ECLI:NL:RBZWB:2026:6683

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
02-140992-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 77c SrArt. 77g SrArt. 77i Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewezenverklaring poging tot doodslag met oplegging jeugddetentie en onvoorwaardelijke PIJ-maatregel

Op 5 mei 2025 heeft verdachte in Terneuzen met een mes meerdere steken in de buik van het slachtoffer toegebracht, waarbij de darmen uitpuilden. De rechtbank acht bewezen dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer heeft aanvaard (voorwaardelijk opzet) en veroordeelt hem voor poging tot doodslag.

Verdachte was ten tijde van het feit meerderjarig, maar de rechtbank past het adolescentenstrafrecht toe vanwege zijn ontwikkelingsachterstand en problematiek, zoals een licht verstandelijke beperking en gedragsstoornissen. De rechtbank legt een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op, omdat eerdere voorwaardelijke interventies onvoldoende effectief waren en het recidiverisico hoog is.

De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van €98.534,-, waarvan de rechtbank €28.004,- toewijst voor materiële en immateriële schade, inclusief smartengeld, en verklaart het overige deel niet-ontvankelijk. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere werkstraf wordt afgewezen vanwege de opgelegde PIJ-maatregel.

De rechtbank acht de gedragsdeskundigen onafhankelijk en neemt hun rapportages over. De strafoplegging bestaat uit 16 maanden jeugddetentie met aftrek van voorarrest en een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel, de zwaarste sanctie binnen het jeugdstrafrecht, passend bij de ernst van het feit en de problematiek van verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 16 maanden jeugddetentie en onvoorwaardelijke PIJ-maatregel wegens poging tot doodslag met toekenning van schadevergoeding.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02-140992-25
Parketnummer TUL: 20-000919-23
Vonnis van de meervoudige kamer van 23 juli 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2006,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in [locatie] , in [plaats] ,
raadsrouw mr. S. van Minderhout, advocaat te Breda.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 9 juli 2026, waarbij de officier van justitie mr. M. Poirters en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met het bovenvermelde parketnummer.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 5 mei 2025 in Terneuzen heeft gepoogd [slachtoffer] te doden dan wel hem zwaar heeft mishandeld dan wel heeft gepoogd hem zwaar te mishandelen.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
Verdachte heeft geprobeerd aangever te doden.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
Verdachte moet worden vrijgesproken. Hij heeft aangever niet gestoken. Als de rechtbank daar anders over oordeelt, moet verdachte van de poging tot doodslag worden vrijgesproken. Hij heeft geen (voorwaardelijk) opzet op de dood van aangever gehad. Ten aanzien van de (poging tot) zware mishandeling refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op basis van het strafdossier en wat tijdens de zitting is besproken het volgende vast. Op 5 mei 2025 zaten verdachte en aangever aan de bar van [café] in Terneuzen. Hoewel verdachte zich niet meer herinnert daar te zijn geweest, erkent hij dit omdat hij later op zijn bankafschriften een pintransactie van dit café heeft gezien.
Op enig moment verlieten alleen aangever en verdachte kort na elkaar het café. Ongeveer een minuut later keerde verdachte terug. Van de bedrijfsleider van het café kreeg hij een plastic flesje en een plastic beker mee. Dit flesje en deze beker zijn later aangetroffen op de voetplaat van de scooter van de moeder van verdachte, die enkele meters van de ingang van het café geparkeerd stond. Verdachte maakte deze nacht gebruik van deze scooter.
De bedrijfsleider van het café heeft verklaard dat buiten een woordenwisseling ontstond tussen verdachte en aangever. Aangever heeft verklaard dat hij het café wilde verlaten en dat de andere persoon die in het café aanwezig was, hem bij de uitgang met een mes bedreigde. Volgens aangever kwam diezelfde persoon achter hem aan en stak hij hem in zijn buik. Toen aangever daarna probeerde te vluchten, viel hij. Vervolgens sneed deze persoon met het mes in zijn buik. Hierdoor puilden de darmen van aangever uit zijn buik.
