ECLI:NL:RBZWB:2026:6771

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
02-010081-26
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
  • Haesen
  • Hamburger
  • Gijselman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 SrArt. 36f SrArt. 57 SrArt. 312 SrArt. 317 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling woningoverval met geweld en poging afpersing

Op 11 januari 2026 drong verdachte de woning van een ouder echtpaar binnen en gebruikte geweld en bedreigingen om geld af te dwingen. Hij trok met kracht het horloge van het slachtoffer van diens pols en bedreigde de slachtoffers met een stenen schaal. De slachtoffers wisten verdachte uiteindelijk uit de woning te krijgen.

De rechtbank achtte de verklaringen van de slachtoffers betrouwbaar en vond het bewezen dat verdachte het horloge heeft gestolen met geweld en heeft geprobeerd geld af te persen. Verdachte ontkende grotendeels het gebruik van geweld en de bedreigingen, maar dit werd door de rechtbank verworpen.

De rechtbank oordeelde dat het een ernstig feit betreft dat een grote impact had op het veiligheidsgevoel van de slachtoffers. Gezien de omstandigheden, het advies van de reclassering en het strafblad van verdachte, werd een gevangenisstraf van drie jaar passend geacht.

Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot het betalen van een immateriële schadevergoeding van € 2.000,- aan een van de slachtoffers, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van het feit. Bij niet-betaling kan gijzeling worden toegepast.

De rechtbank sprak verdachte vrij van overige tenlastegelegde feiten en legde de straf volledig uit binnen de penitentiaire inrichting, met mogelijkheid tot voorwaardelijke invrijheidstelling volgens de wet.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 3 jaar gevangenisstraf en betaling van € 2.000,- immateriële schadevergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-010081-26
vonnis van de meervoudige kamer van 23 juli 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geregistreerde geboortedatum [geboortedag] 2009 te [geboorteplaats] (Algerije), feitelijk meerderjarig
thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting [locatie]
raadsvrouw mr. A. Huseinovic, advocaat te Breda

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 9 juli 2026, waarbij de officier van justitie, mr. Van Hees, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 11 januari 2026 te [plaats] een gewelddadige woningoverval heeft gepleegd waarbij hij een horloge van [slachtoffer 1] heeft gestolen (feit 1) en heeft geprobeerd geld af te dwingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (feit 2).

