ECLI:NL:RBZWB:2026:6701

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
02-330530-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36b SrArt. 36c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor huiselijk geweld, zware mishandeling en opzetverkrachting

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft verdachte veroordeeld voor meerdere feiten van huiselijk geweld tegen zijn ex-partner, waaronder poging tot zware mishandeling, meervoudige mishandeling, mishandeling van zijn levensgezel en opzetverkrachting. De bewezenverklaring is gebaseerd op verklaringen van het slachtoffer, getuigen, medische rapporten en forensische analyses. De mishandelingen leidden tot ernstig lichamelijk letsel, waaronder een gescheurde milt en blijvend oogletsel.

Verdachte ontkende de meeste feiten en voerde alternatieve scenario's aan, maar de rechtbank verwierp deze op grond van het bewijs. De opzetverkrachting werd bewezen met foto’s op de telefoon van verdachte en de emotionele verklaring van het slachtoffer. Verdachte werd verminderd toerekeningsvatbaar geacht vanwege een persoonlijkheidsstoornis en zwakbegaafdheid.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 36 maanden op, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden zoals ambulante behandeling, meldplicht en elektronische monitoring. Daarnaast werd een contact- en locatieverbod opgelegd. De benadeelde partij kreeg deels schadevergoeding toegekend voor materiële en immateriële schade. De voorwaardelijke straf uit een eerdere zaak werd tenuitvoer gelegd wegens recidive.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf waarvan 6 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en contact- en locatieverbod wegens huiselijk geweld, zware mishandeling en opzetverkrachting.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummers: 02-330530-25 en 02-249809-25 (ttz. gev.)
Parketnummer TUL: 02-069212-24
Vonnis van de meervoudige kamer van 23 juli 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] (België) op [geboortedag 1] 1980,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te [locatie] ,
waarnemend raadsman mr. S.J. Nijssen, advocaat te Goes.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 9 juli 2026, waarbij de officier van justitie, mr. J. Verschuren, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Verder is de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] behandeld.
Ook is de vordering tot tenuitvoerlegging met het bovenvermelde parketnummer behandeld. Tevens zijn ter zitting overeenkomstig artikel 285 van Pro het Wetboek van Strafvordering de zaken onder de voormelde parketnummers gevoegd.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan
02-330530-25
feit 1: een poging tot zware mishandeling van [slachtoffer] van 30 oktober 2025 tot en met 5 november 2025. Subsidiair is dit ten laste gelegd als mishandeling;
feit 2: het zwaar mishandelen van [slachtoffer] van 1 oktober 2023 tot en met 3 januari 2026. Subsidiair is dit ten laste gelegd als poging tot zware mishandeling. Meer subsidiair is dit ten laste gelegd als mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg;
feit 3: het meermaals mishandelen van [slachtoffer] van 5 april 2024 tot en met 3 januari 2026;
feit 4: opzetverkrachting van [slachtoffer] op 20 december 2025;
02-249809-25
mishandeling van zijn levensgezel [slachtoffer] op 30 augustus 2024.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
02-330530-25
De officier van justitie acht de feiten 1 primair, 2 subsidiair, 3 en 4 wettig en overtuigend bewezen. Hij vordert vrijspraak van feit 2 primair, omdat het zwaar lichamelijk letsel niet kan worden bewezen.
02-249809-25
De officier van justitie acht de mishandeling van [slachtoffer] op 30 augustus 2024 wettig en overtuigend bewezen.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
02-330530-25
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder feit 1 primair en subsidiair tenlastegelegde. Verdachte ontkent de verdenking en schetst een alternatief scenario. Subsidiair wordt aangevoerd dat niet valt vast te stellen dat verdachte opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Ook het onder feit 2 primair tenlastegelegde kan niet worden bewezen, omdat ook hier het opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel ontbreekt. Evenmin kan de rechtbank tot een bewezenverklaring komen van de onder feit 4 ten laste gelegde opzetverkrachting. Er was sprake van wederzijdse instemming voor de seksuele handeling.
Voor zover de rechtbank het alternatieve scenario niet volgt, is de verdediging van mening dat de eenvoudige mishandelingen zoals ten laste gelegd onder feit 1 subsidiair kunnen worden bewezen. Ook het tenlastegelegde onder feit 2 meer subsidiair en onder feit 3 kan volgens de verdediging worden bewezen.
02-249809-25
De verdediging heeft bepleit dat de mishandeling op 30 augustus 2024 niet wettig en overtuigend bewezen kan worden wegens het gebrek aan bewijs.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
02-330530-25
Feit 1
Verdachte wordt verweten dat hij in de periode van 30 oktober 2025 tot en met 5 november 2025 heeft geprobeerd [slachtoffer] zwaar te mishandelen, dan wel dat hij haar heeft mishandeld.
Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling dient te worden vastgesteld dat verdachte met de door hem gepleegde gedragingen het opzet had om, al dan niet in voorwaardelijke vorm, [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.
