ECLI:NL:RBZWB:2026:660

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
02-280371-23 en 02-207557-21 (tul)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 47 SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Jeugdstraf voor diefstal met geweld en toewijzing immateriële schadevergoeding

Op 15 juli 2023 heeft de minderjarige verdachte samen met een mededader de auto van het slachtoffer gestolen waarbij het slachtoffer met een mes in de onderarm werd gestoken. De rechtbank acht het bewezen dat de verdachte samen met een ander de diefstal met geweld heeft gepleegd. De verdachte heeft ter zitting een bekennende verklaring afgelegd.

De rechtbank houdt rekening met de ernst van het feit, de kwetsbaarheid van het slachtoffer, de strafverzwarende omstandigheden en de persoonlijke situatie van de verdachte, die reeds een PIJ-maatregel ondergaat. Vanwege de overschrijding van de redelijke termijn en het lopende behandeltraject wordt een geheel voorwaardelijke jeugddetentie van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar opgelegd, gecombineerd met een werkstraf van 60 uur.

De benadeelde partij vordert materiële en immateriële schadevergoeding. De rechtbank wijst de materiële schadevordering af wegens onvoldoende bewijs en toewijst een immateriële schadevergoeding van €500,- met wettelijke rente vanaf 15 juli 2023. Verdachte en mededader zijn hoofdelijk aansprakelijk. De tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde werkstraf wordt afgewezen vanwege de lopende PIJ-maatregel.

De rechtbank benadrukt het belang van voortzetting van de behandeling van verdachte en spreekt de hoop uit dat verdachte deze kans benut. De strafoplegging is mede gericht op resocialisatie en het bieden van structuur aan de verdachte.