Verdachte heeft verklaard dat hij die nacht iemand om hulp hoorde roepen. Vervolgens belde hij een vriend met het verzoek 112 te bellen.
Op camerabeelden is het volgende te zien. Een persoon krijgt van de bedrijfsleider van het café een plastic flesje en een plastic beker mee. Daarna is te zien dat een persoon het café uitloopt met iets in zijn handen en naar de trap loopt richting het parkeerterrein, waar de scooter van de moeder van verdachte staat. Enkele minuten later raakt diezelfde persoon in conflict met aangever. Aangever valt en de persoon lijkt op dat moment een mes in zijn hand te houden. Ongeveer 4 minuten later loopt aangever de trap af richting het parkeerterrein, terwijl hij zijn buik vasthoudt. Dezelfde persoon raapt op het terras van het café iets op dat op een mes lijkt. Hierna rent hij achter aangever aan, waarna hij aangever op de grond duwt.
Alles wat hiervoor is besproken, wijst erop dat verdachte het steekletsel bij aangever heeft veroorzaakt. Uit het dossier volgen geen aanwijzingen dat een ander dan verdachte dit letsel heeft veroorzaakt. De rechtbank vindt daarom bewezen dat verdachte het steekletsel bij aangever heeft veroorzaakt.
Poging tot doodslagDe volgende vraag is of verdachte heeft geprobeerd aangever te doden. De rechtbank vindt niet bewezen dat verdachte de bedoeling had om aangever te doden (vol opzet). Wel heeft verdachte bewust de kans aanvaard dat aangever door zijn handelen zou kunnen overlijden (voorwaardelijk opzet).
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood van aangever – is aanwezig als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. Door met een mes met zoveel kracht in de buik van aangever te steken en te snijden dat de darmen uitpuilden, heeft verdachte een aanmerkelijke kans op de dood van aangever veroorzaakt. Het is een feit van algemene bekendheid dat de buik een kwetsbaar deel van het lichaam is, omdat zich daar vitale organen bevinden. Deze gedragingen van verdachte kunnen bovendien naar de uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op de dood van aangever, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van aangever bewust heeft aanvaard. De rechtbank verwerpt het verweer dat verdachte moet worden vrijgesproken, omdat hij volgens de verdediging beperkt in staat was om situaties te begrijpen en risico’s te overzien waardoor er geen sprake kan zijn van enige opzet. Slechts als bij een verdachte ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan heeft ontbroken, is van opzet geen sprake. Voor het ontbreken van ieder inzicht bij verdachte biedt het dossier geen aanknopingspunten.
ConclusieDe rechtbank vindt bewezen dat verdachte heeft geprobeerd aangever te doden.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 5 mei 2025 te Terneuzen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,
met een mes meermalen in de buik van die [slachtoffer] heeft gestoken en gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen zestien maanden jeugddetentie met aftrek van voorarrest en een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. De officier van justitie acht toepassing van het jeugdstrafrecht gerechtvaardigd gelet op de leeftijd en problematiek van verdachte.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt om toepassing van het jeugdstrafrecht. Verdachte was ten tijde van het feit meerderjarig, maar uit de dubbelrapportage blijkt dat zijn ontwikkeling aanzienlijk achterloopt op zijn kalenderleeftijd. Ook de reclassering adviseert tot de toepassing hiervan. Daarnaast verzoekt de verdediging om de conclusies van de psycholoog en de psychiater die direct of indirect voortbouwen op hun vaststelling dat verdachte de dader is geweest buiten beschouwing te laten. De verdediging is van mening dat dit de onafhankelijkheid en onbevangenheid van de deskundigen negatief heeft beïnvloed. Verder is de verdediging van mening dat onvoldoende is onderzocht of een voorwaardelijke PIJ tot de mogelijkheden behoort. Met name omdat verdachte niet eerder een intensief behandeltraject heeft doorlopen en niet is toegelicht waarom een voorwaardelijke PIJ in geval van verdachte niet afdoende kan zijn.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Adolescentenstrafrecht
De rechtbank stelt vast dat verdachte ten tijde van het plegen van het feit achttien jaar was en dus meerderjarig. Op een jongvolwassen verdachte die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig is, maar onder de 23 jaar, kan het jeugdstrafrecht worden toegepast als sprake is van omstandigheden gelegen in de persoon van verdachte of de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd daartoe aanleiding geven.
Uit de dubbelrapportage van [de psycholoog] en [de psychiater] van 2 februari 2026 volgt dat in geval van verdachte toepassing van het jeugdstrafrecht is aangewezen. Verdachte functioneert in zijn denken, handelen en sociaal-emotionele ontwikkeling jonger dan zijn kalenderleeftijd. Daarnaast vraagt zijn problematiek om een pedagogische, ontwikkelingsgerichte en behandelende benadering, die kan worden geboden volgens het jeugdstrafrecht. Ook de reclassering adviseert de toepassing van het jeugdstrafrecht.
Op basis van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het toepassen van het adolescentenstrafrecht van belang is voor een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte alsook in het belang van de maatschappij, om verdachte er in de toekomst van te weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan het plegen van strafbare feiten. De rechtbank zal dan ook toepassing geven aan het adolescentenstrafrecht.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Hij heeft het slachtoffer – om een voor de rechtbank onduidelijke reden – in zijn buik gestoken en gesneden met een mes waardoor zijn darmen buiten zijn lichaam zijn gekomen. Verdachte heeft bij het slachtoffer een potentieel levensbedreigende verwonding toegebracht, waardoor hij met spoed naar het ziekenhuis is overgebracht en geopereerd. Het handelen van verdachte getuigt van een ernstig gebrek aan respect voor de lichamelijke integriteit en gezondheid van het slachtoffer. Bovendien heeft het slachtoffer door toedoen van verdachte een groot ontsierend litteken op zijn buik.
Onafhankelijkheid gedragsdeskundigen
De rechtbank heeft kennisgenomen van de rapportages van [de psycholoog] en [de psychiater] . Dit betreft de dubbelrapportage van 2 februari 2026 en de aanvullende rapportage van 20 april 2026. Ook zijn deze deskundigen ter zitting van 9 juli 2026 gehoord.
De verdediging stelt dat de deskundigen niet of althans onvoldoende onafhankelijk hebben gerapporteerd en de rechtbank derhalve de conclusies die voortbouwen op de vooronderstelling dat verdachte de dader is buiten beschouwing dienen te laten. Anders dan de verdediging naar voren heeft gebracht, ziet de rechtbank geen enkele aanleiding om te twijfelen aan de onafhankelijkheid van de deskundigen en overweegt hiertoe als volgt.
Een gedragsdeskundige rapportage wordt opgesteld in het kader van de persoon van verdachte. Binnen het strafproces kan de rechtbank een dergelijke rapportage gebruiken bij de beantwoording van de materiële vragen van artikel 350 van Pro het Wetboek van Strafvordering, met uitzondering van de eerste vraag: heeft verdachte het feit gepleegd? Deze vraag is uitsluitend voorbehouden aan de rechtbank. Mocht de rapportage al een oordeel bevatten over de (on)schuld van verdachte, dan is de rechtbank gehouden dit oordeel buiten beschouwing te laten bij de beantwoording van de bewijsvraag. Daarbij merkt de rechtbank op dat zij een dergelijk oordeel niet terugleest in de rapportages. Immers, een gedragsdeskundige rapportage moet de rechtbank voorlichten over de verdachte in de veronderstelling dat hij het feit heeft begaan. De gedragsdeskundigen laten zich namelijk uit over de psyche van verdachte en de mogelijke omstandigheden die hem hebben beïnvloed
ten tijde vanhet tenlastegelegde. De rechtbank begrijpt dat verdachte graag had gezien dat in de gehele rapportage termen zoals ‘indien bewezen verklaard’ of ‘uitgaande van het tenlastegelegde’ expliciet(er) stonden opgenomen, maar gelet op het voorgaande is dit niet vereist en doet dit ook geen afbreuk aan de conclusies. Bovendien is het voor de rechtbank volstrekt helder in welke context de rapportages moeten worden gelezen. Daarnaast hebben de deskundigen ter zitting dit uitgangspunt nogmaals benadrukt en de rapportages en de wijze waarop deze zijn opgesteld uitgebreid toegelicht.
Persoon van verdachte
De rechtbank houdt rekening met het strafblad van verdachte van 26 juni 2025, waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten.
Uit de dubbelrapportage volgt dat er bij verdachte sprake is van een norm-overschrijdende gedragsstoornis, een stoornis in het gebruik van cannabis en in het gebruik van alcohol, een licht verstandelijke ontwikkelingsstoornis en een taalstoornis. Deze stoornissen brengen beperkingen met zich mee in het plannen en overzien van situaties, het inschatten van consequenties van eigen handelen, het flexibel aanpassen aan veranderende omstandigheden en het remmen van impulsen. Hierdoor heeft verdachte moeite om situaties adequaat te beoordelen en te overzien. In combinatie met intoxicatie versterken deze stoornissen elkaar. Er is sprake van een langer bestaand patroon van normoverschrijdend en agressief gedrag. Dit patroon sluit aan bij de vastgestelde normoverschrijdende gedragsproblematiek en de bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling, waarbij sprake is van beperkte verantwoordelijkheidstoename, onvoldoende moreel inzicht en verhoogde gevoeligheid voor ontremming. Bij verdachte is sprake van complexe en samenhangende ontwikkelings-, gedrags- en middelenproblematiek, waardoor een intensief en langdurig behandeltraject noodzakelijk is. Ambulante en voorwaardelijke interventies zijn in het verleden onvoldoende effectief gebleken. De behandeling dient primair gericht te zijn op het verminderen van gewelds- en recidiverisico door het versterken van impulscontrole, emotieregulatie en sociale vaardigheden, passend bij het niveau van een licht verstandelijke beperking. Daarnaast is intensieve behandeling van de stoornis in het gebruik van cannabis en alcohol noodzakelijk. Tevens is het van belang dat de gedragsstoornis wordt behandeld en dat de bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling wordt afgewend. Daarbij is het essentieel dat de behandeling plaatsvindt in een gesloten en overzichtelijk leefklimaat, met duidelijke grenzen, voorspelbaarheid en beschikbaarheid van begeleiding.
De psycholoog en de psychiater concluderen dat de problematiek van verdachte ook ten tijde van het bewezenverklaarde speelde en van invloed is geweest op de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte. Door de deskundigen wordt geadviseerd het bewezenverklaarde verminderd aan verdachte toe te rekenen. Zij kunnen geen concretere mening geven omdat verdachte zich niets herinnert van wat er is gebeurd. De rechtbank neemt, gelet op de inhoud van de rapportages en de vaststelling dat de conclusies logisch voortvloeien uit de onderzoeksbevindingen, de conclusies van de gedragsdeskundigen over en maakte deze tot de hare. Zij is met de gedragsdeskundigen van oordeel dat het bewezen verklaarde feit in verminderde mate aan verdachte moet worden toegerekend. Voor de stelling dat verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht, zoals de verdediging bepleit, is er onvoldoende grond.
Op te leggen straf en/of maatregel
Gelet op de rapportages en wat ter zitting aan de orde is gekomen, is de rechtbank van oordeel dat de oplegging van een PIJ-maatregel noodzakelijk is. Er is voldaan aan de wettelijke vereisten, zoals opgenomen in artikel 77s van het Wetboek van Strafrecht. Bij verdachte was sprake van een ziekelijke stoornis ten tijde van het feit, het gaat om een feit waarop een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, de veiligheid van anderen -dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen - vereist het opleggen van de maatregel (gelet op het recidiverisico) en de maatregel is in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte.
