ECLI:NL:RBZWB:2026:667

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
C/02/435685 / HA ZA 25-308 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Scheffers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:850 BWArt. 7:855 BWArt. 7:857 BWArt. 7:857 t/m 7:864 BWArt. 6:248 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nakoming zakelijke borgtochtovereenkomsten door bestuurder na faillissement geldnemer

Zekerhedenagent vordert betaling van €250.000, vermeerderd met rente en kosten, van [gedaagde 1] op grond van twee zakelijke borgtochtovereenkomsten die hij is aangegaan voor de financiering van een kantoorpand door [makelaar]. [makelaar] is failliet verklaard en heeft haar betalingsverplichtingen uit lening I en II niet nagekomen.

De rechtbank oordeelt dat de borgtochten zakelijk zijn, omdat [gedaagde 1] als natuurlijk persoon handelde binnen de normale bedrijfsuitoefening van [makelaar], waarvan hij indirect bestuurder en meerderheidsaandeelhouder was. Het verweer van [gedaagde 1] dat het om particuliere borgtochten gaat en dat Zekerhedenagent eerst andere zekerheden moet uitwinnen, wordt verworpen.

Ook het beroep op redelijkheid en billijkheid en matiging faalt, omdat er geen bijzondere omstandigheden zijn die het onaanvaardbaar maken dat Zekerhedenagent de borgtochten inroept. De rechtbank veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling van het volledige bedrag, de contractuele rente vanaf 2 april 2025, beslagkosten en proceskosten, en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de bestuurder tot betaling van €250.000 plus rente en kosten wegens niet-nakoming van zakelijke borgtochtovereenkomsten.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/435685 / HA ZA 25-308
Vonnis van 28 januari 2026
in de zaak van
STICHTING ZEKERHEDENAGENT COLLIN,
te Udenhout ,
eisende partij,
hierna te noemen: Zekerhedenagent ,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

te [plaats 1] ,
advocaat: mr. C.A. Mascini,
2.
[gedaagde 2] B.V.,
te [plaats 1] ,
niet verschenen, procedure geschorst
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .

1.De zaak in het kort

1.1.
[makelaar] heeft via online platform Collin Crowdfund geld geleend van investeerders. [gedaagde 1] is indirect bestuurder van [makelaar] . [gedaagde 1] heeft zich borg gesteld voor de nakoming van de betalingsverplichtingen van [makelaar] van in totaal € 250.000,00. [makelaar] heeft niet aan haar betalingsverplichtingen voldaan. De Zekerhedenagent (handelend ten behoeve van zichzelf, investeerders, Collin Crowdfund en de Collin Stichting) doet een beroep op de twee borgtochtovereenkomsten en wil in deze procedure betaling van [gedaagde 1] .
1.2.
De rechtbank wijst de vorderingen van Zekerhedenagent tegen [gedaagde 1] toe. De borgtochten met [gedaagde 1] zijn zakelijke borgtochten. Er zijn geen bijzondere omstandigheden aanwezig waardoor Zekerhedenagent op grond van de borgtochten geen betaling van [gedaagde 1] mag vorderen. Het oordeel van de rechtbank over de vorderingen van Zekerhedenagent wordt hierna onder het kopje ‘De beoordeling’ uitgelegd. Maar eerst wordt ingegaan op het verloop van de procedure, de feiten en de vorderingen van Zekerhedenagent . Onder het laatste kopje is de beslissing van de rechtbank te lezen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 30 juli 2025 en de daarin genoemde stukken,
- de mondelinge behandeling van 15 september 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de spreekaantekeningen van Zekerhedenagent en [gedaagde 1] .
2.2.
De rechtbank heeft bij rolbeslissing van 24 september 2025 geconstateerd dat de procedure tegen [gedaagde 2] is geschorst op grond van artikel 29 Faillissementswet Pro. De rechtbank heeft de procedure tegen [gedaagde 2] daarom doorgehaald. De bij dagvaarding ingestelde vorderingen tegen [gedaagde 2] worden daarom niet beoordeeld.
2.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
Zekerhedenagent treedt op ten behoeve van zichzelf, investeerders, Collin Crowdfund en de Stichting Collin in het kader van het beheer en de uitwinning van zekerheden. Collin Crowdfund is een bemiddelaar die via haar online platform vraag en aanbod van kapitaal bij elkaar brengt met als beoogd resultaat het tot stand komen van leningsovereenkomsten tussen meerdere (anonieme) investeerders en geldnemers.
3.2.
[makelaar] houdt zich bezig met aan/verkoop, huur/verhuur en herontwikkeling van onroerend goed. [gedaagde 1] is enig aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde 2] BV. [gedaagde 2] is 50% aandeelhouder en enig bestuurder van [makelaar] . De overige aandelen worden gehouden door Dalton Investment (32%) en Biesio Beheer BV (18%).
3.3.
[makelaar] heeft een kantoorpand (hierna: het kantoorpand) aangekocht aan [adres 1] in [plaats 2] . Ten behoeve van de financiering van de koop en verbouwing van het kantoorpand heeft zij Collin Crowdfund benaderd.
Lening I en borgtocht I ( [contractnummer] )
3.4.
Door bemiddeling van Collin Crowdfund hebben [makelaar] en een aantal investeerders die zich via het platform hebben aangemeld op 22 april 2022 een geldleningovereenkomst gesloten. De overeenkomst heeft het [contractnummer] (hierna: lening I). Op grond van lening I hebben de investeerders een bedrag van € 1.500.000,00 in hoofdsom aan [makelaar] geleend. De looptijd is 30 maanden tegen een rentepercentage van 6% op jaarbasis. In lening I staat dat de lening is aangegaan ter financiering van het kantoorpand.
3.5.
[makelaar] is op grond van artikel 5.4 van deze overeenkomst ook een parallelle schuld van € 1.500.000,00 met Zekerhedenagent aangegaan.
3.6.
Als zekerheid voor de nakoming van deze betalingsverplichtingen uit lening I heeft [makelaar] verschillende zekerheden aan Zekerhedenagent verstrekt. Deze staan opgesomd in artikel 5.1. Een van de zekerheden betreft een borgtochtovereenkomst tussen [gedaagde 1] en Zekerhedenagent (ten behoeve van zichzelf, investeerders, Collin Crowdfund en de Stichting Collin ) ter hoogte van € 150.000,00 (hierna: borgtocht I). In artikel 5.1 van lening I staat:
‘(…) een persoonlijke borgstelling afgegeven door de heer [gedaagde 1] (…) ten gunste van Zekerhedenagent (…)’
[makelaar] heeft ook nog de volgende zekerheden verstrekt:
Een eerste hypothecaire inschrijving van € 1.500.000,00 op het perceel aan [adres 1] in [plaats 2] (het kantoorpand);
Een zakelijke borgstelling afgegeven door [gedaagde 2] ter hoogte van € 150.000,00 ten gunste van Zekerhedenagent ;
Een zakelijke borgstelling afgegeven door ZV Beheer BV ter hoogte van € 150.000,00. ZV Beheer BV is op 16 november 2023 in staat van faillissement verklaard;
Verpanding van de (huidige en toekomstige) huurpenningen van het kantoorpand.
3.7.
Borgtocht I heeft als titel
Zakelijke Borgtocht. In borgtocht I staat dat de borg verklaart dat de borgtocht een zakelijk karakter heeft, dat de borg de borgtocht aangaat handelend in de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf en dat het aangaan van de borgtochtovereenkomst past binnen de statutaire doelomschrijving. Op pagina 3 van de borgtocht staat dat Zekerhedenagent niet verplicht is een andere zekerheid eerst uit te winnen. Bijlage I van de borgtocht I is een informatiebrief. In deze brief wordt de borg gewezen op het risico’s verbonden aan het verstrekken van een borgtocht.
3.8.
Lening 1 is op 14 december 2023 gewijzigd. [makelaar] moest op grond van de nieuwe afspraak lening I uiterlijk op 5 oktober 2024 volledig aflossen. Dat is niet gebeurd.
