ECLI:NL:RBZWB:2026:6710
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde woning gemeente Oisterwijk
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die door de heffingsambtenaar van de gemeente Oisterwijk was vastgesteld op €449.000 per 1 januari 2024. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelde dat het beroep ontvankelijk was, omdat belanghebbende aannemelijk had gemaakt dat hij de uitspraak op bezwaar pas op 15 januari 2026 had ontvangen en het beroepschrift tijdig was ingediend. De waarde was vastgesteld met de vergelijkingsmethode, waarbij referentiewoningen in de nabijheid en met vergelijkbare kenmerken waren gebruikt.
De rechtbank vond de referentiewoningen voldoende vergelijkbaar en achtte de onderbouwing van de heffingsambtenaar, inclusief de taxatiematrix en de wijze van rekening houden met verschillen, voldoende. De door belanghebbende aangevoerde argumenten over de stijging van de WOZ-waarde ten opzichte van voorgaande jaren en buurwoningen werden verworpen, omdat de WOZ-waarde jaarlijks op basis van actuele feiten wordt vastgesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde de WOZ-waarde en wees het verzoek om terugbetaling van griffierecht en proceskosten af.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €449.000 wordt ongegrond verklaard en de waarde blijft gehandhaafd.