ECLI:NL:RBZWB:2026:6696

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
BRE 26/1923
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:12 AwbArt. 1:2 AwbArt. 8:55d AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank beveelt UWV binnen vier maanden beslissing op herbeoordeling arbeidsongeschiktheid

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het UWV omdat het niet tijdig heeft beslist op een aanvraag tot herbeoordeling van arbeidsongeschiktheid, ingediend door zijn werkgever op 10 januari 2025. De rechtbank oordeelt dat eiser een direct belang heeft en het UWV rechtsgeldig in gebreke heeft gesteld op 23 februari 2026.

De rechtbank stelt vast dat het UWV de beslistermijn heeft overschreden en bepaalt dat het UWV binnen vier maanden na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit moet nemen. De rechtbank weegt het belang van zorgvuldige besluitvorming af tegen het belang van een tijdige beslissing en wijkt af van het verzoek van het UWV om een langere termijn toe te staan.

Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom van € 100 per dag op voor elke dag dat het UWV de termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000. Het UWV wordt ook veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiser. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 4 juni 2026.

Uitkomst: Het UWV moet binnen vier maanden beslissen op de herbeoordelingsaanvraag en een dwangsom betalen bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/1923

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. G.J.A.M. Gloudi),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat het UWV volgens hem niet op tijd heeft beslist op de aanvraag van 10 januari 2025 tot herbeoordeling van de arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) van eiser. Deze aanvraag is ingediend door [werkgever] B.V., de werkgever van eiser.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond?
3. Het beroep is ontvankelijk en kennelijk gegrond. Hierna zal de rechtbank uitleggen hoe zij tot dit oordeel komt.
3.1.
Het UWV stelt in het aanvullend verweerschrift van 9 april 2026 dat alleen de aanvrager het UWV in gebreke kan stellen en dat de ingebrekestelling van eiser hierom ongeldig is. Het UWV verzoekt de rechtbank om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren.
3.2.
De rechtbank overweegt dat artikel 6:12, tweede lid, sub b, van de Awb vereist dat een belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk mededeelt dat het in gebreke is. Volgens artikel 1:2 van Pro de Awb wordt onder ‘belanghebbende’ verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. De rechtbank stelt vast dat eiser een direct belang heeft bij een besluit op de herbeoordelingsaanvraag van zijn werkgever. Dit betekent dat eiser het UWV rechtsgeldig in gebreke heeft gesteld.
3.3.
Niet in geschil is dat er sprake is van een overschrijding van de beslistermijn.
Eiser heeft het UWV op 23 februari 2026 in gebreke gesteld. Het UWV heeft de ingebrekestelling op 24 februari 2026 ontvangen en sindsdien zijn twee weken voorbijgegaan.
Welke beslistermijn wordt aan het UWV opgelegd?
4. Omdat het UWV nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het UWV dit alsnog moet doen.
4.1.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het UWV dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
4.2.
Het UWV heeft in het verweerschrift van 31 maart 2026 aangegeven dat de reden van het overschrijden van de beslistermijn het tekort aan verzekeringsartsen is. Tevens geeft het UWV aan dat het momenteel nog onduidelijk is wanneer er een besluit afgegeven kan worden.
4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank moet een termijn recht doen aan de reële mogelijkheden om op de aanvraag te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen. Een langere termijn dan twee weken acht de rechtbank in dit geval aangewezen vanwege het belang van een zorgvuldige besluitvorming. In dit geval acht de rechtbank het redelijk dat het UWV vier maanden de tijd krijgt om alsnog te beslissen op de aanvraag. De rechtbank gaat dus niet mee in het verzoek van het UWV om een langere beslistermijn op te leggen. Evenmin honoreert zij het verzoek van eiser om een beslistermijn van twee maanden op te leggen.
Welke dwangsom wordt aan het UWV opgelegd?
5. De rechtbank bepaalt dat het UWV een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het UWV. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, het UWV de onder 4.3. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het UWV de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding voor zijn proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt het UWV op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat het UWV aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het UWV de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
  • bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 54,- aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt het UWV tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van
I. Ambachtsheer, griffier, op 4 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.