Lening II en Borgtocht II (45120)
3.9.
Op 19 mei 2023 is door bemiddeling van Collin Crowdfund een leningsovereenkomst met contractnummer 45120 (hierna: lening II) tot stand gekomen tussen [makelaar] en een aantal investeerders. Op grond van lening II hebben de investeerders een bedrag van € 200.000,00 in hoofdsom aan [makelaar] geleend. De looptijd is 18 maanden tegen een rentepercentage van 9% op jaarbasis.
3.10.
[makelaar] is op grond van artikel 5.4 van lening II ook een parallelle schuld van € 200.000,00 met Zekerhedenagent aangegaan.
3.11.
Als zekerheid voor de nakoming van deze betalingsverplichting uit lening II heeft [makelaar] verschillende zekerheden aan Zekerhedenagent verstrekt. Een van de zekerheden betreft een borgtochtovereenkomst tussen [gedaagde 1] en Zekerhedenagent (ten behoeve van zichzelf, investeerders, Collin Crowdfund en de Collin Stichting) ter hoogte van € 100.000,00 (hierna: borgtocht II). In lening II staat:
‘(…) een persoonlijke borgstelling afgegeven door de heer [gedaagde 1] (…) ten gunste van Zekerhedenagent (…)’
3.12.
Borgtocht II heeft als titel
Zakelijke Borgtocht. In borgtocht II staat dat de borg verklaart dat de borgtocht een zakelijk karakter heeft, dat de borg de borgtocht aangaat handelend in de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf en dat het aangaan van de borgtochtovereenkomst past binnen de statutaire doelomschrijving. Op pagina 3 van de borgtocht staat dat Zekerhedenagent niet verplicht is een andere zekerheid eerst uit te winnen. Bijlage I van de borgtocht II is een informatiebrief. In deze brief wordt de borg gewezen op het risico’s verbonden aan het verstrekken van een borgtocht.
Verder gaat het nog om volgende zekerheden:
De vordering uit lening II valt onder de bankhypotheek van € 1.500.000,00 van Zekerhedenagent op het kantoorpand.
Een zakelijke borgstelling afgegeven door [gedaagde 2] ter hoogte van € 200.000,00 ten gunste van Zekerhedenagent .
Verpanding van de (huidige en toekomstige) huurpenningen van het kantoorpand.
3.13.
Omdat [makelaar] haar betalingsverplichtingen niet nakwam heeft Zekerhedenagent (handelend ten behoeve van zichzelf, investeerders, Collin Crowdfund en de Collin Stichting) per brieven van 20 maart 2025 lening I en II opgezegd. Ook heeft zij lening I en II en de rente, boete en kosten opgeëist. Zij heeft [makelaar] gesommeerd om wegens lening I het bedrag van € 1.575.103,80 te betalen en wegens lening II € 228.814,25.
3.14.
Op diezelfde datum is [gedaagde 1] hierover geïnformeerd. Zekerhedenagent heeft [gedaagde 1] bij brieven van 20 maart 2025 laten weten dat zij [makelaar] heeft verzocht om tot betaling van de verschuldigde bedragen uit lening I en II over te gaan. Ook heeft zij laten weten dat zij een beroep doet op de borgtochten wanneer [makelaar] niet aan haar betalingsverplichting zal voldoen.
3.15.
Op 27 maart 2025 heeft Zekerhedenagent [gedaagde 1] aangesproken in zijn hoedanigheid van borg om uiterlijk 1 april 2025 zijn verplichtingen uit de borgtochten I en II te voldoen.
3.16.
Omdat [gedaagde 1] niet aan Zekerhedenagent betaalde, is Zekerhedenagent [gedaagde 1] bij dagvaarding van 24 april 2025 deze procedure tegen [gedaagde 1] gestart.
3.17.
[makelaar] is op 26 mei 2025 failliet verklaard.
3.18.
Na het tweede verzoekschrift van De Zekerhedenagent tot het leggen van conservatoir beslag heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank op 28 april 2025 verlof verleend. Zekerhedenagent heeft op 28 april 2025 conservatoir beslag gelegd ten laste van [gedaagde 1] op zijn aandeel in de onroerende zaak aan [adres 2] in [plaats 1] .

4.Het geschil

4.1.
Zekerhedenagent vordert – kort samengevat – veroordeling van [gedaagde 1] tot betaling van € 250.000,00, vermeerderd met rente en kosten.
4.2.
Zekerhedenagent eist van [gedaagde 1] dat hij de twee borgtochtovereenkomsten nakomt. De Zekerhedenagent legt hieraan ten grondslag dat zij bevoegd is om [gedaagde 1] als borg aan te spreken omdat [makelaar] is tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende betalingsverplichtingen en in verzuim verkeert.
4.3.
[gedaagde 1] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen. [gedaagde 1] stelt zich op het standpunt dat sprake is van een particuliere borgtocht. Ook beroept [gedaagde 1] zich op de redelijkheid en billijkheid.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Het verzuim van [makelaar] en [gedaagde 1]
5.1.
heeft twee borgtochtovereenkomsten gesloten met Zekerhedenagent . Een borgtochtovereenkomst is volgens artikel 7:850 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) een overeenkomst waarbij de borg ( [gedaagde 1] ) zich tegenover de schuldeiser ( Zekerhedenagent ) verbindt tot nakoming van de betalingsverplichting die de hoofdschuldenaar ( [makelaar] ) tegenover de schuldeiser ( Zekerhedenagent ) heeft of zal krijgen. [gedaagde 1] heeft zich voor een bedrag van in totaal € 250.000,00 (te vermeerderen met maximaal 30% aan kosten en rente) verbonden tot de nakoming van de verplichtingen die [makelaar] tegenover Zekerhedenagent heeft.
5.2.
[makelaar] is tegenover Zekerhedenagent tekortgeschoten in de nakoming van haar betalingsverplichtingen uit lening I en II. De Zekerhedenagent kan daarom op grond van artikel 7:855 BW Pro [gedaagde 1] als borg aanspreken tot nakoming. Zekerhedenagent heeft [gedaagde 1] bij brieven van 20 maart 2025 verzocht het door [makelaar] verschuldigde bedrag uiterlijk 1 april 2025 aan haar te voldoen. [gedaagde 1] heeft hier niet aan voldaan.
Het karakter van de borgtochten
5.3.
Voor de vordering tot nakoming is van belang om vast te stellen of de borgtochten I en II zakelijke of particuliere borgtochten zijn. De bepalingen van artikelen 7:857 t/m 7:864 BW bieden de particuliere borg namelijk extra bescherming. De particuliere borgtocht is in de wet gedefinieerd in artikel 7:857 BW Pro. Het gaat dan om een borgtocht die is aangegaan door een natuurlijk persoon. De natuurlijk persoon mag niet hebben gehandeld in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf en ook niet hebben gehandeld ten behoeve van de normale uitoefening van een NV of een BV, waarvan hij bestuurder is en alleen of met zijn medebestuurders de meerderheid van de aandelen heeft.
5.4.
Zekerhedenagent stelt dat het zakelijke borgtochten zijn. Dit volgt uit de borgtochten zelf. Daarnaast is [gedaagde 1] zowel mondeling als schriftelijk gewezen op de risico’s die verbonden zijn aan het afgeven van de zakelijke borgtochten, bijvoorbeeld in de informatiebrieven. De aanduiding persoonlijke borgstelling wordt verklaard door het feit dat [gedaagde 1] een natuurlijk persoon is. De persoonlijke borgtocht heeft wel een zakelijk karakter.
5.5.
Volgens [gedaagde 1] zijn het particuliere borgtochten. In de offerte van 23 mei 2023 voor lening II en in de leningen zelf wordt namelijk gesproken over een persoonlijke borgstelling (artikel 5.1). Dat was ook de bedoeling van partijen. Ook heeft de echtgenote van [gedaagde 1] meegetekend en dat is noodzakelijk voor een particuliere borgtocht.
5.6.