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan. Voor zover nodig gaat de rechtbank daar bij de bijzondere overwegingen nader op in.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 1. De verdediging heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van feit 2. Voor zover nodig gaat de rechtbank daar bij de bijzondere overwegingen nader op in.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Vaststelling van de feiten
Uit de verklaringen van aangever [slachtoffer 1] en zijn vrouw [slachtoffer 2] volgt dat verdachte op 11 januari 2026 hun woning is binnengegaan waarna verdachte [slachtoffer 1] heeft vastgepakt aan zijn bovenlijf en schouders, en naar achteren heeft geduwd. Verdachte heeft hierbij steeds ‘money’ geroepen. Vervolgens is een worsteling ontstaan tussen verdachte en [slachtoffer 1] en heeft verdachte [slachtoffer 1] een knietje op zijn bovenbeen gegeven. Nadat verdachte [slachtoffer 1] weer los had gelaten heeft hij met zijn eigen hand zijn keel beetgepakt en een knijpbeweging gemaakt, hetgeen op [slachtoffer 1] zeer bedreigend over kwam. Hierna heeft verdachte [slachtoffer 1] opnieuw vastgepakt en ontstond opnieuw een worsteling waarbij verdachte ‘money’ bleef roepen. Gedurende de worsteling heeft verdachte met kracht aan het horloge van [slachtoffer 1] getrokken.
[slachtoffer 2] , die op dat moment ook in de woning was, heeft vervolgens haar telefoon gepakt om de politie te bellen. Verdachte heeft hierop ‘no police’ geroepen, heeft een stenen schaal van de eettafel gepakt waarmee hij dreigend naar [slachtoffer 2] is toe gelopen. Uiteindelijk is het [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gelukt om verdachte met duw- en trekwerk hun woning uit te krijgen. [slachtoffer 1] was op dat moment niet meer in het bezit van zijn horloge.
Verdachte bekent in de woning te zijn geweest maar zou hier geen geweld hebben gebruikt, geen ‘money’ en ‘no police’ hebben geroepen en was niet uit op geld. Hij was enkel in de woning, omdat hij op zoek was naar een slaapplek. Verdachte bekent wel het horloge van [slachtoffer 1] te hebben meegenomen dat op de grond gevallen was.
De rechtbank overweegt dat zij geen reden heeft om te twijfelen aan de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , niet is gebleken dat zij reden zouden hebben om onjuist te verklaren en bovendien ondersteunen hun verklaringen elkaar en wordt de verklaring van [slachtoffer 1] eveneens ondersteund door de constatering van het letsel bij [slachtoffer 1] en de foto’s hiervan waaruit volgt dat hij op zijn linker bovenbeen en op zijn linkerborst blauwe plekken had. De rechtbank gaat dan ook uit van de aangifte van [slachtoffer 1] en de getuigenverklaring van [slachtoffer 2] .
Feit 1
Dit brengt met zich mee dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte het horloge van [slachtoffer 1] met kracht van diens arm heeft getrokken en vervolgens heeft meegenomen. De rechtbank acht hiermee feit 1 wettig en overtuigend bewezen.
Feit 2
Ook de poging tot afpersing zoals onder feit 2 tenlastegelegd acht de rechtbank gelet op voorgaande wettig en overtuigend bewezen. Uit de toegepaste geweldshandelingen op [slachtoffer 1] , daarbij te roepen ‘money’ en ‘no police’, door de knijpbeweging in zijn keel te maken en dreigend met een fruitschaal op [slachtoffer 2] af te lopen, kan worden afgeleid dat verdachte weldegelijk heeft geprobeerd om geld van het [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] af te dwingen.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
op 11 januari 2026 te [plaats] , een horloge, dat aan [slachtoffer 1] , toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door
- die [slachtoffer 1] vast te pakken bij de schouders, en
- die [slachtoffer 1] meermaals (met kracht) te duwen tegen het lichaam, en
- die [slachtoffer 1] een knietje te geven tegen het bovenbeen, en
- met kracht het horloge van de pols van die [slachtoffer 1] af te trekken;
2
op 11 januari 2026 te [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag, die aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , toebehoorde(n)
- de woning van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is binnengedrongen, en
- vervolgens die [slachtoffer 1] meermaals heeft vastgepakt en/of geduwd en/of getrokken aan lichaam, en
- die [slachtoffer 1] een knietje heeft gegeven tegen het bovenbeen, en
- dreigende gebaren in de richting van die [slachtoffer 1] heeft gemaakt, en
- terwijl hij, verdachte, een stenen schaal in zijn handen had dreigend op die [slachtoffer 2] is afgelopen, en
- daarbij meermaals dreigend tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gezegd: 'money' en 'no police',
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat volstaan kan worden met het opleggen van een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft een woningoverval gepleegd. Hij is op klaarlichte dag de woning van een ouder echtpaar binnengedrongen waar hij door middel van bedreiging en geweld heeft geprobeerd geld van hen af te dwingen, en waarbij hij het horloge van de man met kracht van zijn pols heeft getrokken en heeft gestolen. De rechtbank vindt dit een bijzonder ernstig feit. Feiten als de onderhavige kenmerken zich doordat zij een ernstige inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers en hun gevoel van veiligheid in en rond hun woning. Wat voor verdachte kennelijk een daad is geweest waarmee snel financieel voordeel kon worden behaald, is het voor het oudere echtpaar een angstaanjagende gebeurtenis geweest die zo blijkt ook uit de voorgelezen verklaring ter zitting een grote impact heeft gehad op hun gevoel van veiligheid in het algemeen en in hun woning in het bijzonder. De rechtbank rekent verdachte de feiten ernstig aan. Ook rekent de rechtbank het verdachte aan dat hij geen verantwoordelijkheid neemt door zijn gewelddadig handelen grotendeels te blijven ontkennen.
Uit het rapport van Reclassering Nederland (hierna: de reclassering) van 24 juni 2026 volgt dat verdachte weliswaar op papier een minderjarige is, maar dat een onderzoek van de IND heeft uitgewezen dat verdachte evident meerderjarig is. De reclassering adviseert hierom het volwassenstrafrecht toe te passen. Voorts volgt uit het rapport dat verdachte ten tijde van het plegen van de feiten verbleef in een AZC en slechts enkele maanden in Nederland was. Het recidiverisico heeft de reclassering bij gebrek aan informatie over verdachte niet kunnen vaststellen. Wel bekend is dat verdachte inmiddels zijn asielaanvraag heeft ingetrokken en heeft aangegeven terug te willen naar Algerije. De reclassering ziet hierom geen reden om anders te adviseren dan aan verdachte een (on)voorwaardelijke detentie op te leggen.
De rechtbank heeft voorts kennis genomen van het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit.
Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft de rechtbank gelet op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd, de gevolgen van de feiten voor de slachtoffers alsmede met hetgeen bekend is over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het advies van de reclassering.
Alles afwegende wordt de door de officier van justitie gevorderde straf passend geacht. Zij zal verdachte dan ook conform de eis veroordelen tot een gevangenisstraf van drie jaar.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

7.De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een immateriële schadevergoeding van € 2.000,- voor feit 2.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar.
Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
De vordering tot vergoeding van de schade is voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder feit 2 bewezen verklaarde feit, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van immateriële schade daarom geheel toe.
De rechtbank wijst tevens de gevorderde wettelijke rente worden toe vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 11 januari 2026.
De rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 45, 36f, 57, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1:diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk
om die diefstal gemakkelijk te maken;
feit 2:poging tot afpersing;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 3 jaar;
Benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij
[slachtoffer 2]van € 2.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 11 januari 2026 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[slachtoffer 2] € 2.000,- aan immateriële schade te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 11 januari 2026 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 20 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. Haesen, voorzitter, mr. Hamburger en mr. Gijselman, rechters, in tegenwoordigheid van Van Dijke, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 23 juli 2026.
De griffier en de voorzitter zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.