het was die avond donker en het was glad op de weg. Verdachte is daar door de passagiers op gewezen. In de bocht naar links op de Binnendijk is verdachte de macht over het stuur verloren, rechtdoor gereden en van de weg geraakt. De auto van verdachte heeft meerdere bomen in de berm geraakt en is vervolgens op de zijkant tegen de dijk tot stilstand gekomen, waarna de auto in brand is gevlogen. Verdachte en de passagiers hebben zichzelf net voor de brand uit de auto weten te bevrijden. De passagiers hebben door het verkeersongeval letsel opgelopen.
Uit ademanalyseonderzoek blijkt dat verdachte die avond reed onder invloed van alcohol. Verder is verdachte aan te merken als beginnend bestuurder.
Niet kan worden vastgesteld met welke snelheid verdachte exact heeft gereden. Uit de getuigenverklaringen en de verklaring van verdachte zelf blijkt dat verdachte harder heeft gereden dan was toegestaan. Verdachte heeft hierover verklaard dat hij wel harder reed dan was toegestaan, hij schat zo rond de 80 kilometer per uur, maar dit kon ook harder zijn. De passagiers hebben verklaard dat zij denken dat verdachte ongeveer rond de 100 kilometer per uur reed. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat verdachte in ieder geval heeft gereden met een snelheid die hoger lag dan de 60 kilometer per uur die ter plaatse was toegestaan, namelijk met een snelheid van tenminste ongeveer 80 tot 100 kilometer per uur en dat het verkeersongeval mede het gevolg was van die te hoge snelheid.
Artikel 6 WVW Pro
Voor een bewezenverklaring van het misdrijf zoals bedoeld in artikel 6 WVW Pro moet worden vastgesteld dat verdachte zich zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld te wijten is dat het verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen of zodanig lichamelijk letsel, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, waarbij er in ieder geval sprake dient te zijn van aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend handelen door verdachte.
Vrijspraak roekeloosheid
De rechtbank is, gelet op de vastgestelde feiten en omstandigheden, van oordeel dat van roekeloosheid geen sprake is. Verdachte zal hier gedeeltelijk van worden vrijgesproken.
Is er sprake van schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro?
De vraag waarvoor de rechtbank zich vervolgens gesteld ziet, is of verdachte door zijn gedragingen schuld heeft aan het verkeersongeval. Het komt hierbij aan op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen staat vast dat verdachte, die op dat moment beginnend bestuurder was, heeft gereden met een veel hogere snelheid dan ter plaatse is toegestaan. Juist in deze situatie, waarbij verdachte een bocht naderde en op de hoogte was van mogelijke gladheid, had hij extra oplettend moeten zijn en had hij zijn snelheid moeten aanpassen naar de omstandigheden. Verdachte heeft dit nagelaten, terwijl hij bekend was met de situatie ter plaatse. Vervolgens heeft hij zijn rit met een te hoge snelheid, gelet op de naderende bocht naar links, voortgezet waardoor hij de macht over het stuur is verloren, in de bocht rechtdoor is gereden en van de weg is geraakt. Daar komt bij dat verdachte op het moment van het ongeval verkeerde onder invloed van alcohol boven de wettelijke grenswaarde voor beginnend bestuurders. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van alcohol de rijvaardigheid nadelig beïnvloedt, onder andere door vermindering van het inschattings- en reactievermogen. Dit geldt temeer bij een beginnend bestuurder die nu eenmaal in mindere mate over verkeerservaring beschikt en alleen op grond daarvan al een verhoogd risico loopt een verkeerssituatie verkeerd in te schatten.
De hiervoor beschreven gedragingen en verkeersovertredingen van verdachte zijn, in onderlinge samenhang bezien, zodanig dat de rechtbank van oordeel is dat de verdachte zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden.
Letsel
Beide passagiers hebben aan het ongeval letsel overgehouden. [slachtoffer 1] heeft een stabiele breuk in zijn zesde nekwervel en een hersenschudding opgelopen. Hij heeft ongeveer drie maanden een nekkraag gedragen. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of dit letsel in juridische zin kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. Volgens vaste rechtspraak moet bij de beoordeling hiervan (in ieder geval) worden gekeken naar de aard van het letsel, de noodzaak en de aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Het letsel van [slachtoffer 1] kan juridisch gezien niet worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. Het dossier bevat geen nadere concrete informatie over de breuk in de nekwervel, behalve dat deze stabiel was. [slachtoffer 1] heeft geen operatie hoeven ondergaan en het dossier bevat verder ook geen concrete informatie over op welke wijze hij nog beperkingen van het letsel ondervindt, te meer nu uit recente informatie van [slachtoffer 1] zelf blijkt dat hij geen last meer heeft van het letsel. Dat betekent dat verdachte van dit onderdeel gedeeltelijk zal worden vrijgesproken. Wel volgt uit de bewijsmiddelen dat door het letsel [slachtoffer 1] tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.