De rechtbank komt tot het oordeel dat de borgtochten I en II zakelijke borgtochten zijn. Dit oordeel wordt als volgt gemotiveerd:
  • Het staat tussen partijen vast dat [gedaagde 1] ten tijde van het aangaan van de twee borgtochtovereenkomsten met Zekerhedenagent indirect bestuurder en meerderheidsaandeelhouder van [makelaar] was.
  • Ook staat vast dat de twee borgtochten dienden als zekerheid voor de terugbetaling van lening I en II door [makelaar] .
  • De leningen zijn gesloten ten behoeve van de normale bedrijfsuitoefening van [makelaar] . In de leningen is vermeld dat [makelaar] financiering zoekt voor haar bedrijfsactiviteiten. Ook blijkt uit artikel 3 van Pro lening I dat [makelaar] lening I heeft gesloten voor de aankoop en verbouwing van het kantoorpand. Lening II heeft ook betrekking op de financiering van dit pand. [makelaar] houdt zich bezig met de koop en verkoop van onroerend goed (zoals het kantoorpand) en projectontwikkeling. De borgtochten zijn daarom aangegaan ten behoeve van de normale bedrijfsuitoefening van [makelaar] . [gedaagde 1] heeft ter zitting nog gesteld dat in dit geval geen sprake is van een normale uitoefening van het bedrijf omdat het hier ging om een kantoorpand terwijl zij normaal gesproken handelt in appartementen. De rechtbank verwerpt deze stelling. [gedaagde 1] heeft deze stelling niet nader onderbouwd met bijvoorbeeld stukken waaruit dit blijkt. Ook als deze stelling juist zou zijn, valt de financiering van het kantoorpand nog binnen de normale bedrijfsuitoefening omdat ook het kantoorpand onroerend goed betreft.
  • Verder heeft [gedaagde 1] in de borgtochtovereenkomsten als borg verklaard dat de borgtochten een zakelijk karakter hebben en dat de borgtochten worden aangegaan handelend in de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf.
  • Tot slot staat in beide borgtochten bovenaan dikgedrukt de tekst ‘Zakelijke Borgtocht’.
5.7.
Het oordeel dat het zakelijke borgtochten zijn wordt niet anders omdat de echtgenote van [gedaagde 1] heeft meegetekend bij borgtocht II. Zoals hierboven al is geoordeeld staat in de tekst van de borgtochten zelf duidelijk vermeld dat het een zakelijke borgtocht is. [gedaagde 1] voert onvoldoende omstandigheden aan voor zijn standpunt dat het ondanks die tekst toch de bedoeling van partijen was om een particuliere borgtochtovereenkomst te sluiten. De conclusie is dan ook dat [gedaagde 1] geen beroep kan doen op de bepalingen van artikelen 7:857 t/m 7:864 BW ter bescherming van de particuliere borg.
Het beroep van [gedaagde 1] op artikel 6:248 lid 2 BW Pro
5.8.
[gedaagde 1] voert als verweer aan dat de vorderingen moeten worden afgewezen omdat het beroep van Zekerhedenagent op de borgtochten in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Volgens [gedaagde 1] heeft Zekerhedenagent het aan zichzelf te danken dat de herfinanciering van de lening door een andere financier niet is doorgegaan. De Zekerhedenagent heeft de onderhandelingen stuk laten lopen op een bedrag van € 30.000,00. Had zij dat niet gedaan, dan was de eerste lening afgelost. Ook meent [gedaagde 1] dat de inroeping van de borgtochten onnodig en voorbarig is. Zekerhedenagent moet eerst de minder verstrekkende zekerheden, zoals het hypotheekrecht op het kantoorpand, uitwinnen voordat zij bij [gedaagde 1] aanklopt. [gedaagde 1] zal onevenredig veel nadeel ondervinden door het inroepen van de borgtochten.
5.9.
Artikel 6:248 lid 2 BW Pro bepaalt dat een tussen partijen overeengekomen regel niet geldt wanneer deze regel in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Een beroep op dit artikel slaagt niet snel, alleen in geval van bijzondere omstandigheden.
5.10.
De rechtbank is van oordeel dat de door [gedaagde 1] gestelde omstandigheden geen bijzondere omstandigheden zijn waardoor De Zekerhedenagent geen beroep meer mag doen op nakoming door [gedaagde 1] van de borgtochten. De rechtbank licht dit oordeel als volgt toe.
De rechtbank volgt [gedaagde 1] in de eerste plaats niet in zijn stelling dat Zekerhedenagent het aan zichzelf heeft te danken dat de herfinanciering niet is doorgegaan. Ter zitting heeft Zekerhedenagent verklaard dat zij niet akkoord is gegaan omdat zij de offerte met betrekking tot de herfinanciering niet van [gedaagde 1] heeft ontvangen ondanks haar verzoek en dat zij over te weinig tijd beschikte om die beslissing te maken. Dat Zekerhedenagent om die redenen niet akkoord is gegaan met een herfinanciering maakt niet dat zij geen beroep meer kan doen op de borgtochten.
Verder is er geen algemene regel die bepaalt dat een schuldeiser zoals Zekerhedenagent eerst de minder verstrekkende zekerheden moet uitwinnen voordat zij een zakelijke borg kan worden aangesproken tot betaling. In de borgtochten is overeengekomen dat Zekerhedenagent zelf die keuzevrijheid heeft. Ter zitting heeft Zekerhedenagent aangegeven dat zij inderdaad in samenspraak met de curator tot uitwinning van het hypotheekrecht op het kantoorpand wil komen. Tijdens de mondelinge behandeling was nog niet duidelijk of het tot een verkoop van het kantoorpand komt. Bovendien geldt ook niet als regel dat Zekerhedenagent eerst de uitwinning hiervan moet afwachten voordat zij een beroep kan doen op de borgtochten. Dit verweer slaagt daarom niet.
5.11.
[gedaagde 1] voert ook aan dat Zekerhedenagent tegenover een privéborgstelling een algemene zorgplicht heeft en dat Zekerhedenagent deze zorgplicht tegenover [gedaagde 1] heeft geschonden. De rechtbank passeert dit verweer. Zoals al is geoordeeld gaat het hier om zakelijke borgtochten.
5.12.
Tot slot heeft [gedaagde 1] tijdens de mondelinge behandeling een beroep gedaan op matiging van het bedrag van de borgtocht wegens de houding van Zekerhedenagent . Gelet op voorgaande overwegingen wordt dit beroep afgewezen.
Conclusie
5.13.
De conclusie van het voorgaande is dat de vordering van Zekerhedenagent tot betaling van in totaal € 250.000,00 wordt toegewezen.
De gevorderde rente
5.14.
De Zekerhedenagent vordert betaling van contractuele rente over in totaal € 250.000,00 vanaf 2 april 2025. [gedaagde 1] heeft geen verweer gevorderd tegen de gevorderde rente en de hoogte daarvan. [gedaagde 1] is vanaf 2 april 2025 in verzuim. De gevorderde contractuele rentes worden daarom toegewezen.
De proceskostenveroordeling
5.15.
Zekerhedenagent vordert [gedaagde 1] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv Pro toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op € 443,03 voor kosten deurwaardersexploten, € 714,00 voor griffierecht en € 2.714,00 voor salaris advocaat (1 punt × € 2.714,00), totaal € 3.871,03.
5.16.
[gedaagde 1] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Zekerhedenagent worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
148,57
- griffierecht
6.147,00
- salaris advocaat
5.428,00
(2 punten × € 2.714,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
11.901,57
5.17.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
veroordeelt [gedaagde 1] om aan Zekerhedenagent te betalen een bedrag van € 150.000,00, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 6% per jaar over het toegewezen bedrag, met ingang van 2 april 2025, tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt [gedaagde 1] om aan Zekerhedenagent te betalen een bedrag van € 100.000,00, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 9% per jaar over het toegewezen bedrag, met ingang van 2 april 2025, tot de dag van volledige betaling,
6.3.
veroordeelt [gedaagde 1] in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 3.871,03, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van deze uitspraak tot de dag van volledige betaling,
6.4.
veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten van € 11.901,57, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
6.5.
veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.7.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. Scheffers en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.