ECLI:NL:RBZWB:2026:6691

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
BRE 23/11138
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992Art. 9, lid 13 Wet BPMArt. 6a, lid 1 Uitvoeringsregeling BPM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Naheffingsaanslag BPM terecht, wel vergoeding immateriële schade wegens termijnoverschrijding

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM van €755 die door de inspecteur is opgelegd. De rechtbank beoordeelt of de aanslag terecht is en of belanghebbende recht heeft op een vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag terecht is vastgesteld. De herleidingsmethode kan niet worden toegepast en de CO2-uitstoot moet worden vastgesteld op 145 g/km WLTP, conform de aanpassing in het kentekenregister. Belanghebbende heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake is van meer dan normale gebruiksschade of een schadeverleden die de handelsinkoopwaarde zou verlagen.

Wel is de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar en beroep met ongeveer achttien maanden overschreden. Daarom kent de rechtbank een immateriële schadevergoeding toe van €1.500, waarvan €250 voor rekening van de inspecteur komt en €1.250 voor rekening van de Staat. Daarnaast worden proceskosten van €233,50 aan belanghebbende toegekend. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag blijft in stand.

Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM wordt gehandhaafd, maar belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11138

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 21 juli 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] BV, gevestigd te [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 27 oktober 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 755 (de naheffingsaanslag).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. M.U. Sahin, verbonden aan [bedrijf] B.V., en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] . [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag heeft opgelegd. Tevens beoordeelt de rechtbank of belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag is opgelegd. Belanghebbende heeft wel recht op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende heeft aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Mazda MX-5 1.5 SkyActiv G met VIN [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag van € 1.377 aan Bpm voldaan.
3.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd. Daarin is een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat opgenomen van € 17.185. De taxateur van belanghebbende heeft schade geconstateerd voor een bedrag van € 8.304. Daarnaast is een aanvullend bedrag van € 1.719 wegens een schadeverleden op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht.
3.2.
Bij de aangifte heeft belanghebbende tevens de inkoopfactuur overgelegd. De inkoopfactuur vermeldt een bedrag van € 16.500 exclusief omzetbelasting. Op de inkoopfactuur wordt geen melding gemaakt van schade.
3.3.
Bij de aangifte is belanghebbende uitgegaan van een CO2-uitstoot van 145 g/km (WLTP). De inspecteur is bij het opleggen van de naheffingsaanslag uitgegaan van een CO2-uitstoot van 143 gr/km (NEDC).
3.4.
Tot het dossier behoort een brief van belanghebbende van 23 november 2023 waarin belanghebbende de RDW heeft verzocht om de CO2-uitstoot (WLTP) van de auto in het kentekenregister te wijzigen naar 145 g/km. De RDW heeft per brief van 23 december 2023 laten weten dat het kentekenregister is aangepast.