[slachtoffer 2] heeft door het ongeval een spier in zijn linkerhand gescheurd. Ook heeft hij zijn borstkas gekneusd, heeft hij een aantal dagen na het ongeval een piep in zijn oren gehad en last gehad van rugklachten. De rechtbank kwalificeert zijn letsel, gelet op de aard en de gevolgen daarvan zoals blijkt uit de bewijsmiddelen, eveneens als zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.
Conclusie
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank feit 1 wettig en overtuigend bewezen.
Feit 2
De rechtbank heeft reeds de gedragingen van verdachte op 10 januari 2025 omschreven. Die gedragingen hebben geleid tot een verkeersongeval waarbij ook de twee inzittenden letsel hebben opgelopen. De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van verdachte gevaar hebben veroorzaakt op de weg. Zij acht feit 2 dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Feit 3
De rechtbank acht feit 3 wettig en overtuigend bewezen gelet op de uitslag van de ademanalyse en de bekennende verklaring van verdachte.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
feit 1
op 10 januari 2025 te Wemeldinge, gemeente Kapelle, , als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, Volkswagen), daarmede rijdende over de weg, de Binnendijk, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend,
terwijl verdachte beginnend bestuurder was en
terwijl verdachte verkeerde onder invloed van alcohol en
wetende dat er die avond sprake was van gladheid op de weg
- in een bocht naar links met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane
maximumsnelheid van 60 kilometer per uur te rijden, namelijk met een snelheid van tenminste ongeveer 80 tot 100 kilometer per uur en
- zijn motorrijtuig niet voortdurend onder controle te houden en niet de nodige voorzichtigheid in acht te nemen gelet op de gladheid op de weg en vervolgens van de weg is geraakt, in de berm is terecht gekomen en tegen een of meer bomen is gebotst, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1] ) zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan en waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 2] ) zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,
terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde
lid van de Wegenverkeerswet 1994;
feit 2
op 10 januari 2025 te Wemeldinge, gemeente Kapelle, als bestuurder van een voertuig (personenauto, Volkswagen), daarmee rijdende over de weg, de Binnendijk,
- terwijl verdachte verkeerde onder invloed van alcohol - in een bocht naar links met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 60 kilometer per uur heeft gereden, namelijk met een snelheid van tenminste ongeveer 80 tot 100 kilometer per uur en
- zijn motorrijtuig niet voortdurend onder controle heeft gehouden en niet de nodige
voorzichtigheid in acht heeft genomen gelet op de gladheid op de weg en vervolgens van de weg is geraakt, in de berm is terecht gekomen en tegen bomen is gebotst,
door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, immers verdachte heeft aldus een ongeval veroorzaakt waarbij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] lichamelijk letsel opgelopen hebben;
feit 3
op 10 januari 2025 te Wemeldinge, gemeente Kapelle, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto Volkswagen), dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 430 microgram, bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en nog geen vijf jaren waren verstreken sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs is afgegeven, zijnde een datum waarop hij de leeftijd van 18 jaar had bereikt, en waarop hem voor het eerst een rijbewijs van categorie B is afgegeven.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert ten aanzien van feiten 1 en 3 aan verdachte op te leggen een taakstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van drie jaar. Daarnaast vordert de officier van justitie een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Voor feit 2 heeft de officier van justitie gevorderd te volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt om bij het bepalen van de straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Het ongeval heeft veel met verdachte gedaan. De verdediging verzoekt daarnaast om verdachte geen onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen, omdat dit grote gevolgen zal hebben voor verdachte nu hij zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk en inkomen. Verzocht wordt om de ontzegging voorwaardelijk op te leggen. Gelet op de samenloop en omdat feit 2 een overtreding betreft is verzocht om ten aanzien van feit 2 een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel aan verdachte op te leggen.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij de twee passagiers letsel hebben opgelopen, dit terwijl hij onder invloed van alcohol aan het verkeer deelnam. Hij was nog beginnend bestuurder. Verdachte is met een te hoge snelheid de bocht ingereden en is de macht over het stuur verloren. Het was op dat moment donker en er was sprake van een glad wegdek. Verdachte is in de berm terechtgekomen en heeft meerdere bomen geraakt. De auto is stil komen te liggen tegen de zijkant van de dijk, waarna de auto is uitgebrand. Verdachte en de medepassagiers hebben zichzelf net op tijd uit de auto kunnen bevrijden. Dat het letsel van de slachtoffers relatief beperkt is gebleven, is niet aan het handelen van verdachte te danken. Verdachte heeft die avond zeer onvoorzichtig en onoplettend gereden en heeft zich daarmee geen of onvoldoende rekenschap gegeven van de verantwoordelijkheid die een bestuurder heeft ten opzichte van zijn passagiers en andere verkeersdeelnemers. Bovendien had verdachte de negatieve werking van alcohol op zijn rijgedrag moeten kennen of begrijpen en niet met de auto moeten gaan rijden. De rechtbank rekent dit hem aan.
De persoonlijke omstandigheden
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor het overtreden van verkeerswetgeving, maar niet voor een soortgelijk feit.
De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het advies van de reclassering van 13 januari 2026. Hieruit blijkt dat bij verdachte sprake is van autisme, waar hij in het verleden behandeling voor heeft gevolgd. De leefgebieden van verdachte zijn verder stabiel. Verdachte is bekend met alcoholgebruik, maar heeft tegenover de reclassering aangegeven dat hij sinds het ongeval niet meer heeft gedronken en hulp heeft gezocht. Hij betreurt dat hij onder invloed van alcohol achter het stuur is gestapt en dat de twee passagiers letsel hebben opgelopen bij het ongeval. Het risico op recidive wordt door de reclassering ingeschat als laag en ondanks de jonge leeftijd van verdachte ziet de reclassering geen aanleiding om het jeugdstrafrecht toe te passen. De reclassering adviseert aan verdachte (een deels voorwaardelijke) straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.
De straf
Er is sprake van ééndaadse samenloop van de bewezenverklaarde feiten. Dit leidt ertoe dat van de bewezenverklaarde feiten 1 en 2 alleen feit 1 gekwalificeerd zal worden omdat feit 2 een overtreding betreft.
Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de straffen die doorgaans in soortgelijke zaken worden opgelegd. De LOVS-oriëntatiepunten voor overtreding van artikel 6 WVW Pro zoals hier bewezen verklaard gaan in beginsel uit van een onvoorwaardelijke taakstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid. De rechtbank zal hier aansluiting bij zoeken en een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd, waarbij is opgemerkt dat de officier van justitie - anders dan de rechtbank - uitging van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank houdt daarnaast in het voordeel van verdachte rekening met zijn jonge leeftijd.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van de feiten 1 en 3 een taakstraf voor de duur van 140 uur, te vervangen door 70 dagen hechtenis als de taakstraf niet naar behoren wordt verricht, passend en geboden is.
Daarnaast zal aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid worden opgelegd. De rechtbank zal dit niet in geheel voorwaardelijke vorm doen, zoals door de verdediging is bepleit. Ondanks dat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk en inkomen, ziet de rechtbank gelet op de ernst van de feiten geen aanleiding om deze sanctie geheel voorwaardelijk op te leggen. Wel ziet de rechtbank in deze omstandigheden aanleiding om een deel van de ontzegging voorwaardelijk op te leggen. De rechtbank zal daarom aan verdachte opleggen een ontzegging van de rijbevoegdheid van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan het voorwaardelijk strafdeel een langere proeftijd te verbinden.

7.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 55 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen , 6, 8, 175, 176 en 179 van de Wegverkeerswet 1994 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
de eendaadse samenloop van:
feit 1: overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel a, van deze wet;
en
feit 3: overtreding van artikel 8, derde lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een taakstraf van 140 uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht,
vervangende hechteniszal worden toegepast van
70 dagen;
Bijkomende straffen
- veroordeelt verdachte tot
een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de rijontzegging niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- bepaalt dat de tijd dat verdachte zijn rijbewijs al heeft ingeleverd in mindering wordt gebracht op het onvoorwaardelijk deel van de rijontzegging.
Dit vonnis is gewezen door mr. N. van der Ploeg-Hogervorst, voorzitter, mr. G.H. Nomes en mr. B. Akdikan, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H. Holtgrefe, griffier, en is uitgesproken ter de openbare zitting op 5 februari 2026.