De PIJ-maatregel kan zowel voorwaardelijk als onvoorwaardelijk worden opgelegd. De verdediging stelt dat vanwege de behandelmotivatie en ontwikkelingsmogelijkheden van verdachte, het niet eerder hebben doorlopen van een langdurig, intensief en forensisch behandeltraject en omdat onvoldoende inzichtelijk is gemaakt waarom minder ingrijpende alternatieven niet zouden volstaan oplegging van de voorwaardelijke PIJ-maatregel de voorkeur verdient.
Uit de rapportage en de aanvullende rapportage van de psycholoog en de psychiater blijkt dat zij de mogelijkheid van behandeling in een voorwaardelijk kader nadrukkelijk hebben overwogen. Een dergelijk kader kent in algemene zin namelijk voordelen, zoals een minder ingrijpend karakter en het behoud van meer autonomie voor verdachte. Ter zitting hebben de deskundigen verder toegelicht dat bij elk advies gekeken wordt naar de mogelijkheid om een zo licht mogelijke variant aan hulp en begeleiding in te zetten. De onvoorwaardelijke PIJ-maatregel is immers de zwaarste maatregel en voordat deze maatregel wordt geadviseerd zijn alle andere opties overwogen. In het geval van verdachte worden deze alternatieven, waaronder de voorwaardelijke PIJ-maatregel, als onvoldoende toereikend beoordeeld om het recidiverisico te verlagen. Verdachte heeft in het verleden herhaaldelijk laten zien dat hij binnen vrijwillige en voorwaardelijke kaders onvoldoende in staat is gebleken om zich aan voorwaarden, afspraken en begeleiding te houden. Daarnaast is sprake van beperkt probleeminzicht en een wisselende, overwegend extrinsieke behandelmotivatie, waardoor de kans op onttrekking aan of onvoldoende effect van behandeling aanzienlijk wordt geacht. De complexe en hardnekkige problematiek vraagt om een intensief, langdurig en gestructureerd behandeltraject binnen een gecontroleerde en beveiligde setting, waarin direct kan worden ingegrepen bij terugval, weerstand of escalatie. Een dergelijk niveau van sturing en toezicht kan binnen een voorwaardelijk kader niet worden geboden.
In het licht van de risico’s, waaronder het hoge risico op herhaling van geweld, de beperkte behandelmotivatie, de ontwikkelingsproblematiek, de ernstige verslavingsproblematiek, de beperkte effectiviteit van eerdere interventies en de noodzaak van een langdurig en intensief behandeltraject wordt een voorwaardelijke PIJ-maatregel onvoldoende toereikend geacht. Een voorwaardelijk kader biedt onvoldoende intensiteit, structuur en veiligheid om de ernst en complexiteit van de problematiek het hoofd te bieden. De onvoorwaardelijke PIJ-maatregel wordt dan ook als noodzakelijk beschouwd.
Uit het reclasseringsrapport van 1 juni 2026 volgt dat ook de reclassering negatief adviseert over een voorwaardelijke PIJ-maatregel. Gelet op het verleden acht zij verdachte onvoldoende in staat om zich langdurig aan zijn voorwaarden te houden en zich in te blijven zetten voor behandeling. Bovendien stond verdachte ten tijde van het tenlastegelegde onder toezicht bij de jeugdreclassering vanwege een voorwaardelijke veroordeling. Het reclasseringstoezicht richtte zich erop om de agressieregulatieproblematiek te reguleren, het middelengebruik te verminderen en inzicht te krijgen in oorzaak en gevolgrelaties. Daarnaast is er een hoge kans op recidive waardoor de reclassering het onverantwoord vindt om de PIJ-maatregel in een voorwaardelijk kader plaats te laten vinden.
