ECLI:NL:RBZWB:2026:6735

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
BRE 26/1885
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep wegens tijdige beslissing bezwaar

Verzoekster had beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaar. De rechtbank bepaalde in een eerdere uitspraak dat verweerder uiterlijk 15 september 2025 moest beslissen. Verzoekster trok haar beroep in nadat verweerder op 13 maart 2026 alsnog een beslissing nam op het bezwaar.

De rechtbank beoordeelde het verzoek van verzoekster om proceskostenvergoeding vanwege de intrekking van het beroep. Verweerder stelde dat het beroep niet ontvankelijk was omdat het pas op 17 maart 2026 per post was ontvangen, maar de rechtbank oordeelde dat het beroep per e-mail op 11 maart 2026 bij de rechtbank Rotterdam was ingediend, dus tijdig.

De rechtbank concludeerde dat verweerder aan verzoekster was tegemoetgekomen door alsnog te beslissen en wees het verzoek om proceskostenvergoeding toe. Verweerder moet € 467,- aan proceskosten vergoeden, exclusief het griffierecht van € 54,- dat verzoekster rechtstreeks bij verweerder moet claimen.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan verzoekster na intrekking van het beroep wegens tijdige beslissing op bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/1885

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juli 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. N. Kose-Albayrak),
en

Dienst Toeslagen, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekster om een veroordeling van verweerder in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar beroep dat verzoekster heeft ingesteld na de uitspraak van de rechtbank van 20 maart 2025. [1] In die uitspraak staat dat verweerder op uiterlijk 15 september 2025 alsnog moet beslissen op het bezwaar van verzoekster. Verzoekster heeft het beroep ingetrokken omdat verweerder op 13 maart 2026 alsnog heeft beslist op haar bezwaar.
1.1.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Verweerder heeft de rechtbank meegedeeld dat er geen aanleiding bestaat voor een proceskostenvergoeding, omdat het beroep op 17 maart 2026 bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant is ingediend.
1.2.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [2]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [3]

Is verweerder aan verzoekster tegemoetgekomen?

4. De rechtbank moet dus beoordelen of verweerder geheel of gedeeltelijk aan verzoekster is tegemoetgekomen.
4.1.
Op 11 maart 2026 heeft de rechtbank Rotterdam het beroep van verzoekster tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaar via een e-mail ontvangen. Het beroepschrift is ook per post verzonden en op 17 maart 2026 ontvangen. De rechtbank Rotterdam heeft het beroepschrift vervolgens doorgezonden naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant.
4.2.
Verweerder heeft op 13 maart 2026 alsnog beslist op het bezwaar. De rechtbank oordeelt dat het beroep terecht is ingediend, omdat het beroep bij de rechtbank Rotterdam is ingediend (per e-mail) voordat verweerder het besluit heeft genomen. Verweerder is dan ook tegemoetgekomen aan het beroep van verzoekster
Welk bedrag aan proceskosten moet verweerder aan verzoekster vergoeden?
5. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Verzoekster krijgt een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van verzoekster een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Krijgt verzoekster een vergoeding van het griffierecht?
6. De rechtbank wijst erop dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 54,- te vergoeden. [4] Verzoekster moet zich hiervoor dan ook tot verweerder wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van L.J. Sijtsma, griffier, op 22 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

2.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
4.Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.