ECLI:NL:RBZWB:2026:6702

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
BRE 26/3344 BRP
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet basisregistratie personen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening voor inschrijving op briefadres wegens dakloosheid en psychische kwetsbaarheid

Verzoeker had een aanvraag voor inschrijving op een briefadres ingediend, welke door het college van burgemeester en wethouders van Breda aanvankelijk werd geweigerd. Na bezwaar trok het college het eerste besluit in, maar wees de aanvraag opnieuw af. Verzoeker vroeg daarop een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker een groot belang heeft bij inschrijving op een briefadres, mede vanwege het ontvangen van post van overheidsinstanties en banken, en dat er sprake is van een spoedeisend belang. Het college had onvoldoende rekening gehouden met de persoonlijke situatie van verzoeker, die als psychisch kwetsbaar wordt aangemerkt, en het onderzoek was onvoldoende zorgvuldig.

De voorzieningenrechter stelde vast dat verzoeker sinds december 2025 niet meer op een vaste woon- of verblijfplaats woont en er sterke aanwijzingen zijn voor dakloosheid. Hoewel verzoeker niet altijd volledig meewerkte, kan dit in de bezwaarfase worden hersteld. Het belang van verzoeker woog zwaarder dan dat van het college, zodat de voorlopige voorziening werd toegewezen.

Verzoeker krijgt een tijdelijk briefadres tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Verzoeker krijgt tijdelijk een briefadres toegewezen en het college wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/3344 BRP
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 juli 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. B.J.P. Toonen),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, het college.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker over de afwijzing van de aanvraag voor inschrijving op een briefadres als bedoeld in de Wet basisregistratie personen (BRP).
1.1.
Het college heeft met een besluit van 20 februari 2026 de aanvraag van verzoeker voor inschrijving op briefadres [adres 1] geweigerd. Na een bezwaar van verzoeker heeft het college met een besluit van 12 maart 2026 het besluit van 20 februari 2026 ingetrokken en het onderzoek naar de aanvraag heropend. Vervolgens heeft het college met een besluit van 5 juni 2026 (bestreden besluit) de aanvraag van verzoeker wederom geweigerd. Verzoeker heeft ook tegen dit besluit bezwaar gemaakt en heeft de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 14 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers gemachtigde en namens het college D.S. Bagataia.
1.3.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2.1.
De voorzieningenrechter acht het voldoende aannemelijk dat verzoeker groot belang heeft bij het ingeschreven staan op een adres in de BRP, zodat hij post kan ontvangen, onder andere van overheidsinstanties en banken. Er is dus sprake van een spoedeisend belang.
2.2.
De voorzieningenrechter overweegt dat de weigeringsgrond dat het college niet kan vaststellen dat verzoeker geen vaste woon- of verblijfplaats heeft, een negatieve kwalificatie is. Dit kan leiden tot een onmogelijke bewijspositie, zoals is beschreven in de Handreiking briefadressen en het voorkomen van dakloosheid van Divosa. Het college dient dan ook zorgvuldig onderzoek te verrichten en verzoeker dient hieraan mee te werken.
2.3.
Vaststaat dat verzoeker sinds 9 december 2025 niet meer woont aan de [adres 2] . Er is ook geen concrete aanwijzing dat verzoeker elders in Nederland een woon- of verblijfplaats heeft. Wel zijn er sterke aanwijzingen dat er sprake is van dakloosheid.
2.4.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college bij zijn onderzoek onvoldoende rekening gehouden met de persoonlijke situatie van verzoeker en met name met de omstandigheid dat hij als psychisch kwetsbaar persoon moet worden aangemerkt. Het college dient er rekening mee te houden dat verzoeker niet altijd in staat is om zijn belangen goed te behartigen en dat dit ook geldt voor contact met bijvoorbeeld banken.
2.5.
De voorzieningenrechter overweegt verder dat de waarnemingen door de politie en het straatteam (handhaving) weinig in aantal zijn, zeker gezien de lange periode van onderzoek (zes maanden), en ook weinig concreet. Uit het dossier blijkt namelijk niet wanneer zij de waarnemingen hebben gedaan, op welk tijdstip en op welke locatie.
2.6.
Anderzijds staat vast dat verzoeker niet altijd voldoende heeft meegewerkt aan het onderzoek van het college, bijvoorbeeld als het gaat om de gevraagde afschriften van zijn bankrekeningen bij Rabobank en Revolut. Dat moet hij alsnog gaan doen, eventueel met hulp van zijn gemachtigde.
2.7.
Dit alles in samenhang bezien acht de voorzieningenrechter het onderzoek van het college onvoldoende zorgvuldig. Een en ander kan in de bezwaarfase mogelijk hersteld worden door beter onderzoek en betere medewerking van verzoeker.
2.8.
Het belang van verzoeker bij een inschrijving op een briefadres weegt op dit moment zwaarder dan het belang van het college. De voorzieningenrechter zal daarom een voorlopige voorziening treffen, namelijk dat verzoeker – al dan niet tijdelijk – een briefadres op [adres 1] krijgt.

Conclusie en gevolgen

3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat verzoeker – al dan niet tijdelijk – een briefadres op [adres 1] krijgt tot zes weken na de beslissing op bezwaar.
3.1.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet het college het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Het college moet ook de proceskosten van verzoeker vergoeden. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
3.2.
Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
  • bepaalt dat verzoeker – al dan niet tijdelijk – een briefadres op [adres 1] krijgt tot zes weken na de verzending van de beslissing op bezwaar;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2026 door mr. M. Breeman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Pasmans, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.