De rechtbank acht op grond van het voorgaande de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel noodzakelijk. De rechtbank beseft dat deze maatregel binnen het jeugdstrafrecht de zwaarste sanctie is. Een lichtere sanctie acht de rechtbank niet afdoende gelet op de ernst van het feit, de aard van de problematiek, het verloop van de geboden hulpverlening en het feit dat verdachte in een proeftijd met reclasseringstoezicht liep. De rechtbank is van oordeel dat de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel het enige kader is dat voldoende garanties kan bieden voor bescherming van de maatschappij en de dringende en noodzakelijke behandeling voor verdachte kan waarborgen. De rechtbank hoopt dat verdachte deze kans aangrijpt om de benodigde hulp te accepteren en een positieve gedragsverandering te kunnen ondergaan.
De rechtbank stelt vast dat de PIJ-maatregel zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dit betekent dat verlenging van deze maatregel mogelijk is voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat.
Gelet op de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat naast de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel ook een onvoorwaardelijke jeugddetentie moet worden opgelegd. De ernst van het gepleegde feit, in samenhang met het strafblad van verdachte, rechtvaardigt de oplegging van de maximale jeugddetentie. Echter, verdachte wordt verminderd toerekeningsvatbaar geacht. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke jeugddetentie van zestien maanden met aftrek van voorarrest passend en geboden is.

7.De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 98.534,- voor het ten laste gelegde feit, vermeerderd met de proceskosten van € 4.102,-.
De benadeelde partij stelt dat hij de volgende schade heeft geleden:
a. kosten kleding € 200,-
b. verlies verdienvermogen € 34.930,-
c. kosten ziekenhuisopname € 304,-
d. huur € 5.600,-
e. smartengeld € 57.500,-
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte de poging tot doodslag heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
Materiële schade
De gestelde kosten voor de kleding en de ziekenhuisopname zijn voldoende onderbouwd en niet door de verdediging weersproken. De vordering zal dan ook in zoverre worden toegewezen.
Voor zover de vordering ziet op het verlies van het verdienvermogen zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. Uit de overgelegde loonstrook kan dit verlies niet zonder meer worden afgeleid en zeker de hoogte van de mogelijke schade niet. Mede in het licht daarvan, is door de verdediging voldoende gemotiveerd betwist dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden. Ter beoordeling van dit deel van de vordering is nader debat nodig en eventuele bewijsvoering waarvoor dit strafgeding zich niet leent. Dit deel van de vordering kan desgewenst bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Hetzelfde geldt voor de vordering die ziet op de kosten van de huur. Enige onderbouwing van deze kosten ontbreekt, waardoor onduidelijk is of deze kosten zijn gemaakt. In dat licht heeft de verdediging voldoende gemotiveerd betwist dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden. Ter beoordeling van dit deel van de vordering is nader debat nodig en eventuele bewijsvoering waarvoor dit strafgeding zich niet leent. Dit deel van de vordering kan desgewenst bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft een immateriële schadevergoeding van € 57.500,- gevorderd.
Als schade die het gevolg is van een onrechtmatige daad, een nadeel betreft dat niet uit vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde partij op grond van artikel 6:106 lid Pro 1, aanhef en onder b BW recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De benadeelde partij heeft ten gevolge van het bewezen verklaarde feit lichamelijk letsel opgelopen. Dit betekent dat sprake is van een geval waarin recht bestaat op vergoeding van immateriële schade.