De rechtbank stelt op grond van het dossier het volgende vast. Uit de verklaring van [slachtoffer] volgt dat verdachte haar op 30 oktober 2025 tegen het bovenlichaam, ter hoogte van haar milt, heeft geschopt en haar keel heeft dichtgeknepen. Op 5 november 2025 heeft verdachte haar opnieuw op diezelfde plaats geschopt, terwijl zij op een stoel zat. Verdachte heeft haar die dag eenmaal met kracht en met geschoeide voet tegen de linkerzijde van haar bovenbuik geschopt. [slachtoffer] is de volgende dag gaan werken. Bij thuiskomst is zij onwel geworden, waarna zij haar ex-man, [persoon 1] , heeft gebeld. [persoon 1] heeft verklaard dat hij [slachtoffer] op 6 november 2025 heeft gezien. [slachtoffer] vertelde hem dat verdachte haar had geslagen en, terwijl zij op een stoel zat, met kracht had geschopt. [slachtoffer] is vervolgens door [persoon 1] overgebracht naar het ziekenhuis in [plaats 2] . [persoon 1] zag dat [slachtoffer] verdrietig was en trilde. Tijdens de autorit naar het ziekenhuis had [slachtoffer] pijn wanneer de auto door bochten reed.
Verdachte heeft een alternatief scenario geschetst, namelijk dat er op 5 november 2025 wel iets is voorgevallen nadat [slachtoffer] en hij alcohol hadden genuttigd. [slachtoffer] is die dag gevallen en de dagen daar voorafgaand ook. Verdachte stelt zich dan ook op het standpunt dat het letsel niet het gevolg is van zijn handelen.
Uit het medisch dossier blijkt dat in het ziekenhuis in [plaats 2] bij [slachtoffer] een gescheurde milt werd vastgesteld. Vanwege de ernst van het letsel is zij overgebracht naar het [ziekenhuis] in [plaats 3] , waar zij op de intensive care afdeling is opgenomen en aansluitend op de verpleegafdeling heeft verbleven.
De rechtbank leidt uit de LOEF-rapportage af dat aannemelijk is dat de geconstateerde gescheurde milt is ontstaan door fors stomp botsend geweld. De rechtbank acht dit letsel passend bij de door [slachtoffer] beschreven toedracht, te weten een krachtige schop met een geschoeide voet tegen de linkerzijde van de buik ter hoogte van de milt. De rechtbank ziet gelet op de bevindingen uit de LOEF-rapportage geen aanknopingspunten voor het door verdachte geschetste alternatieve scenario en acht daarom bewezen dat de gescheurde milt is veroorzaakt door de schop die verdachte op 5 november 2025 aan [slachtoffer] heeft toegebracht.
Voorwaardelijk opzet
Uit het dossier blijkt niet dat verdachte vol opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer] . Er kan echter ook sprake zijn van voorwaardelijk opzet.
Voor voorwaardelijk opzet geldt dat sprake moet zijn van een bewuste aanvaarding door verdachte van de aanmerkelijke kans op het gevolg. De beantwoording van de vraag of de gedraging van verdachte de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Daarvoor is onder meer van belang de kracht waarmee is geschopt, of met geschoeide of ongeschoeide voet is geschopt, het aantal en de intensiteit van de schoppen en de plaats(en) waar het slachtoffer is geraakt. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Daarbij kunnen bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op een bepaald gevolg, dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
Het is een feit van algemene bekendheid dat de buik een kwetsbaar onderdeel is van het lichaam. In de buik bevinden zich namelijk vitale organen die, zoals in deze zaak is gebleken, bij forse geweldstoepassing ernstige en mogelijk blijvende schade kunnen oplopen. Dat verdachte op 5 november 2025 met kracht heeft geschopt, blijkt niet alleen uit het ontstane letsel, maar ook uit de aangifte van [slachtoffer] , waarin zij verklaart dat de schop ‘heel hard, echt hard’ en ‘mega pijnlijk’ was. Door met een dergelijke kracht en geschoeide voet tegen de buik van [slachtoffer] te schoppen, terwijl [slachtoffer] op een stoel zat, heeft verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bewust aanvaard.
De rechtbank acht op grond van het bovenstaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op 5 november 2025 schuldig heeft gemaakt aan de poging tot zware mishandeling van [slachtoffer] , zoals primair is ten laste gelegd. De rechtbank spreekt verdachte vrij van de periode voorafgaand aan 5 november 2025, nu niet kan worden vastgesteld met welke kracht en intensiteit verdachte toen tegen het lichaam van [slachtoffer] heeft geschopt.
Feit 2
Verdachte wordt verweten dat hij [slachtoffer] in de periode van 1 oktober 2023 tot en met 3 januari 2026 heeft mishandeld. Als gevolg van deze mishandelingen zou [slachtoffer] (zwaar) lichamelijk letsel, te weten oogletsel, hebben opgelopen.
[slachtoffer] heeft aangifte gedaan van zware mishandeling. Zij heeft verklaard dat verdachte haar gedurende een langere periode meermalen tegen haar hoofd en gezicht heeft geslagen. Als gevolg daarvan zag zij aanvankelijk zogenoemde “spinnenwebben” en later stippen en druppels in haar gezichtsveld. Volgens [slachtoffer] zijn de vermeende mishandelingen begonnen in oktober 2023. Zij verklaart voorts dat door een oogarts in [plaats 2] is vastgesteld dat zij nog slechts 25% zicht had in haar linker oog.
Uit de medische stukken volgt dat [slachtoffer] eind 2024 in het [ziekenhuis] in [plaats 3] aan haar rechteroog is geopereerd. De behandelend oogarts heeft vastgesteld dat bij haar sprake was van een
lamellar hole(
de rechtbank begrijpt: een gedeeltelijk gat in het netvlies). Uit de LOEF-rapportage volgt dat dit letsel het meest waarschijnlijk is veroorzaakt door stomp botsend geweld. Getuige [persoon 1] heeft verklaard dat verdachte begin 2024 ‘het licht uit haar ogen had geslagen’. Voorts heeft [persoon 1] verklaard dat [slachtoffer] hem had verteld dat zij urenlang op een stoel had moeten zitten en zij op dat moment door verdachte tegen haar hoofd werd geslagen. Daarnaast heeft [persoon 1] verklaard dat hij heeft waargenomen dat [slachtoffer] blauw geslagen ogen had. Over het gezichtsverlies heeft verdachte verklaard dat hij ervan op de hoogte was dat het gezichtsvermogen van [slachtoffer] de afgelopen jaren achteruit is gegaan.
De rechtbank stelt vast dat de verklaring van [slachtoffer] over de wijze waarop het letsel is ontstaan steun vindt in de medische bevindingen en de conclusies van de LOEF-deskundige. De rechtbank acht het geconstateerde letsel passend bij de door [slachtoffer] beschreven geweldsinwerking. Nu het dossier geen concrete aanwijzingen bevat voor een alternatieve oorzaak van het oogletsel, acht de rechtbank bewezen dat het door [slachtoffer] opgelopen oogletsel het gevolg is van de door verdachte gepleegde mishandelingen.
De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of door de mishandelingen letsel is ontstaan dat is te kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel.
Algemene gezichtspunten die relevant zijn voor de beantwoording van de vraag of sprake is van zwaar lichamelijk letsel zijn de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Als gevolg van de mishandeling heeft [slachtoffer] een
lamellar holeopgelopen. Dit betreft een beschadiging aan een essentieel onderdeel van het gezichtsvermogen. Het letsel heeft geleid tot blijvende dan wel langdurige visuele klachten. [slachtoffer] heeft verklaard dat haar zicht is verminderd en dat zij daarvan tot op heden hinder ondervindt. Uit de medische stukken volgt dat zij hiervoor specialistische oogheelkundige behandeling heeft ondergaan en dat zij aan haar rechteroog is geopereerd. Ten aanzien van het herstelperspectief volgt uit de LOEF-rapportage dat het uiteindelijke herstel van het vermogen om scherp te zien moet worden afgewacht. Ook geruime tijd na het ontstaan van het letsel bestaan nog klachten en is niet duidelijk in hoeverre het gezichtsvermogen volledig zal herstellen.
Gelet op de aard van het letsel, de aantasting van een belangrijk zintuig, de noodzaak van specialistische medische behandeling en operatie, de bestaande klachten en het onzekere uitzicht op volledig herstel is de rechtbank van oordeel dat dit letsel naar gewoon spraakgebruik als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt.
Alles afwegende acht de rechtbank de zware mishandeling van [slachtoffer] zoals primair ten laste is gelegd, wettig en overtuigend bewezen.
Feit 3
Onder feit 3 wordt verdachte verweten dat hij zich in de periode van 5 april 2024 tot en met 3 januari 2026 schuldig heeft gemaakt aan het meermalen mishandelen van [slachtoffer] door haar te slaan en schoppen, haar in de keel te knijpen en haar aan de haren te trekken.
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen in het dossier het volgende vast. Uit de aangifte van [slachtoffer] van 14 november 2025 volgt dat zij gedurende een langere periode door verdachte werd mishandeld. Zij heeft verklaard dat verdachte haar sloeg en schopte, haar bij de keel greep en aan haar haren trok. Volgens [slachtoffer] begonnen de mishandelingen ongeveer drieënhalf jaar geleden. In haar aangifte heeft zij meerdere concrete momenten beschreven waarop verdachte geweld tegen haar heeft toegepast.
Ten aanzien van 5 april 2024 volgt uit het dossier dat sprake is geweest van een geweldsincident tussen verdachte en [slachtoffer] . De buurman heeft die dag melding gemaakt van hoorbare vechtgeluiden vanuit de woning van [slachtoffer] . Voorts blijkt uit het dossier dat de ter plaatse gekomen verbalisanten letsel bij [slachtoffer] hebben geconstateerd, terwijl verdachte zich met bebloede handpalmen in de woning bevond. Daarnaast bevinden zich in het dossier foto’s van het bij [slachtoffer] geconstateerde letsel. Uit de LOEF-rapportage volgt dat bij [slachtoffer] bloeduitstortingen in en rondom de ogen zichtbaar waren. Naar het oordeel van de rechtbank bieden deze objectieve bevindingen steun aan de verklaring van [slachtoffer] dat zij op 5 april 2024 door verdachte is mishandeld.
