ECLI:NL:RBZWB:2026:6676

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
02-329685-21
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 SrArt. 302 SrArt. 310 SrArt. 38e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging terbeschikkingstelling met verpleging wegens psychiatrische stoornissen

Betrokkene is in 2022 tbs opgelegd wegens ernstige strafbare feiten en een psychiatrische stoornis. De maatregel is eerder al verlengd in 2024. De rechtbank behandelt op 14 juli 2026 de vordering tot verlenging van de tbs met twee jaar.

De tbs-instelling en externe gedragsdeskundigen rapporteren dat betrokkene lijdt aan een schizo-affectieve stoornis en een autismespectrumstoornis, met een wisselend psychiatrisch beeld en beperkte copingvaardigheden. Het recidiverisico wordt als matig tot hoog ingeschat, vooral bij het staken van medicatie. De behandeling is nog niet afgerond en betrokkene vertoont psychiatrische achteruitgang.

De officier van justitie ondersteunt de verlenging, terwijl de verdediging zich baseert op eerdere uitspraken. De rechtbank oordeelt dat het recidivegevaar nog aanwezig is en voortvloeit uit een ziekelijke stoornis, en dat verlenging proportioneel en subsidiar is. Daarom wordt de tbs met verpleging van overheidswege met twee jaar verlengd.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de tbs-maatregel met verpleging van overheidswege met twee jaar wegens aanhoudend recidiverisico en psychiatrische instabiliteit.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02-329685-21
Beslissing van de meervoudige kamer van 14 juli 2026 met betrekking tot de terbeschikkingstelling van:
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,
verblijvende in Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) [locatie] te [plaats] ,
hierna: betrokkene,
raadsvrouw: mr. J.A. Aaldijk, advocaat te 's-Gravenhage.

1.De stukken

Het dossier bevat onder meer de volgende stukken:
- de vordering van de officier van justitie van 2 juni 2026, die strekt tot verlenging van de terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met twee jaar;
- de aantekeningen omtrent de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van de betrokkene tot en met het vierde kwartaal van 2025;
- de rapportage van [de psychiater] , van 24 april 2026;
- de rapportage van [de psycholoog] , van 23 april 2026;
- het rapport van FPC [locatie] (hierna: de tbs-instelling) van 19 mei 2026, waarin het advies van de tbs-instelling is vermeld.

2.De procesgang

Bij beslissing van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 30 juni 2022 is betrokkene,
wegens overtreding van artikelen 285, 302 en 310 van het Wetboek van Strafrecht,
ontslagen van alle rechtsvervolging en veroordeeld tot tbs met verpleging van
overheidswege. De rechtbank constateert dat het hier gaat om misdrijven als bedoeld in artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
De termijn van de tbs is aangevangen op 15 juli 2022. Bij beslissing van deze rechtbank van 5 juli 2024 is de tbs laatstelijk verlengd voor een termijn van twee jaren.
De vordering is op de openbare terechtzitting van 14 juli 2026 behandeld. De officier van justitie, mr. M. van Leeuwen, is gehoord. Tevens is betrokkene gehoord, bijgestaan door zijn raadsvrouw. Voorts is gehoord als deskundige [persoon] , verpleegkundig specialist GGZ en coördinerend regiebehandelaar bij de tbs-instelling.

3.De adviezen

3.1.
Advies tbs-instelling
De tbs-instelling heeft in het rapport van 19 mei 2026 geadviseerd de tbs te verlengen met twee jaar en heeft daartoe, samengevat, het volgende vermeld. Bij betrokkene is sprake van een schizo-affectieve stoornis en een autismespectrumstoornis. Met de huidige mate van zorg, ondersteuning en toezicht wordt het risico op gewelddadig gedrag ingeschat als matig. De belangrijkste beschermende factoren zijn extern van aard en zijn gelegen in de passende hulpverlening en toezicht en een stabiele woonsituatie. Indien de huidige mate van zorg en toezicht komt te vervallen, wordt het recidiverisico ingeschat als hoog. Vanwege het beperkte probleeminzicht zal betrokkene naar verwachting medicatie-inname staken. De sociale en copingvaardigheden zijn beperkt en betrokkene is niet in staat zelfstandig een stabiel bestaan op te bouwen. In de komende periode moet blijken of betrokkene stabiel kan functioneren, zijn probleembesef en inzicht toeneemt en zijn copingvaardigheden toenemen. Op basis hiervan wordt het risicomanagement verder bepaald, zijn traject concreter vormgegeven en het benodigde beveiligingsniveau en uitstroomdoel bepaald. De verwachting is dat betrokkene nog meerdere jaren afhankelijk is van hulp, ondersteuning en begeleiding.
Ter zitting heeft de deskundige het advies van de tbs-instelling bevestigd en daaraan toegevoegd dat er sprake is van een wisselend verloop van het psychiatrisch beeld waarbij er ook momenten zijn van psychiatrische ontregeling. De tbs-instelling heeft overwogen een aanvraag tot begeleid verlof in te dienen, hetgeen uiteindelijk niet is gebeurd. Het laatste kwartaal heeft de tbs-instelling een psychiatrische achteruitgang gezien. Er is sprake van achterdocht en auditieve hallucinaties. De komende periode is noodzakelijk om te beoordelen of de ophoging van het antipsychoticum effectief is geweest. Eén van de vervolgstappen is, wanneer de risico’s voldoende zijn ingeperkt, de aanvraag van begeleid verlof. Er zijn echter nog stappen te doorlopen alvorens een aanvraag tot begeleid verlof aan de orde is.
3.2.
Adviezen (externe) gedragsdeskundigen
De psycholoog en psychiater adviseren de tbs te verlengen met twee jaar. Betrokkene is lijdende aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de zin van een schizo-affectieve stoornis (bipolair type), een autismespectrumstoornis en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van beperkte intellectuele capaciteiten. Indien de maatregel komt te vervallen, wordt de kans op recidive op de korte termijn als matig tot hoog ingeschat en op de lange termijn als hoog. Naar verwachting zal betrokkene het antipsychoticum staken en opnieuw psychotisch worden. Vanwege het feit dat betrokkene in psychiatrisch opzicht nog onvoldoende stabiel functioneert, heeft hij nog een langdurig behandeltraject te doorlopen. Continuering van de maatregel is dan ook noodzakelijk om het recidiverisico substantieel te kunnen verlagen en een zeer stapsgewijs resocialisatietraject te kunnen doorlopen. De voorwaardelijke beëindiging van de maatregel is niet aan de orde.

4.Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is ter zitting bij de vordering de tbs met twee jaar te verlengen gebleven.

5.Het standpunt van de verdediging

Betrokkene en de raadsvrouw hebben zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

6.Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is bevoegd om van de vordering kennis te nemen, de vordering is tijdig ingediend en de officier van justitie is ontvankelijk in de vordering.
De tbs kan slechts worden verlengd indien de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen de verlenging van de tbs eist. Het recidivegevaar moet nog aanwezig zijn en dient voort te vloeien uit een ziekelijke stoornis en/of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Gelet op de adviezen van de tbs-instelling en de externe gedragsdeskundigen wordt nog steeds voldaan aan dit wettelijke criterium.
De rechtbank stelt vast dat betrokkene nog stappen dient te maken in zijn behandeling. Gezien het traject dat nog moet worden doorlopen en de tijd die daarvoor nodig zal zijn, zal de behandeling langer duren dan één jaar. Om die reden is de rechtbank van oordeel dat de tbs met verpleging van overheidswege moet worden verlengd met twee jaar. Met die beslissing wordt ook voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

7.Beslissing

De rechtbank
verlengtde termijn van de
terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswegevan
betrokkenemet
2 (twee)jaren.
Deze beslissing is genomen door mr. H. Skalonjic, voorzitter, en mr. L.W. Louwerse en mr. L.W. Boogert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.J. van der Welle, griffier en is uitgesproken ter openbare zitting op 14 juli 2026.