ECLI:NL:RBZWB:2026:6675

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
BRE 25/2280 en 25/2281
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:36c AwbArt. 8:55 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet niet-ontvankelijk wegens te late indiening tegen uitspraak voorlopige aanslag

Belanghebbende heeft verzet ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank van 4 mei 2026, waarin het beroep van belanghebbende ongegrond werd verklaard. De rechtbank oordeelde dat de inspecteur de bezwaren terecht niet-ontvankelijk had verklaard omdat bezwaar tegen een voorlopige aanslag niet mogelijk is.

De rechtbank stelde vast dat de uitspraak op 6 mei 2026 digitaal aan gemachtigde was verzonden, waarmee de termijn van zes weken voor het indienen van verzet op 17 juni 2026 eindigde. Het verzetschrift werd echter pas op 22 juni 2026 ingediend, dus te laat.

De rechtbank heeft belanghebbende in de gelegenheid gesteld om een verontschuldiging voor de termijnoverschrijding te geven, maar hierop is niet gereageerd. Daarom verklaart de rechtbank het verzet niet-ontvankelijk en blijft de bestreden uitspraak ongewijzigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzet is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening zonder verontschuldiging, waardoor de bestreden uitspraak in stand blijft.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 25/2280 en 25/2281

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juli 2026 op het verzet van

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 4 mei 2026 in het geding tussen
belanghebbende
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 4 mei 2026 waarin de rechtbank het beroep van belanghebbende ongegrond heeft verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de inspecteur de bezwaren terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat er geen bezwaar openstaat tegen een voorlopige aanslag.
1.1.
Belanghebbende heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet niet-ontvankelijk is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is het verzet ontvankelijk?
3. Voor het indienen van een verzetschrift geldt een termijn van zes weken. [1] Deze termijn begint op de dag na de dag waarop de uitspraak op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. [2] Dat is in dit soort gevallen de dag na de dag waarop de uitspraak is toegezonden.
3.1
De griffie heeft op 6 mei 2026 in het digitaal dossier van belanghebbende een bericht geplaatst waarin de uitspraak van de rechtbank van 4 mei 2026 zichtbaar is. Van de plaatsing van dit bericht is op dezelfde datum een notificatie aan gemachtigde verzonden naar het door gemachtigde voor dit doel opgegeven e-mailadres. Daarom neemt de rechtbank aan dat gemachtigde dit bericht op 6 mei 2026 heeft ontvangen. [3] De rechtbank stelt daarmee vast dat gemachtigde correct en op de juiste wijze de uitspraak van de rechtbank heeft ontvangen.
3.2
Een verzetschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. [4] De uitspraak is op 6 mei 2026 digitaal naar gemachtigde verzonden naar het door hem voor dit doel opgegeven e-mailadres. Op 22 juni 2026 heeft belanghebbende een verzetschrift ingediend waarin hij opmerkt dat hij bij verassing erachter is gekomen dat er een uitspraak in het dossier is geplaatst.
3.3
Als iemand een verzetschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het verzet niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het verzetschrift verontschuldigbaar is. Dan laat de rechtbank de niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. [5]
3.4
Vast staat dat de rechtbank de uitspraak digitaal op 6 mei 2026 aan belanghebbende heeft verzonden, zodat de termijn voor het indienen van een verzetschrift eindigde op 17 juni 2026. Belanghebbende heeft op 22 juni 2026 digitaal verzet ingesteld. Het verzetschrift is dus niet tijdig ingediend.
Is het te laat indienen verontschuldigbaar?
4. De rechtbank heeft gemachtigde op 23 juni 2026 bericht en gevraagd om uiterlijk 7 juli 2026 mede te delen waarom het verzetschrift te laat is ingediend. Dit bericht is op 23 juni 2026 in het digitaal dossier geplaatst. Op 10 juli 2026 is gemachtigde wederom in de gelegenheid gesteld om te reageren op de termijnoverschrijding. Belanghebbende heeft geen reden gegeven voor deze termijnoverschrijding. Van de plaatsing van dit bericht is op dezelfde datum een notificatie aan gemachtigde verzonden naar het door gemachtigde voor dit doel opgegeven e-mailadres. Daarom neemt de rechtbank aan dat gemachtigde dit bericht op 10 juli 2026 heeft ontvangen. [6] De rechtbank stelt daarmee vast dat gemachtigde correct en op de juiste wijze het bericht van de rechtbank heeft ontvangen.
4.1
Belanghebbende heeft niet gereageerd. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.

Conclusie en gevolgen

5. Het verzet is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het verzet niet inhoudelijk beoordeelt en dat de bestreden uitspraak in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van R.M. Rosta, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:55 in Pro samenhang met artikel 6:7 van Pro de Awb.
2.Dit volgt uit artikel 8:55 in Pro samenhang met 6:8, eerste lid, van de Awb.
3.Gelet op artikel 8:36c, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.Dit volgt uit artikel 8:55 in Pro samenhang met 6:9, eerste lid, van de Awb.
5.Dit volgt uit artikel 6:11 van Pro de Awb.
6.Gelet op artikel 8:36c, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).