Uit de aangifte van [slachtoffer] volgt voorts dat verdachte haar op 30 oktober 2025 tegen haar bovenlichaam, ter hoogte van haar milt, heeft geschopt en haar keel heeft dichtgeknepen. Deze verklaring vindt steun in de verklaring van [getuige 1] , de werkgeefster van [slachtoffer] . [getuige 1] heeft verklaard dat [slachtoffer] zich in het weekend van 1 en 2 november 2025 ziek heeft gemeld omdat zij veel buikpijn had. Deze ziekmelding sluit aan bij de door [slachtoffer] beschreven mishandeling op 30 oktober 2025.
Op 9 januari 2026 zijn de verbalisanten wederom bij [slachtoffer] gekomen naar aanleiding van een melding van het Veiligheidshuis. [slachtoffer] heeft toen verklaard dat zij op 2 of 3 januari 2026 opnieuw door verdachte was mishandeld. Zij verklaarde dat verdachte haar met zijn vuist had geslagen, haar haren had uitgetrokken en haar had geschopt. De verbalisanten hebben vervolgens zelf letsel bij [slachtoffer] waargenomen, bestaande uit een verdikking aan het gezicht, een blauw/gele verkleuring bij het oog en een kale plek op het hoofd. Deze waarnemingen ondersteunen de verklaring van [slachtoffer] over de wijze waarop het geweld heeft plaatsgevonden.
Daarnaast bevindt zich in het dossier een geneeskundige verklaring van de huisarts, waarin meerdere contactmomenten tussen 28 februari 2024 en 2 december 2025 zijn opgenomen. Uit deze gegevens volgt dat [slachtoffer] zich meermalen met letsel bij de huisarts heeft gemeld en daarbij heeft verklaard dat zij slachtoffer was van huiselijk geweld door haar partner.
De rechtbank stelt vast dat de verklaring van [slachtoffer] over de door verdachte gepleegde mishandelingen op meerdere onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen, waaronder de waarnemingen van de getuige en verbalisanten, de medische gegevens en de LOEF-rapportage. De verschillende verklaringen en objectieve bevindingen sluiten op essentiële punten op elkaar aan. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich in de ten laste gelegde periode meermalen schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling van [slachtoffer] .
Feit 4
Verdachte wordt verweten dat hij [slachtoffer] op 20 december 2025 heeft verkracht door haar vaginaal te penetreren met zijn vingers, terwijl de wil van [slachtoffer] daartoe ontbrak. Verdachte heeft een ontkennende verklaring afgelegd en stelt dat er sprake was van wederzijdse instemming. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat [slachtoffer] op de hoogte zou zijn geweest van de foto’s die hij van de seksuele handeling heeft gemaakt.
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen het volgende vast. De telefoon van verdachte is onderzocht in het kader van het onderzoek naar de aan hem verweten mishandelingen. Op de telefoon van verdachte zijn meerdere foto’s aangetroffen waarop [slachtoffer] zichtbaar is. Op de foto’s is te zien dat [slachtoffer] op een bank ligt en lijkt te slapen. Daarnaast zijn foto’s aangetroffen waarop haar naakte onderlichaam en vagina zichtbaar zijn en waarop een hand zichtbaar is die zich bij haar vagina en schaamlippen bevindt. Ook is te zien dat twee vingers in de vagina worden gebracht.
Deze bevindingen zijn tijdens het verhoor van [slachtoffer] op 11 februari 2026 aan haar voorgehouden. [slachtoffer] heeft verklaard dat zij zichzelf op de foto’s herkent, maar zich niets meer kan herinneren van de desbetreffende avond. Bij het zien van de foto’s reageerde zij zichtbaar geëmotioneerd en uitte zij haar onbegrip over hetgeen op de foto’s te zien was. [slachtoffer] heeft verklaard dat zij geen toestemming heeft gegeven voor deze seksuele handeling en dat zij niet wist dat de foto’s waren gemaakt.
De rechtbank acht bewezen dat verdachte met zijn vingers in de vagina van [slachtoffer] is binnengedrongen. Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen hoe dit handelen van verdachte juridisch moet worden gekwalificeerd.
Opzetverkrachting
Van opzetverkrachting is sprake als de verdachte seksuele handelingen verricht die (mede) bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, in de wetenschap dat de wil van de ander daartoe ontbreekt. Daarbij is sprake van vol opzet als de verdachte daadwerkelijk weet dat de wil daartoe bij de ander ontbreekt, maar kan ook sprake zijn van voorwaardelijk opzet. Daarvan is sprake indien de verdachte zich bewust is van de mogelijkheid dat de wil van de ander ontbreekt en die mogelijkheid negeert of voor lief neemt.
Gelet op de verklaring van [slachtoffer] en de geëmotioneerde reactie bij het zien van de foto’s, stelt de rechtbank vast dat de seksuele handeling tegen haar wil is geweest. De rechtbank is van oordeel dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de wil tot penetratie bij [slachtoffer] ontbrak. De verdachte heeft zijn vingers in de vagina van [slachtoffer] gebracht op het moment dat zij lag te slapen. Door zo te handelen heeft de verdachte het onvermogen van [slachtoffer] om haar wil vrij te uiten genegeerd en daarmee dus opzettelijk gehandeld.
Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetverkrachting.
02-249809-25
Verdachte wordt verweten dat hij op 30 augustus 2024 [slachtoffer] heeft mishandeld door haar te slaan tegen het hoofd, door het gooien van een slipper tegen haar hoofd en door het gooien van een stoel tegen haar lichaam.
Ten aanzien van het gooien van de slipper overweegt de rechtbank als volgt. Uit de aangifte van [slachtoffer] volgt dat verdachte op die dag een slipper in haar richting heeft gegooid, maar dat deze haar gezicht niet heeft geraakt. Ook uit de verklaring van getuige [getuige 2] volgt niet dat de slipper het gezicht van [slachtoffer] heeft geraakt. Nu uit het dossier onvoldoende blijkt dat de slipper daadwerkelijk het gezicht van [slachtoffer] heeft geraakt, kan niet worden vastgesteld dat verdachte haar op deze wijze heeft mishandeld. De rechtbank zal verdachte daarom van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.
Ten aanzien van het gooien van de stoel tegen het lichaam van [slachtoffer] komt de rechtbank wel tot een bewezenverklaring. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de stoel in de richting van [slachtoffer] heeft gegooid en dat deze haar heeft geraakt. Deze verklaring vindt steun in de verklaring van getuige [getuige 2] en sluit aan bij de aangifte van [slachtoffer] .
Gelet op de omstandigheden blijkend uit het dossier stelt de rechtbank vast dat verdachte en [slachtoffer] sinds 2019 een relatie hadden waarbij zij in het weekend samenwoonden in de woning van [slachtoffer] . Daarnaast heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat er periodes waren waarin hij iedere dag bij [slachtoffer] was. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake was van een zodanige affectieve en hechte persoonlijke relatie dat [slachtoffer] ten tijde van de mishandeling als levensgezel van verdachte kon worden beschouwd.
De rechtbank acht daarmee wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] , zijnde zijn levensgezel, heeft mishandeld door het gooien van een stoel tegen haar lichaam.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
02-330530-25
1
op 05-11-2025 te [plaats 2] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer] eenmaal tegen het bovenlichaam heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
in de periode van 01-10-2023 t/m 03-01-2026 te [plaats 2] aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten verminderd zicht in een
oog heeft toegebracht, door die [slachtoffer] meermalen tegen het oog, althans tegen het hoofd, te slaan;
3
in de periode van 05-04-2024 t/m 03-01-2026 te [plaats 2] meermalen [slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer] :
- tegen het hoofd en lichaam te slaan en schoppen en
- in de keel te knijpen en
- aan de haren te trekken;
4
op 20 december 2025 te [plaats 2] met een persoon, te weten [slachtoffer] een seksuele handeling die bestond uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten het brengen en houden van vingers in de vagina van die [slachtoffer] terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak.
02-249809-25
op 30 augustus 2024 te [plaats 2] [slachtoffer] heeft mishandeld, door een stoel tegen het lichaam van die [slachtoffer] te gooien terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De officier van justitie verzoekt aan het voorwaardelijke gedeelte van de gevangenisstraf de bijzondere voorwaarden te verbinden zoals deze zijn geadviseerd door de reclassering, met uitzondering van het contactverbod. Tevens vordert de officier van justitie een contact- en locatieverbod op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Zowel ten aanzien van de bijzondere voorwaarden als de 38v-maatregel vordert de officier van justitie de dadelijke uitvoerbaarheid daarvan.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
Door de verdediging wordt verzocht de conclusies van het psychologisch onderzoek over te nemen en de feiten in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Verder wordt verzocht aan hem een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest. Daarnaast kan een voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden en een taakstraf aan verdachte worden opgelegd. De verdediging refereert zich ten aanzien van de hoogte van deze straffen aan het oordeel van de rechtbank.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
De aard en ernst van de feiten
Verdachte en [slachtoffer] hadden vanaf 2019 tot in 2026 een relatie. Binnen de relatie was sprake van huiselijk geweld: verdachte heeft ernstige strafbare feiten gepleegd waarvan [slachtoffer] telkens het slachtoffer was. [slachtoffer] is meerdere keren door verdachte mishandeld, wat (zwaar) lichamelijk letsel tot gevolg heeft gehad. Het letsel was op momenten zelfs dusdanig ernstig dat [slachtoffer] hieraan is geopereerd. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan opzetverkrachting van [slachtoffer] , door met zijn vingers bij haar binnen te dringen terwijl zij sliep. De rechtbank is van oordeel dat de voormelde feiten zeer ernstig zijn. Verdachte heeft met deze gedragingen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van [slachtoffer] . Juist degene bij wie zij zich veilig en beschermd zou moeten voelen, maakte haar leven angstig en onveilig. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.
De ervaring leert dat slachtoffers van huiselijk geweld, maar ook van verkrachting, hiervan nog geruime tijd zowel lichamelijk als geestelijk hinder en klachten kunnen ondervinden als gevolg van gevoelens van schaamte, angst en onveiligheid. Wat de gevolgen voor [slachtoffer] zijn geweest blijkt uit de slachtofferverklaring die namens haar ter terechtzitting is voorgedragen. Daaruit volgt dat het door verdachte toegebrachte letsel en geweld een grote impact op haar leven hebben gehad. Het heeft gevolgen gehad voor haar zelfvertrouwen, haar gevoel van zelfstandigheid en haar kwaliteit van leven. Daarnaast voelt zij zich niet langer veilig in haar eigen woning en ervaart zij gevoelens van angst, kwetsbaarheid en schaamte. Het vertrouwen dat zij in anderen had, is door hetgeen haar is aangedaan beschadigd.
De persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 24 juni 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor huiselijk geweld en dat hij in een proeftijd liep bij het plegen van de voornoemde feiten. Daarnaast is aan verdachte op 24 juni 2026 een strafbeschikking opgelegd, waardoor artikel 63 Sr Pro van toepassing is. Ook is gebleken dat verdachte in 2017 in België is veroordeeld voor verkrachting.
Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het psychologisch onderzoek van 20 juni 2026, opgemaakt door [persoon 2] , GZ-psycholoog. Uit het onderzoek blijkt dat verdachte lijdt aan een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken. Daarnaast functioneert hij op zwakbegaafd tot beneden-gemiddeld niveau. Verdachte is geneigd problematiek te bagatelliseren, waardoor er onvoldoende duidelijkheid is over de ernst van zijn alcoholgebruik. Hierdoor kan geen stoornis in het gebruik van alcohol worden vastgesteld, maar ook niet worden uitgesloten. Het recidiverisico wordt als matig tot hoog ingeschat. De persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken maakt dat verdachte moeite heeft met het reguleren van zijn emoties, het hanteren van zijn frustraties en beperkt wordt gehinderd door een adequaat functionerend geweten. Deze factoren dragen bij aan het recidiverisico. Ambulante forensische behandeling is aangewezen om de kans op recidive te verkleinen. Geadviseerd wordt om de feiten in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
De rechtbank neemt bovenstaande conclusies over en acht verdachte ten aanzien van alle bewezen verklaarde feiten verminderd toerekeningsvatbaar.
Daarnaast heeft de rechtbank gekeken naar het reclasseringsadvies van 2 juli 2026. Uit dit advies blijkt dat het herhaaldelijk gepleegde huiselijk geweld en het feit dat dit meermaals tijdens de lopende proeftijd heeft plaatsgevonden maakt dat het recidiverisico en het risico op letselschade als hoog wordt ingeschat. Temeer omdat verdachte zich bewust sociaal wenselijk en berekenend heeft opgesteld bij de reclassering en de behandelaren. De reclassering uit haar zorgen over de toename in de ernst van de geweldsdelicten. Het risico op extreem ernstig of dodelijk geweld wordt dan ook als hoog ingeschat. Gelet daarop heeft de reclassering geadviseerd om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden van een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandelverplichting, een contact- en locatieverbod, het verrichten van een zinvolle dagbesteding, het aflossen van schulden en het meewerken aan middelencontroles. Daarnaast heeft de reclassering geadviseerd de bijzondere voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard bereid te zijn zich aan de geadviseerde voorwaarden te houden.
De straf
Gelet op de aard en ernst van de feiten en de gevolgen die de feiten voor [slachtoffer] hebben gehad, is de rechtbank van oordeel dat met niets anders kan worden volstaan dan met oplegging van een langdurige gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van die straf heeft de rechtbank, naast dat zij rekening heeft gehouden met de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, acht geslagen op de problematiek van verdachte en de omstandigheid dat de feiten aan hem verminderd kunnen worden toegerekend.
De rechtbank is daarom van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden is en zal deze daarom volgen. Dit betekent dat aan verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Aan het voorwaardelijke gedeelte verbindt de rechtbank de bijzondere voorwaarden zoals deze zijn geadviseerd door de reclassering. De rechtbank acht deze voorwaarden noodzakelijk om het recidiverisico te beperken en om de kans op herhaling van ernstig geweld te verkleinen. De rechtbank zal bepalen dat de elektronische monitoring voor een maximale duur van zes maanden wordt opgelegd gelet op de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte. De rechtbank ziet geen aanleiding om de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren, gelet op het dadelijk uitvoerbaar verklaren van de 38v-maatregel, zoals hierna zal worden overwogen.
Maatregel 38v Sr
Ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten wordt aan verdachte de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van twee jaren opgelegd, inhoudende een gebiedsverbod voor [plaats 1] , [plaats 2] en [plaats 4] en daarnaast een contactverbod met [slachtoffer] . De duur van de vervangende hechtenis van deze verboden zal de rechtbank bepalen op twee weken per overtreding met een maximum van zes maanden.
Nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens [slachtoffer] wordt bevolen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

7.Het beslag

7.1.
De onttrekking aan het verkeer
De hierna in de beslissing genoemde inbeslaggenomen voorwerpen, te weten de Apple iPhone, het vleesmes en het groentemes zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Uit het dossier volgt dat op de Apple iPhone foto’s zijn aangetroffen waarop het seksuele misbruik van [slachtoffer] zichtbaar is. De onder 02-330530-25 feit 4 bewezen verklaarde handeling is derhalve met behulp van deze telefoon vastgelegd. Nu het bewezen verklaarde feit met betrekking tot de Apple iPhone is begaan en het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet en/of het algemeen belang zal de rechtbank de Apple iPhone onttrekken aan het verkeer. Ook het ongecontroleerde bezit van het vleesmes en groentemes is in strijd met de wet en/of het algemeen belang.

8.De vordering van de benadeelde partij

Benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 26.407,00 ten aanzien van feiten 1, 2, 3, 4 onder parketnummer 02-330530-25 en 1 onder parketnummer 02-249809-25, bestaande uit € 3.407,00 ter zake van materiële schade en € 23.000,00 ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Materiële schade
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte deze feiten heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
Medische kosten
De gevorderde medische kosten zijn door de verdediging onvoldoende gemotiveerd betwist. Het had op de weg van de verdediging gelegen om concreet aan te voeren welke kosten geen verband houden met het onrechtmatig handelen van verdachte. Namens de benadeelde partij zijn namelijk nota’s ter onderbouwing van dit deel van de vordering overgelegd en verder heeft de raadsvrouw van de benadeelde partij de vordering toegelicht ter terechtzitting. Deze schade staat in een voldoende verband met het bewezen verklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit. Het gevorderde bedrag van € 1.628,22 is voor toewijzing vatbaar.
Reis- en verblijfskosten
De door de benadeelde gevorderde reis- en verblijfskosten acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 64,84. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezen verklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezen verklaarde feit. De rechtbank zal het gedeelte van de vordering dat ziet op reiskosten naar en van de rechtbank afwijzen, nu een wettelijke grondslag daarvoor ontbreekt.
Schade bril en lenzen
De rechtbank is van oordeel dat feiten en omstandigheden die tot toewijzing van het gevorderde bedrag (€ 1.695,12) zouden kunnen leiden niet voldoende vaststaan, nu (de omvang van) de schade onvoldoende is onderbouwd. Verdere behandeling van dat deel van de vordering levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk in haar vordering zal worden verklaard. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Immateriële schade
Verdachte heeft met het bewezen verklaarde handelen de benadeelde partij lichamelijk letsel, bestaande uit onder andere verminderd zicht en blauwe plekken, toegebracht, hetgeen op zichzelf een grondslag vormt voor een immateriële schadevergoeding. Er is sprake van een lange pleegperiode waarin het huiselijk geweld heeft plaatsgevonden. Daarnaast is sprake van vaginale penetratie met de vingers. Naar het oordeel van de rechtbank brengt de aard en de ernst van de normschending door verdachte mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat er sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in haar eer of goede naam. Dat betekent dat de immateriële schade ook op die grondslag voor vergoeding in aanmerking komt. Gelet op alle omstandigheden en de bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, acht de rechtbank de door de benadeelde gevorderde vergoeding van immateriële schade toewijsbaar tot een bedrag van € 10.000,00.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige in de vordering van immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren. Benadeelde kan haar vordering wat betreft dit deel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Schadevergoedingsmaatregel en wettelijke rente
Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van de benadeelde partij aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 11.693,06, aan immateriële schade. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast. De rechtbank zal de wettelijke rente schattenderwijs toewijzen met ingang van 1 november 2024, een datum gelegen in het midden van de bewezen verklaarde periode.
ProceskostenDe benadeelde partij vordert een vergoeding van de proceskosten volgens het liquidatietarief. Om de proceskosten te begroten zoekt de rechtbank aansluiting bij het in civiele procedures voor kosten van rechtsbijstand gebruikelijke liquidatietarief voor kantonzaken. Het salaris van de gemachtigde wordt berekend aan de hand van een puntenstelsel. Voor het indienen van een voegingsformulier en het bijwonen van de zitting worden samen twee punten gehanteerd. Bij toewijzing van een vordering tussen de € 10.000,- en € 20.000,- geldt een vergoeding van € 432,- per punt. De proceskosten van de benadeelde partij worden daarom begroot op € 864,-. De rechtbank zal verdachte in deze kosten veroordelen.

9.De vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van vier weken die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 juni 2024 ten uitvoer zal worden gelegd.
De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

10.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 36d, 36f, 38v, 38w, 45, 57, 63, 243, 300, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
02-330530-25
feit 1: primair:poging tot zware mishandeling
feit 2: primair:zware mishandeling
feit 3:mishandeling, meermalen gepleegd
feit 4:opzetverkrachting
02-249809-25
mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 36 (zesendertig) maanden, waarvan 6 (zes) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als
bijzondere voorwaarden:
* dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen vijf dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij de verslavingsreclassering van Novadic-Kentron, Korte Raamstraat 3, 4818 CJ Breda, 076-523 63 00. De reclassering zal contact met verdachte opnemen voor de eerste afspraak;
* dat verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Novadic-Kentron of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op (psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, seksueel grensoverschrijdend gedrag, schuldenproblematiek, woonoverlast en/of andere problematiek). Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
* dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact opneemt of zoekt met slachtoffer mevrouw [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 1973;
* dat verdachte zich gedurende de uitvoering van de Elektronische monitoring niet bevindt in de omgeving van [plaats 1] , [plaats 2] en [plaats 4] . Verdachte werkt mee aan elektronische monitoring op dit locatieverbod. Verdachte gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering, omdat het voor de elektronische monitoring nodig is dat verdachte in Nederland en België blijft. Het Openbaar Ministerie kan op verzoek van de reclassering dit locatieverbod (deels) laten vervallen;
* dat verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
* dat verdachte meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen of een soortgelijk traject. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
* dat verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
- bepaalt dat verdachte zich onder elektronisch toezicht zal stellen ter nakoming van de hiervoor genoemde bijzondere voorwaarden. De elektronische monitoring geldt voor
maximaal zes maandenof zoveel korter als de reclassering nodig acht;
- van
rechtswege geldende voorwaardendaarbij zijn:
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Maatregel
- legt op de maatregel dat verdachte voor de duur van
2 (twee) jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen of zoeken met slachtoffer [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 1973;
- legt op de maatregel dat verdachte voor de duur van
2 (twee) jaren zich niet zal ophouden in de navolgende gebieden: [plaats 1] , [plaats 2] en [plaats 4] ;
- beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt
2 (twee) weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 (zes) maanden;
- bepaalt dat toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft;
- beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon;
Benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 11.693,06, waarvan € 1.693,06 aan materiële schade en € 10.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 1 november 2024 tot aan de dag der voldoening;
-
wijst de vordering van de benadeelde partij voor het bedrag van € 18,82 (reiskosten ten behoeve van de rechtbank) af;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt verdachte in de proceskosten van de benadeelde partij, te weten € 864,00;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , € 11.693,06 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 1 november 2024 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 83 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Beslag
- verklaart
onttrokken aan het verkeerde volgende voorwerpen:
* een telefoon, kleur: wit, merk: Apple (Omschrijving: PL2000-2025303492-G2950811);
* een groentemes en keukenmes (Omschrijving: PL2000-2025303492-G2950981);
Vordering tenuitvoerlegging
- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis van 17 juni 2024 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 02-069212-24
ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een
gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.
Dit vonnis is gewezen door mr. B. Akdikan, voorzitter, en mr. J. Bergen en mr. H. Skalonjic, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.S.S. Fanis, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 23 juli 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
02-330530-25
1
hij in of omstreeks de periode van 30-10-2025 t/m 05-11-2025 te
[plaats 2] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf
om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk
letsel toe te brengen die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, tegen het
bovenlichaam heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat
voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(art 302 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling
mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 30-10-2025 t/m 05-11-2025 te
[plaats 2] [slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer] meermalen,
althans eenmaal, tegen het bovenlichaam te schoppen;
(art 300 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht)
2
hij in of omstreeks de periode van 01-10-2023 t/m 03-01-2026 te
[plaats 2] , althans in Nederland, aan een ander, te weten [slachtoffer]
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten verminderd zicht in een of
meerdere ogen, althans ernstig oogletsel, heeft toegebracht, door die
[slachtoffer] meermalen tegen het oog, althans tegen het hoofd te slaan;
(art 302 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling
mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 01-10-2023 t/m 03-01-2026 te
[plaats 2] , althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte
voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer]
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer] meermalen
tegen het oog, althans tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de
uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(art 302 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht)
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een
veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 01-10-2023 t/m 03-01-2026 te
[plaats 2] , althans in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld, door die
[slachtoffer] meermalen tegen het oog, althans tegen het hoofd te slaan, terwijl
het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten verminderd zicht in een of
meerdere ogen, althans ernstig oogletsel, ten gevolge had;
(art 300 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 300 lid 2 Wetboek Pro van
Strafrecht)
3
hij in of omstreeks de periode van 05-04-2024 t/m 03-01-2026 te
[plaats 2] , althans in Nederland, meermalen, [slachtoffer] , heeft
mishandeld, door die [slachtoffer] :
- tegen het hoofd en/of lichaam te slaan en/of schoppen en/of
- in de keel te knijpen en/of
- aan de haren te trekken;
(art 300 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht)
4
hij op of omstreeks 20 december 2025 te [plaats 2] , althans in
Nederland,
met een persoon, te weten [slachtoffer]
een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden
uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
het brengen en/of houden van een of meer vingers in de vagina van die
[slachtoffer]
terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden
dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak
(art 242 Wetboek Pro van Strafrecht, art 243 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht)
02-249809-25
hij, op of omstreeks 30 augustus 2024 te [plaats 2] , althans in Nederland,
[slachtoffer] , heeft mishandeld, door
- die [slachtoffer] tegen het gezicht, althans tegen het hoofd te slaan en/of een slipper tegen
het hoofd, althans tegen het lichaam, van die [slachtoffer] te gooien en/of
- een stoel tegen het lichaam van die [slachtoffer] te gooien
terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel;
(art 300 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 304 lid 1 ahf Pro/sub 1° Wetboek van
Strafrecht)