ECLI:NL:RBZWB:2026:6772

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
02-265410-25
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 47 SrArt. 55 SrArt. 57 SrArt. 282 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen ontvoering, bedreiging, mishandeling en afpersing met vuurwapen

Op 5 november 2024 werd het slachtoffer ontvoerd, bedreigd, mishandeld en afgeperst door vier mannen, waaronder verdachte, die hem met geweld dwongen codes en geld af te geven. De ontvoering vond plaats in Nederland en België, waarbij het slachtoffer ongeveer twee uur in een auto werd vastgehouden en mishandeld.

De rechtbank achtte de verklaring van het slachtoffer betrouwbaar en ondersteund door diverse bewijsmiddelen, waaronder GPS-gegevens, DNA-sporen in de gebruikte auto en getuigenverklaringen. Verdachte werd als medepleger aangemerkt op basis van DNA, camerabeelden en telefoonlocaties.

De rechtbank veroordeelde verdachte tot 60 maanden gevangenisstraf, rekening houdend met de ernst van de feiten en het medeplegen. De benadeelde partij kreeg een schadevergoeding van €11.622,72 toegewezen, bestaande uit materiële en immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van het delict. Een deel van de schadevordering werd niet-ontvankelijk verklaard en kan bij de burgerlijke rechter worden ingediend.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 60 maanden gevangenisstraf en hoofdelijk aansprakelijk voor schadevergoeding van €11.622,72 aan het slachtoffer.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-265410-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 23 juli 2026
[verdachte ] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1998,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te [plaats 1] ,
raadsman mr. M.S. Rozenbeek, advocaat te Haarlem.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 9 juli 2026, gelijktijdig met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] (02-260978-25) en [medeverdachte 2] (02-255567-25), waarbij de officier van justitie mr. T. de Haze en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 5 november 2024 samen met anderen [slachtoffer] heeft:
feit 1:ontvoerd;
feit 2:bedreigd;
feit 3:mishandeld;
feit 4:gedwongen om de codes van zijn telefoon, bankapplicatie en een geldbedrag af te geven door geweld te gebruiken en te bedreigen.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor alle aan verdachte ten laste gelegde feiten.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Vaststaande feiten en omstandigheden
Op 5 november 2024 omstreeks 07:32 uur kwam bij de politie een melding binnen van [aangeefster] dat haar man, [slachtoffer] , bij zijn woning aan [adres 1] te [plaats 2] (België) was ontvoerd door meerdere mannen. [aangeefster] werd door [slachtoffer] gebeld met de vraag hoeveel geld zij op haar rekening had staan. Het telefoongesprek werd vervolgens overgenomen door een van de mannen, waarna werd overgeschakeld op facetime om te laten zien dat zij [slachtoffer] in hun auto hadden meegenomen. [aangeefster] kreeg vervolgens de instructie om tweemaal € 1.400,- over te maken naar de bankrekening van [slachtoffer] . Enige tijd later kwam bij de politie een melding binnen van [getuige 1] . Hij zag rond 08:00 uur een grote zwarte auto op de [straat 1] te Almkerk rijden en even later werd hij aangesproken door een man. Deze man bleek [slachtoffer] te zijn en vertelde hem dat ‘ze alles van hem hadden afgepakt’. Hij had verwondingen aan zijn hoofd en bloed op zijn gezicht en aan zijn kleding. [slachtoffer] gaf aan dat hij door vier mannen in een auto was ontvoerd, dat hij was mishandeld en beroofd en daarbij een vuurwapen zag. Deze auto betrof een zwartkleurige Lynk & Co, voorzien van een Nederlands kenteken beginnend met [tekens] .
De politie heeft vastgesteld dat het om een Lynk & Co met kenteken [kenteken] ging. Dit voertuig passeerde omstreeks 09:00 uur een ANPR-camera ter hoogte van Vianen, waarna een achtervolging is ingezet. Tijdens deze achtervolging werden er diverse goederen uit de auto gegooid, die later patronen en (onderdelen van) vuurwapens bleken te zijn. Op een van de goederen, aan de binnenkant van de loop van een vuurwapen, is DNA aangetroffen dat matcht met het DNA van [slachtoffer] . Hieruit valt af te leiden dat het betreffende wapen bij de ontvoering is gebruikt. [getuige 2] zag omstreeks 09:29 uur de Lynk & Co met het [kenteken] in de [straat 2] te Almere tot stilstand komen en meerdere mannen uitstappen en wegrennen. De politie heeft de auto uiteindelijk aangetroffen zonder inzittenden.
De politie heeft onderzoek gedaan naar de GPS-gegevens van de Lynk & Co en de gegevens van de omliggende masten van de plaatsen delict te [plaats 2] , Almkerk en Almere . Daaruit volgt dat de Lynk & Co op 1 november 2024 tussen 03:49 en 04:18 uur een reisbeweging naar de grensovergang met België heeft gemaakt. Om 04:48 uur bevond de auto zich op de [adres 2] in [plaats 2] , enkele meters van de parkeergarage aan [adres 1] . Op 4 november 2024 heeft de Lynk & Co om 03:50 uur een reisbeweging gemaakt richting België en vervolgens bevond de auto zich tussen 04:00 en 06:07 uur op [adres 1] in [plaats 2] . Op 5 november 2024 heeft de Lynk & Co een reisbeweging vanuit [geboorteplaats] richting België gemaakt en de grens is om 01:42 uur gepasseerd. De auto is om 01:53 uur aangekomen op [adres 1] in [plaats 2] . Vervolgens is de auto om 01:54 uur de parkeergarage aan de [straat 3] in [plaats 2] binnengereden en heeft de garage weer direct verlaten, om vervolgens naar de Aldi in [plaats 2] te rijden, waar de auto tot 04:56 uur is gebleven. De auto is vervolgens om 04:58 uur de parkeergarage op [adres 1] binnengereden en heeft de garage om 06:11 uur verlaten. Uit de ANPR-gegevens volgt dat de auto om 06:24 uur de grens richting Nederland heeft gepasseerd. Om 06:58 uur is de auto aangekomen bij het [meer], waar de auto tot 07:11 uur is blijven staan. Om 08:06 uur stond de auto kort stil op de [straat 1] waar [slachtoffer] is achtergelaten. Uit de ANPR-gegevens volgt dat de auto om 09:00 uur op de A2 ter hoogte van Vianen reed. Om 09:28 uur is de auto achtergelaten op de [straat 2] in Almere . Op de plaatsen delict zijn meerdere telefoonnummers op de hierboven genoemde tijdstippen aangestraald op de zendmasten in de omgeving van die plaatsen delict. Het gaat daarbij om de telefoonnummers [telefoonnummer 1] , [telefoonnummer 2] , [telefoonnummer 3] en [telefoonnummer 4] .
De verklaring [slachtoffer]
heeft ter plaatse op de [straat 1] en later bij de politie meerdere verklaringen afgelegd. Hij verklaarde dat hij die ochtend rond 06:10 uur naar zijn werkbus liep in de parkeergarage bij zijn woning. In de garage stond ook een zwartkleurige Lynk & Co auto geparkeerd met een kenteken beginnend met [tekens] . Deze auto viel hem op, omdat diezelfde auto de dag daarvoor, op 4 november 2024 omstreeks 06:10 uur, ook in de garage stond. Uit de Lynk & Co stapten vier mannen die op [slachtoffer] af liepen, waarna twee ervan hem vastpakten, tegen zijn hoofd sloegen met een hard voorwerp, de auto insleurden en tussen de passagiersstoelen en de achterbank hebben neergelegd. De twee mannen op de achterbank zetten hun voeten op de benen en schouders van [slachtoffer] . Zijn telefoon werd afgepakt en [slachtoffer] moest de mannen de code van zijn telefoon geven. Op enig moment heeft een van de mannen het hoofd van [slachtoffer] gedraaid en op dat moment zag hij de loop van een vuurwapen dat op hem was gericht. Ook zag hij een rode en blauwe laserdot. De mannen zeiden hem dat ze zouden schieten als [slachtoffer] niet zou doen wat ze vroegen en dat hij dood zou gaan als hij niet meewerkte. [slachtoffer] moest vervolgens de code van zijn bank-applicatie afgeven. De mannen hebben vervolgens de vrouw van [slachtoffer] gebeld en gefacetimed en eisten van haar dat zij geld overmaakte naar de bankrekening van [slachtoffer] . [aangeefster] heeft vervolgens tweemaal een bedrag van € 1.400,- naar [slachtoffer] overgemaakt. Dit geld is vervolgens van de rekening van [slachtoffer] overgemaakt naar een cryptorekening. Tijdens de autorit werd [slachtoffer] meermalen met een hard voorwerp op zijn rug geslagen en werd er een sigaret uitgedrukt op zijn rug. Er werd door een van de mannen met een vijfde persoon gebeld. [slachtoffer] hoorde hem zeggen dat ze de verkeerde persoon hadden. Verder heeft hij tijdens de rit gehoord dat een van de mannen werd aangesproken met de (bij)naam ‘ [(bij)naam] ’. De mannen zijn vervolgens met [slachtoffer] naar de [straat 1] gereden, waar hij uit de auto werd getrokken en in een sloot werd gedrukt, zodat hij de gezichten van de mannen niet zou zien. Toen de mannen wegreden met hun auto, zag [slachtoffer] dat het kenteken van de auto begon met [kenteken] . Vervolgens is hij naar een visser gelopen een stukje verderop, dat betrof [getuige 1] .
De waardering van het bewijs
De rechtbank dient te beoordelen of de verklaring van [slachtoffer] als betrouwbaar kan worden aangemerkt en vervolgens of die verklaring wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen.
De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer] direct na het incident zijn verhaal heeft gedaan bij [getuige 1] en [verbalisant 1] , dat hij vlak daarna aangifte heeft gedaan en vervolgens meermalen aanvullend is gehoord. [slachtoffer] heeft consistent en gedetailleerd verklaard over wat hem is overkomen. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar en geloofwaardig. Zij gaat dan ook uit van die verklaring.
De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer] ondersteund wordt door de melding en latere verklaring van zijn vrouw [aangeefster] en de verklaring van [getuige 1] . Ook past het bij [slachtoffer] aangetroffen letsel bij zijn verklaring. Daarnaast is uit de GPS-gegevens van de Lynk & Co gebleken dat de auto zich op 4 november 2024 tussen 04:00 en 06:07 uur en op 5 november 2024 tussen 04:58 en 06:11 uur op [adres 1] te [plaats 2] bevond en op 5 november 2024 om 08:03 uur op de [straat 1] te Almkerk. Ook waren de aangetroffen vuurwapens voorzien van een rode en blauwe laserdot, hetgeen de verklaring van [slachtoffer] eveneens ondersteunt.
Medeplegen?
De rechtbank zal vervolgens de vraag beantwoorden of sprake is geweest van medeplegen. Daarbij stelt zij voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Bij medeplegen ligt het accent op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht.
[slachtoffer] heeft over de rollen van de mannen verklaard dat de bestuurder hem uitschold en dreigde zijn ouders iets aan te doen. De bestuurder kreeg van de mannen achterin de telefoon van [slachtoffer] en belde daarmee naar [aangeefster] . Vervolgens heeft hij het telefoongesprek over laten schakelen naar een facetimegesprek en de telefoon teruggegeven aan de mannen achterin, zodat zij aan [aangeefster] konden laten zien dat [slachtoffer] in de auto lag. De man op de passagiersstoel, voorin de auto, heeft een telefoongesprek gevoerd met de vijfde persoon. De mannen achterin hebben [slachtoffer] bij diens woning in de auto getrokken. De man achter de bestuurder hield zijn voeten op de benen van [slachtoffer] en heeft de sleutels en telefoon van [slachtoffer] afgepakt. Vervolgens heeft [slachtoffer] hem de codes van zijn telefoon en bank-applicatie moeten geven, waarna hij de transactie heeft gemaakt. Eenmaal aangekomen in Almkerk, heeft deze man samen met de man achter de passagier [slachtoffer] uit de auto getrokken. De man achter de passagier hield zijn voeten op de schouders van [slachtoffer] , drukte een sigaret op zijn rug uit, sloeg [slachtoffer] als hij kleine bewegingen maakte, draaide zijn hoofd waarbij hij bedreigd werd met een of meer wapens. Samen met de man achter de bestuurder heeft hij [slachtoffer] in Almkerk uit de auto getrokken en hij heeft [slachtoffer] vervolgens in een sloot gedrukt.
Voor de vier mannen tezamen geldt nog dat zij die ochtend in de parkeergarage alle vier op [slachtoffer] zijn afgelopen. Twee van hen hebben [slachtoffer] vastgepakt en in de auto getrokken. Nadat de passagier voorin de auto de vijfde persoon had gebeld, vond een gesprek tussen de vier mannen plaats over dat zij het geld niet zouden delen met deze vijfde persoon. Ook bespraken zij toen dat ze de verkeerde persoon hadden ontvoerd.
Uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden blijkt dat er zo planmatig is gehandeld en zo intensief is samengewerkt door de vier mannen dat gesproken kan worden van een gezamenlijke uitvoering. Zij hebben alle vier een rol gehad bij de ten laste gelegde feiten en hebben zich op geen enkel moment aan de situatie onttrokken, ook niet nadat bleek dat zij de verkeerde persoon hadden ontvoerd. De mannen hebben allen bijgedragen aan de intimiderende en bedreigende sfeer in de auto. Bovendien blijkt uit het feit dat zij bespraken dat zij de verkeerde persoon hadden en dat zij het geld niet met de vijfde persoon zouden delen, dat sprake was van het gezamenlijke vooropgezette plan om iemand te ontvoeren en geld bij die persoon te halen. Het gezamenlijke plan blijkt ook uit het feit dat tweemaal een voorverkenning heeft plaatsgevonden en dat vooraf een auto, wapens en gezichtsbedekking is geregeld. Uit de GPS-gegevens van de Lynk & Co auto is immers gebleken dat deze auto zich op 1 november 2024 en 4 november 2024 ook aan de [adres 1] te [plaats 2] bevond. [slachtoffer] heeft de auto op 4 november 2024 ook gezien in de parkeergarage bij zijn woning. Er is dus sprake van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de vier mannen en van medeplegen.
Was verdachte een van de medeplegers?
De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of [verdachte ] een van de vier mannen in de Lynk & Co was die samen met de andere mannen [slachtoffer] heeft ontvoerd, afgeperst, mishandeld en bedreigd.
De Lynk & Co is bemonsterd op de aanwezigheid van DNA-houdend celmateriaal. Daaruit is naar voren gekomen dat DNA dat matcht met het DNA van [verdachte ] , op het stuur en de pook van de auto is aangetroffen. Daarnaast is matchend DNA aangetroffen op een pet die bij de bestuurdersstoel lag en een colsjaal die bij de bijrijdersstoel lag. [verdachte ] heeft ter zitting verklaard dat hij op enig moment in de auto heeft gezeten. De rechtbank merkt op dat het enkele feit dat het DNA van [verdachte ] in de auto is aangetroffen, op zich niet wil zeggen dat [verdachte ] ook ten tijde van de ten laste gelegde feiten in de auto zat. Echter, op de camerabeelden afkomstig uit de [straat 2] waar de Lynk & Co is achtergelaten, is [verdachte ] door [verbalisant 2] herkend als een van de vier mannen die uit de Lynk & Co is gevlucht. Dat wordt nog eens extra bevestigd doordat het eerdergenoemde [telefoonnummer 4] aan [verdachte ] kan worden gekoppeld. Het [telefoonnummer 4] straalde op 5 november 2024 om 01:45 uur aan op de zendmast bij de grens van Nederland naar België en tussen 06:15 en 06:32 uur op de zendmast bij de grens van België naar Nederland. Tussen 03:50 en 05:00 uur straalde dit telefoonnummer aan op de zendmast nabij de [adres 1] . Dit komt overeen met de eerder besproken GPS-gegevens van de Lynk & Co. Verder staat [verdachte ] als contact in de telefoons van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .
Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat kan worden vastgesteld dat [verdachte ] een van de vier medeplegers was.
Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat de handelingen van verdachte en zijn medeverdachten niet anders kunnen worden aangemerkt dan als een wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer] . Het geheel aan handelingen dat daarna plaatsvond, moet naar het oordeel van de rechtbank worden aangemerkt als het laten voortduren van de wederrechtelijke vrijheidsberoving. [slachtoffer] is door de verdachten zo’n twee uur rondgereden in de Lynk & Co, is daarbij mishandeld, bedreigd en afgeperst van de codes van zijn telefoon en bank-applicatie en van een geldbedrag. Naar het oordeel van de rechtbank was sprake van een intimiderende sfeer waarbij [slachtoffer] niet vrijelijk kon beschikken over zijn telefoon. Alles afwegende acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met zijn medeverdachten schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
feit 1op 5 november 2024 in Nederland en België, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [slachtoffer] , geboren [geboortedag 2] 1999, wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door die [slachtoffer] vast te pakken en hem te dwingen tussen de achterbank en de voorstoelen van een personenauto te gaan liggen en (vervolgens) die [slachtoffer] daar te houden door voeten te plaatsen op de benen en de schouders van die [slachtoffer] en een vuurwapen op die [slachtoffer] te richten en te houden, en daarbij tegen die [slachtoffer] te zeggen ‘als je niet meewerkt ga je dood’ en (vervolgens) die [slachtoffer] ongeveer twee uur rond te rijden in een personenauto om (vervolgens) die [slachtoffer] in een sloot langs een weiland te Almkerk achter te laten;
feit 2op 5 november 2024 in Nederland en/of België, tezamen en in vereniging met anderen [slachtoffer] , geboren [geboortedag 2] 1999, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, immers hebben verdachten opzettelijk dreigend
- een vuurwapen aan die [slachtoffer] getoond en
- een vuurwapen gericht op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] en daar gehouden, terwijl die [slachtoffer] werd vastgehouden en
- (daarbij) tegen die [slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd: ‘als je niet meewerkt ga je dood’;
feit 3op 5 november 2024 in Nederland en/of België, tezamen en in vereniging met anderen [slachtoffer] , geboren [geboortedag 2] 1999, heeft mishandeld door die [slachtoffer] :
- op het hoofd, in het gezicht en/of de rug te slaan met een vuist en/of een hard voorwerp en
- op de rug een brandende sigaret te drukken;
feit 4op 5 november 2024 in Nederland en/of België, tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld die [slachtoffer] , geboren [geboortedag 2] 1999, heeft gedwongen tot de afgifte van
- de code van zijn telefoon,
- de code van zijn bank-applicatie,
- een geldbedrag van 2000 euro en enig geldbedrag dat aan die [slachtoffer] en/of een derde toebehoorde, in elk geval aan een ander dan de verdachte en/of medeverdachten, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en zijn mededaders
- die [slachtoffer] op het hoofd, in het gezicht en/of de rug hebben geslagen met een vuist en/of een hard voorwerp en
- die [slachtoffer] op de rug een brandende sigaret hebben gedrukt en
- die [slachtoffer] een vuurwapen hebben getoond en
- een vuurwapen op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] hebben gericht en daar hebben gehouden, terwijl die [slachtoffer] door verdachte en medeverdachten werd vastgehouden en
- (daarbij) tegen die [slachtoffer] dreigend de woorden hebben toegevoegd: ‘als je niet meewerkt ga je dood’.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 72 maanden met aftrek van voorarrest.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Ernst van de feiten
Verdachte heeft [slachtoffer] samen met anderen van zijn vrijheid beroofd en beroofd gehouden en zij hebben hem bedreigd, mishandeld en afgeperst. Verdachte heeft [slachtoffer] samen met zijn medeverdachten meegenomen in de auto, waarbij [slachtoffer] tussen de passagiersstoelen en achterbank moest liggen. Zij hebben [slachtoffer] geslagen, een sigaret op zijn rug uitgedrukt, bedreigd met een vuurwapen en hem afgeperst van de codes van zijn telefoon en bank-applicatie en van een geldbedrag. Hoe angstig het gebeuren is geweest voor [slachtoffer] en zijn familie blijkt uit zijn schriftelijke slachtofferverklaring. Wat begon als een normale werkdag, eindigde in een nachtmerrie waardoor verdachte en zijn familie zich niet meer veilig voelen in hun woonomgeving. De ervaring leert dat slachtoffers van dit soort feiten hier nog lange tijd psychische gevolgen van kunnen ondervinden. Verdachte heeft zich om deze gevolgen niet bekommerd en enkel gehandeld uit financieel gewin.
De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij en zijn medeverdachten zich er op enig moment bewust van waren dat zij de verkeerde persoon hadden ontvoerd, maar dat dat hen er niet van heeft weerhouden om [slachtoffer] alsnog gevangen te houden en af te persen.
Persoonlijke omstandigheden
Er zijn geen persoonlijke omstandigheden bekend geworden waarmee in het voordeel van verdachte rekening kan worden gehouden bij de strafoplegging
Verdachte is ter zitting verschenen, maar heeft zich daar grotendeels op zijn zwijgrecht beroepen en geen verantwoordelijkheid voor zijn handelen genomen.
Het strafblad van verdachte geeft geen aanleiding daar in strafverzwarende zin rekening mee te houden.
Strafoplegging
Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank gekeken naar de straffen in soortgelijke zaken en aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waarin uitgangspunten zijn vermeld voor straffen voor mishandeling en bedreiging. Ten aanzien van afpersing en ontvoering zijn er geen oriëntatiepunten. De rechtbank zal daarvoor aansluiting zoeken bij de oriëntatiepunten voor een gewapende woningoverval, omdat de rechtbank deze misdrijven wat straftoemeting betreft van vergelijkbare ernst acht. Daaruit volgt dat voor een dergelijk feit, bij gebruik van meer dan licht geweld en een vuurwapen, en waar sprake is van medeplegen, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf jaar het uitgangspunt is.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 60 maanden passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

7.De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 18.466,72, waarvan € 8.000,- aan immateriële schade en € 10.466,72 aan materiële schade voor de ten laste gelegde feiten.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte deze feiten heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij in beginsel verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
Materiële schade
De materiële schade bestaat uit een weggenomen geldbedrag van € 2.800,-, een weggenomen telefoon van € 554,40, kosten voor het laten maken van een nieuwe autosleutel van € 429,88, reiskosten naar Slachtofferhulp van € 35,44 en gederfde inkomsten van € 6.647,-.
De door de benadeelde gevorderde reiskosten naar Slachtofferhulp acht de rechtbank geheel toewijsbaar. Deze kosten zijn gemaakt in het kader van verwerking en staan daarmee in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van de bewezenverklaarde feiten.
Ten aanzien van de gederfde inkomsten overweegt de rechtbank als volgt. De benadeelde partij is werkzaam als zzp’er. Uit de bij de vordering gevoegde stukken en onderbouwing volgt niet welke opdrachten hij niet heeft kunnen uitvoeren. Wel acht de rechtbank het aannemelijk dat de benadeelde partij direct na het gebeurde minder heeft gewerkt. De rechtbank acht de gevorderde gederfde inkomsten over het jaar 2024, te weten voor een bedrag van € 1.803,-, dan ook toewijsbaar. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
Ten aanzien van de gevorderde gederfde inkomsten over 2025 is de rechtbank van oordeel dat feiten en omstandigheden die tot toewijzing van het gevorderde bedrag zouden kunnen leiden niet voldoende vast staan, nu (de omvang van) de schade onvoldoende is onderbouwd. Daar komt bij dat de benadeelde partij zich in 2025 niet meer tot de huisarts heeft gewend over klachten naar aanleiding van het gebeurde. Verdere behandeling van dat deel van de vordering levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk in haar vordering zal worden verklaard. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding voor de reiskosten, het weggenomen geldbedrag, de telefoon en de autosleutels acht de rechtbank geheel toewijsbaar. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
Immateriële schade
De benadeelde heeft aangevoerd dat hij niet alleen pijn en letsel, maar ook nadelige (psychische) gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank brengt de aard en de ernst van de normschending door verdachte mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in haar eer of goede naam. Dit betekent dat immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt vanwege lichamelijke letsel en aantasting in de persoon op andere wijze.
Gelet op alle omstandigheden en de bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, acht rechtbank vergoeding van een bedrag van € 6.000,- billijk. Voor het overige deel van deze vordering zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Hoofdelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verdachte de strafbare feiten samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade. Daarom zal de rechtbank de vordering en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door één of meer mededaders is betaald, en andersom.
Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 5 november 2024.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 47, 55, 57, 282, 285, 300 en 317 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1:medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid
beroven en beroofd houden;
feit 2:medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
en
medeplegen van bedreiging met zware mishandeling;
feit 3:medeplegen van mishandeling;
feit 4:afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 60 maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij
[slachtoffer]van
€ 11.622,72, waarvan € 5.622,72 aan materiële schade en € 6.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 5 november 2024 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- bepaalt dat verdachte met de mededader/mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , € 11.622,72 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 5 november 2024 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling
83 dagen gijzelingkan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat verdachte met de mededader/mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.H.M. Pastoors, voorzitter, en
mr. W.A.H.A. Schnitzler-Strijbos en mr. A.L. Hoekstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. van Spelde, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 23 juli 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
1
hij op of omstreeks 5 november 2024 te Almkerk, gemeente Altena en/of te [plaats 2] , althans in Nederland en/of België, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] , geboren [geboortedag 2] 1999, wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door die [slachtoffer] vast te pakken en hem te dwingen tussen de achterbank en de voorstoelen van een personenauto te gaan liggen en/of (vervolgens) die [slachtoffer] daar te houden door voeten te plaatsen op de benen en/of de schouder(s) van die [slachtoffer] en/of een vuurwapen op die [slachtoffer] te richten en/of te houden, en daarbij tegen die [slachtoffer] te zeggen, zakelijk weergegeven ‘als je niet meewerkt ga je dood’, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of (vervolgens) die [slachtoffer] ongeveer twee uur rond te rijden in een personenauto om (vervolgens) die [slachtoffer] in een sloot langs een weiland te Almkerk achter te laten;
( art 282 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht )
2
hij op of omstreeks 5 november 2024 te Almkerk, gemeente Altena en/ of te [plaats 2] , althans in Nederland en/of België, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] , geboren [geboortedag 2] 1999, heeft/hebben bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte(n) opzettelijk dreigend
- een vuurwapen aan die [slachtoffer] getoond en/of
- een vuurwapen gericht op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] en/of daar gehouden, terwijl die [slachtoffer] werd vastgehouden en/of
- (daarbij) tegen die [slachtoffer] dreigend de woorden heeft/hebben toegevoegd: ‘als je niet meewerkt ga je dood’, althans woorden van gelijke aard of strekking;
( art 285 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht )
3
hij op of omstreeks 5 november 2024 te Almkerk, gemeente Altena en/of te [plaats 2] , althans in Nederland en/of België, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer] , geboren [geboortedag 2] 1999, heeft mishandeld door die [slachtoffer] :
- op het hoofd, in het gezicht en/of de rug, althans het lichaam te slaan met een vuist en/of een hard voorwerp en/of
- op de rug, althans het lichaam, met een (brandende) sigaret te drukken;
( art 300 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht )
4
hij op of omstreeks 5 november 2024 te Almkerk, gemeente Altena en/of te [plaats 2] , althans in Nederland en/of België, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld die [slachtoffer] , geboren [geboortedag 2] 1999, heeft gedwongen tot de afgifte van
- de code van zijn telefoon,
- de code van zijn bank-applicatie,
- een geldbedrag van 2000 euro en/of 670 euro,
althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer] en/of een derde toebehoorde(n), in elk geval aan een ander dan de verdachte en/of medeverdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s)
- die [slachtoffer] op het hoofd, in het gezicht en/of de rug, althans het lichaam heeft/hebben geslagen met een vuist en/of een hard voorwerp en/of
- die [slachtoffer] op de rug, althans het lichaam, een (brandende) sigaret heeft/hebben gedrukt en/of
- die [slachtoffer] een vuurwapen heeft/hebben getoond en/of
- een vuurwapen op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft/hebben gericht en/of daar heeft/hebben gehouden, terwijl die [slachtoffer] door verdachte en/of medeverdachten werd vastgehouden en/of
- (daarbij) tegen die [slachtoffer] dreigend de woorden heeft/hebben toegevoegd: ‘als je niet meewerkt ga je dood’, althans woorden van gelijke aard of strekking;
( art 312 lid 2 ahf Pro/sub 2 Wetboek van Strafrecht, art 317 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 317 lid 3 Wetboek Pro van Strafrecht )