Motivering

4. Tussen partijen is in geschil of de zogenoemde herleidingsmethode kan worden toegepast. Verder is in geschil van welke CO2-uitstoot moet worden uitgegaan.
Herleidingsmethode
4.1.
Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 [1] slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.
CO2-uitstoot
4.2.
De rechtbank overweegt dat in het kentekenregister in eerste instantie vermeld dat de auto een CO2-uitstoot heeft van 143 gr/km NEDC. Uit het arrest van de Hoge Raad van 3 april 2020 [2] volgt dat wanneer de CO2-uitstoot van het te registreren motorvoertuig vaststaat, voor de heffing van bpm de CO2-uitstoot een gegeven kenmerk is. Dit betekent dat in beginsel moet worden uitgegaan van een CO2-uitstoot van 143 g/km NEDC. De RDW heeft echter per brief van 11 december 2023 laten weten dat het kentekenregister is aangepast conform het verzoek van belanghebbende. Dit brengt mee dat alsnog moet worden uitgegaan van de door belanghebbende vermelde uitstoot van 145 g/km WLTP. [3]
Interne compensatie
4.3.
De inspecteur heeft een beroep gedaan op interne compensatie. De inspecteur betoogt in dit kader dat de schade en overige waardeverminderingen van € 8.304 respectievelijk € 1.719 ten onrechte in aanmerking zijn genomen, omdat deze waardeverminderingen niet blijken uit het taxatierapport van belanghebbende.
4.4.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inspecteur geen beroep kan doen op interne compensatie, omdat de inspecteur eerder ofwel het taxatierapport heeft bekeken en de schade heeft geaccepteerd ofwel de naheffingsaanslag op onzorgvuldige wijze heeft voorbereid en opgelegd.
4.5.
De rechtbank stelt voorop dat het de inspecteur in beginsel vrijstaat om bij een geschil over een naheffingsaanslag in de bezwaarfase of voor de rechter ter onderbouwing van die aanslag andere gronden aan te voeren dan hij eerder had gedaan. Dit is slechts anders voor zover een beroep op die gronden ondubbelzinnig is prijsgegeven, of die gronden worden aangevoerd onder zodanige omstandigheden dat behandeling ervan zou leiden tot een inbreuk op een goede procesorde. [4] De rechtbank ziet in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen aanleiding om te oordelen dat het beroep op interne compensatie in dit geval niet mogelijk zou zijn. Daarnaast maakt het gestelde door de inspecteur ook niet dat er sprake is van een schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur dan wel beginselen van de goede procesorde.
4.6.
De rechtbank overweegt dat normale gebruiksschade niet in mindering gebracht kan worden op de handelsinkoopwaarde van de auto. Onder normale gebruiksschade dient te worden verstaan slijtage en kleine beschadigingen die ontstaan door gebruik van een voertuig en die passen bij de leeftijd en kilometrage van het voertuig. [5]
4.7.
De bewijslast voor een waardevermindering wegens schade rust op belanghebbende. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, aan de hand van de taxatierapporten en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de auto destijds bijna drie jaar oud was en 31.191 kilometer had gereden. Verder heeft belanghebbende voor een waardevermindering wegens een schadeverleden geen onderbouwing gegeven en deze vermindering dus niet aannemelijk gemaakt.
Tussenconclusie
4.8.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de naheffingsaanslag niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld.
Immateriëleschadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn
4.9.
Belanghebbende maakt aanspraak op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het geschil beslecht had moeten zijn. De Hoge Raad heeft als uitgangspunt bepaald dat een redelijke behandeltermijn voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg een periode van twee jaar bedraagt. [6] Indien deze termijn wordt overschreden, is er aanleiding voor een vergoeding van immateriële schade.
4.10.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 2 februari 2023 heeft ontvangen. De inspecteur heeft op 27 oktober 2023 uitspraak op bezwaar gedaan. De rechtbank doet uitspraak op 21 juli 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond achttien maanden overschreden. Belanghebbende heeft daarom recht op een schadevergoeding van € 1.500. Van deze vergoeding komt € 250 (3/18e deel) voor rekening van de inspecteur. Het resterende bedrag van € 1.250 komt voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag in stand blijft. Wel heeft belanghebbende recht op een vergoeding van immateriële schade van € 2.000.
5.1.
Omdat het verzoek om immateriëleschadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van de proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht met een waarde van € 934 en een wegingsfactor 0,25 [7] . De vergoeding bedraagt dan in totaal € 233,50. De inspecteur moet die kosten vergoeden.
5.2.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed. Het verzoek om immateriëleschadevergoeding is weliswaar gedaan voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 [8] , maar op die datum was de redelijke termijn nog niet verstreken.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.250;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 250;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 233,50 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.J.A. Miseré, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.

Voetnoten

1.Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.
2.Hoge Raad 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:561.
3.Zie artikel 9, dertiende lid, van de Wet Bpm in samenhang met artikel 6a, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Bpm.
4.Vgl. Hoge Raad 4 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:822.
5.Artikel 2, aanhef en onderdeel c, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992.
6.Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
7.Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
8.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, r.o. 7.1.1 en 7.1.2.