Uitkomst: Verdachte krijgt een voorwaardelijke jeugddetentie van 2 maanden met werkstraf en moet €500 immateriële schadevergoeding betalen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team jeugd
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-280371-23 en 02-207557-21 (tul)
vonnis van de meervoudige kamer van 5 februari 2026
in de strafzaak tegen de minderjarige
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 2005 te [geboorteplaats] ,
verblijvende bij [de JJI] te [plaats] ,
raadsman mr. H. van Asselt, advocaat te Roosendaal.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zitting van 22 januari 2026, waarbij de officier van justitie, mr. I.M. Peters, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met een ander de auto van [benadeelde] heeft gestolen, waarbij het slachtoffer is gestoken met een mes.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het feit wettig en overtuigend bewezen. Op basis van de camerabeelden is vast te stellen dat verdachte kan worden aangewezen als 1 van de 2 daders en dat hij degene is geweest die het slachtoffer met een mes heeft gestoken.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging refereert zich voor wat betreft de bewezenverklaring aan het oordeel van de
rechtbank.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Ten aanzien van het tenlastegelegde feit heeft verdachte ter zitting een bekennende verklaring afgelegd en ter zake daarvan is geen vrijspraak bepleit. Daarom zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 22 januari 2026;
- het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde] d.d. 15 juli 2023, pagina’s 32-35
van het eindproces-verbaal met dossiernummer ZB3R023067 / Polonium;
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
op 15 juli 2023 te Breda op de openbare weg, te weten bij het tankstation aan de Zwijnsbergenstraat te Breda, tezamen en in vereniging met een ander,
een personenauto, te weten Opel Mokka met [kenteken] , een jas, sleutels,
portemonnee en mobiele telefoon, die geheel aan [benadeelde] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl deze diefstal werd vergezeld en gevolgd van geweld en/of
bedreiging met geweld tegen die
[benadeelde], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken door;
- met een (groot) mes die
[benadeelde]in zijn (linker) onderarm, te
steken en
- met een (groot) mes stekende bewegingen te maken in de richting van die
[benadeelde] , en
- daarbij dreigend de woorden toe te voegen 'sleutels, sleutels';
De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten verbeterd
Naar het oordeel van de rechtbank is de verdachte door deze taalkundige verbetering van de
tenlastelegging niet geschaad in de verdediging.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn en het feit dat verdachte in een andere zaak een PIJ-maatregel opgelegd heeft gekregen, aan verdachte op te leggen een voorwaardelijke jeugddetentie van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaar.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de rechtbank bij het opleggen van de straf rekening te houden met
de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Hij volgt momenteel behandeling in het kader van een PIJ-maatregel en hij maakt hierin positieve stappen. Verder dient de rechtbank rekening te houden met de forse overschrijding van de redelijke termijn in deze zaak. De verdediging verzoekt de strafeis van de officier van justitie te matigen.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de bepaling van de op te leggen straf rekening met de aard en de
ernst van hetgeen bewezen is verklaard en met de omstandigheden waaronder dit is begaan.
De rechtbank houdt verder rekening met de persoon en met de omstandigheden van
verdachte.
Verdachte heeft zich in de vroege ochtend van 15 juli 2023 samen met een medeverdachte schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld waarbij onder meer de auto van de aangever is gestolen. De aangever, een nietsvermoedende 74-jarige man die op dat moment kranten aan het bezorgen was, zag ineens 2 gemaskerde mannen met messen op hem af komen rennen die hem direct duidelijk maakten dat zij zijn auto wilden hebben. Aangever heeft getracht te verhinderen dat de verdachten zijn auto meenamen. Tijdens deze poging is aangever door 1 van de verdachten met een mes gestoken, waardoor hij een steekwond in zijn onderarm heeft opgelopen. Verdachten hebben bij deze laffe daad enkel oog gehad voor hun eigen financieel gewin en hebben geen seconde stilgestaan bij de gevolgen voor het slachtoffer. Bovendien ervaart de samenleving dit soort misdrijven met willekeurig gekozen slachtoffers als schokkend en draagt het bij aan gevoelens van onrust en onveiligheid.
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
De rechtbank heeft ook gekeken naar het advies van de Raad voor de Kinderbescherming
(hierna: de Raad) en de toelichting hierop ter zitting. Verdachte verblijft momenteel in de JJI te [plaats] in het kader van een PIJ-maatregel. De Raad is van mening dat behandeling van cruciaal belang is om het recidive risico van verdachte te verlagen en dat het belangrijk is dat er actief gestart gaat worden met deze behandeling. De behandeling in het kader van de PIJ-maatregel is vanuit de JJI niet gestart vanwege de, onderhavige, nog lopende strafzaak. Hierdoor kon er nog niet gewerkt worden aan de resocialisatie van verdachte. Door gebrek aan perspectief wordt er gezien dat er ook minder motivatie is vanuit verdachte. Gelet op het belang van deze behandeling adviseert de Raad de rechtbank om bij een strafoplegging over te gaan tot een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel (artikel 9a Sr).
De rechtbank slaat bij het bepalen van de strafmaat verder acht op de landelijke
oriëntatiepunten van het LOVS voor minderjarigen. Hierin staat vermeld dat het
uitgangspunt voor een diefstal met geweld 60 uur werkstraf (dan wel dienovereenkomstige
jeugddetentie) betreft waarbij iedere strafverzwarende omstandigheid de strafmaat in
beginsel met 60 uur werkstraf verhoogt. De bedreiging met een wapen, de kwetsbaarheid van het slachtoffer en de aard en ernst van het geweld gelden hierbij als strafverzwarende
omstandigheden.
De rechtbank zal bij het opleggen van de straf echter ook rekening houden met de forse
overschrijding van de redelijke termijn met 10 maanden. De rechtbank zal deze overschrijding in strafmatigende zin meewegen bij de uiteindelijk op te leggen straf. Gelet hierop en het feit dat verdachte momenteel in het kader van een PIJ-maatregel in de JJI verblijft, maakt dat de rechtbank geen onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf meer zal opleggen, nu het pedagogisch effect daarvan, door het tijdsverloop, nihil wordt geacht. Gezien de ernst van het feit acht de rechtbank echter het strafadvies van de Raad zeker niet passend.
Het is belangrijk dat de behandeling van verdachte doorgang vindt nu deze strafzaak middels dit eindvonnis zal worden afgerond. Daarbij is echter ook de houding van verdachte cruciaal. De rechtbank merkt op dat de behandeling van verdachte aanzienlijk verder gevorderd had kunnen zijn indien verdachte van meet af aan een meewerkende en open houding had laten zien. Indien hij in de JJI tegenover zijn behandelaars eerder een bekennende verklaring had afgelegd, had eerder gestart kunnen worden met de delictanalyse en de behandeling van verdachte. De gestagneerde behandeling is derhalve niet alleen aan de JJI maar ook aan verdachte te wijten. Verdachte heeft inmiddels ter zitting een bekennende verklaring afgelegd en onderhavige strafzaak bij de rechtbank kan worden afgerond, zodat begonnen kan worden met de noodzakelijke behandeling.
. De rechtbank spreekt de hoop uit dat verdachte deze kans met twee handen aangrijpt om zo te kunnen werken aan zijn toekomst. De rechtbank zal, alles afwegende, verdachte een geheel voorwaardelijke jeugddetentie opleggen voor de duur van 2 maanden. Daarnaast zal de rechtbank verdachte een werkstraf opleggen van 60 uren. Deze werkstraf is bedoeld om verdachte een dagbesteding en structuur te bieden op het moment dat zal worden gestart met zijn resocialisatie of na de beëindiging van de PIJ.

7.De benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde] vordert een schadevergoeding van € 2.009,13 voor
het ten laste gelegde feit, bestaande uit € 1.509,13 materiële schade en € 500,-
immateriële schade. Tevens wordt de wettelijke rente gevorderd en wordt verzocht de
schadevergoedingsmaatregel toe te passen.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit
feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover
de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De rechtbank neemt per opgevoerde schadepost aangaande de materiële schade het
navolgende in aanmerking:
Bril en zonnebril op sterkte met overzet nachtbril en zonnebril: Het slachtoffer heeft in zijn aangifte niet vermeld dat deze brillen (met overzet) in de auto lagen ten tijde van de diefstal. De rechtbank is van oordeel dat deze schade niet kan worden aangemerkt als een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit.
Handzenders, spijkerjasje, waardebonnen en contact geld, ING-Pas, aangetekend versturen autosleutel: De rechtbank stelt vast dat voornoemde schadeposten in totaal een bedrag van
€ 601,73 vertegenwoordigen. Uit het dossier valt niet op te maken of deze goederen (en zo ja, welke) in de auto zijn teruggevonden en wellicht al zijn teruggegeven aan het slachtoffer. Wel valt uit de vordering van het slachtoffer op te maken dat de verzekering € 500,- heeft vergoed. Niet duidelijk is welke schade er bij de verzekering is geclaimd en ten aanzien van welke posten de verzekering dit bedrag heeft uitgekeerd. Hiervoor is nader onderzoek ten aanzien van deze posten noodzakelijk en dit levert een onevenredige belasting op voor het strafproces. Gelet hierop zal de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk worden verklaard.
Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade van € 500,-- overweegt de rechtbank
als volgt. De benadeelde partij heeft bij het bewezenverklaarde feit lichamelijk letsel opgelopen, wat voor vergoeding als immateriële schade in aanmerking komt. Het bedrag wat door de benadeelde partij is gevorderd, acht de rechtbank alleszins redelijk wat betekent dat dit bedrag zal worden toegewezen.
De rechtbank zal aldus schadevergoeding toewijzen tot een totaal bedrag van € 500,-. Voor
het overige deel van de gevorderde schade is de benadeelde partij niet-ontvankelijk. Dat
deel kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade.
Daarom zal de rechtbank de vordering en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door de mededader is betaald, en andersom.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf 15 juli 2023.
De rechtbank zal voorts de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het
toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen. Gelet op het
feit dat verdachte minderjarig was ten tijde van het gepleegde feit zal de duur van de
gijzeling op 0 dagen worden vastgesteld.

8.De vordering tot tenuitvoerlegging

Zowel de officier van justitie als de verdediging heeft verzocht het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering om de voorwaardelijke werkstraf van 40 uur die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de kinderrechter van 20 oktober 2021 ten uitvoer te leggen.
Anders dan de verdediging en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het openbaar ministerie wel in zijn vordering kan worden ontvangen, nu het bewezenverklaarde feit is gepleegd in een lopende proeftijd. Verdachte volgt momenteel behandeling in het kader van een PIJ-maatregel. De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen nu het uitvoeren van een werkstraf, gezien de lopende PIJ-maatregel, niet proportioneel wordt geacht.

9.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 47, 77a, 77g, 77, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 312 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen;

- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een jeugddetentie van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijk deel van deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd na te melden voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- veroordeelt verdachte tot een
taakstraf in de vorm van een werkstraf van 60 uren;
- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht,
vervangende
jeugddetentiezal worden toegepast van
30 dagen;
de vordering tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf;
wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde werkstraf bij vonnis van de kinderrechter in deze rechtbank van
20 oktober 2021 met parketnummer 02-207577-21.
Benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] van € 500,-,
aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 15 juli 2023 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten
behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en
bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden
aangebracht;
- bepaalt dat verdachte met de mededader hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele
bedrag;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[benadeelde] , € 500,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf
15 juli 2023 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 0 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat
toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat verdachte met de mededader hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele
bedrag;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting
aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. W. Toekoen, voorzitter, mr. D.H. Hamburger en mr. K. Verschueren, allen kinderrechters, in tegenwoordigheid van R. Rozendaal, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 5 februari 2026.