Bij de vaststelling van de hoogte van de immateriële schade zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. De rechtbank neemt de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie als uitgangspunt. Bij de benadeelde partij is sprake van lichamelijk letsel waarbij de darmen buiten zijn lichaam zijn gekomen en hij heeft een blijvend litteken. De rechtbank zoekt aansluiting bij deel A, onderdeel 4.9 Darmen. Aangezien het voor de rechtbank onvoldoende duidelijk is wat de eventuele blijvende gevolgen zijn voor de benadeelde partij met betrekking tot zijn darmen, gaat de rechtbank uit van categorie d. Daarnaast zoekt de rechtbank aansluiting bij deel A, onderdeel 10 Littekens aan andere delen van het lichaam. De rechtbank gaat uit van categorie b, middelzware littekenvorming. Verder heeft de benadeelde partij een fractuur in zijn arm opgelopen. De rechtbank zoekt aansluiting bij deel A, onderdeel 13 Licht letsel. De rechtbank gaat vanwege de botbreuk uit van categorie a. De rechtbank begroot het smartengeld gelet op het geheel aan letsel naar naar billijkheid op € 27.500,-. Voor het overige deel van de vordering zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren. Dat deel van de vordering kan desgewenst bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 5 mei 2025.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen. Gelet op de toepassing van het adolescentenstrafrecht zal geen gijzeling worden toegepast.
Proceskosten
Voor het bepalen van de hoogte van de vergoeding voor de proceskosten dient dezelfde maatstaf te worden gehanteerd als in civiele procedures. Bij het vaststellen van kosten voor rechtsbijstand wordt dan ook in beginsel uitgegaan van het liquidatietarief kantonzaken. De rechtbank ziet gelet op de aard en de omvang van de werkzaamheden in verband met de in de onderhavige zaak ingediende vordering geen aanleiding om van dit beginsel af te wijken. De rechtbank zal de proceskosten dan ook toewijzen volgens het liquidatietarief. Uit de vordering van de benadeelde partij blijkt dat er werkzaamheden zijn verricht voor het opstellen van de vordering, het bijwonen van de zitting en de toelichting ter zitting. De rechtbank zal deze werkzaamheden waarderen op 2 punten, met het geldende liquidatietarief
van € 543,- per punt. De rechtbank zal een bedrag van € 1.086,- toewijzen.

8.De vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft ter zitting verzocht om afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke werkstraf van 30 uren die aan verdachte is opgelegd bij arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 15 november 2024, met parketnummer 20-000919-23. De verdediging kan zich hierin vinden.
De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop kan de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen. De rechtbank zal hiertoe niet besluiten, omdat de tenuitvoerlegging gelet op de opgelegde PIJ-maatregel niet opportuun is. De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen.

9.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 77c, 77g, 77i, 77s, 77gg en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

poging tot doodslag

Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een jeugddetentie van 16 (zestien) maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie;
- legt aan verdachte op de
maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen(PIJ-maatregel);
Benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 28.004,-, waarvan € 504,- aan materiële schade en € 27.500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 5 mei 2025 tot aan de dag der voldoening;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij voor rechtsbijstand heeft gemaakt, te weten € 1.086,-;
- wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af, voor zover deze ziet op de kosten van rechtsbijstand;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , € 28.004,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 5 mei 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Vordering tenuitvoerlegging
- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.W.G. de Beer, voorzitter, mr. H. Skalonjic en mr. B. Akdikan, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.A. Lequin, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 23 juli 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
hij op of omstreeks 5 mei 2025 te Terneuzen
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
[slachtoffer]
opzettelijk
van het leven te beroven,
met een mes en/of een puntig voorwerp meermalen, althans eenmaal in de buik
van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of gesneden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 287 Wetboek Pro van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 5 mei 2025 te Terneuzen
aan [slachtoffer]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel, te weten een diepe steekverwonding in de buik (als gevolg
waarvan de ingewanden van die [slachtoffer] uit zijn buik hingen) en/of een ontsierend
litteken, heeft toegebracht door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal
met een mes en/of een puntig voorwerp in de buik te steken en/of te snijden;
( art 302 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht )
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 5 mei 2025 te Terneuzen
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan [slachtoffer]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
met een mes en/of een puntig voorwerp meermalen, althans eenmaal in de buik
van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of gesneden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 302 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht )