Op 18 april 2024 pleegde verdachte samen met een medeverdachte openlijke geweldpleging tegen het slachtoffer in [plaats]. Het geweld bestond uit slaan en schoppen, waarbij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel opliep, waaronder kneuzingen, gebroken tanden, een scheef neustussenschot en een voorste kruisbandletsel.
De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een wezenlijke bijdrage leverde aan het geweld, maar kon niet vaststellen dat het letsel specifiek aan verdachte toe te rekenen was. Verdachte werd daarom vrijgesproken van de strafverzwarende omstandigheden. Het beroep op noodweer en noodweerexces werd verworpen omdat verdachte en medeverdachte de confrontatie konden vermijden.
De strafoplegging bestond uit een taakstraf van 120 uren, een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden zoals meldplicht bij de reclassering en gedragsinterventie agressiebeheersing. Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €14.915,80 aan het slachtoffer, bestaande uit materiële en immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente. De vordering tot proceskosten werd eveneens toegewezen.
De rechtbank legde een contactverbod op als bijzondere voorwaarde en bepaalde dat bij niet-naleving van de voorwaarden de voorwaardelijke straf ten uitvoer kan worden gelegd. Verdachte en medeverdachte zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de schadevergoeding. De uitspraak werd gedaan op 5 februari 2026 door de rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda.