ECLI:NL:RBZWB:2026:6775

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
02-156963-24
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
  • Hamburger
  • Haesen
  • Gijselman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor feitelijke aanranding van minderjarige in parkeergarage

Op 13 augustus 2023 heeft verdachte een minderjarige aangeefster aangerand in een parkeergarage te Breda. De rechtbank acht bewezen dat verdachte haar tegen een muur duwde, zoende, de knoop en rits van haar broek opende en met zijn hand in haar broek ging.

De verklaring van aangeefster werd ondersteund door camerabeelden en DNA-onderzoek dat het DNA van verdachte op de broek van aangeefster aantoonde. De rechtbank oordeelde dat verdachte misbruik maakte van zijn rol als begeleider en het vertrouwen van aangeefster, die extra kwetsbaar was vanwege haar leeftijd en verstandelijke beperking.

Verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 31 dagen waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 180 uur. Daarnaast werd een immateriële schadevergoeding van €500 toegekend aan de benadeelde partij. Verdachte werd vrijgesproken van overige tenlastegelegde feiten wegens onvoldoende bewijs.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 31 dagen gevangenisstraf waarvan 30 voorwaardelijk en 180 uur taakstraf wegens feitelijke aanranding van een minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-156963-24
vonnis van de meervoudige kamer van 23 juli 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 1987 te [geboorteplaats]
wonende te [woonadres]
raadsvrouw mr. A.C.M. Tönis, advocaat te Breda

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 9 juli 2026, waarbij de officier van justitie, mr. Verhoeven, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 13 augustus 2023 [aangeefster] heeft aangerand.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan. Voor zover nodig gaat de rechtbank daar bij de bijzondere overwegingen nader op in.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Voor zover nodig gaat de rechtbank daar bij de bijzondere overwegingen nader op in.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Bewijs in zedenzaken
In zedenzaken spelen de feiten zich doorgaans tussen twee personen af, buiten het zicht van anderen. In de kern gaat het vaak om het woord van de aangeefster tegen het woord van de verdachte. Dat geldt ook voor deze zaak. De belastende verklaring van aangeefster over wat er zich heeft afgespeeld in de parkeergarage staat immers tegenover de ontkennende verklaring van verdachte.
De rechtbank stelt voorop dat volgens het tweede lid van artikel 342 van Pro het Wetboek van Strafvordering het bewijs dat de verdachte het feit heeft begaan niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling betreft de tenlastelegging in haar geheel en niet een onderdeel daarvan. De rechtbank mag daarom niet tot een bewezen- verklaring komen wanneer de door de aangeefster genoemde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende worden ondersteund door andere bewijsmiddelen.
Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan evenwel worden afgeleid dat bij zedenzaken, waar het dus veelal gaat om het woord van de aangeefster tegen dat van de verdachte, niet is vereist dat het strafbare handelen als zodanig bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen, maar dat het afdoende is indien de belastende verklaring op onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Tussen die verklaring en het overige gebezigde bewijsmateriaal mag geen sprake zijn van een te ver verwijderd verband.
Het voorgaande betekent dat de rechtbank in de eerste plaats de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster zal moeten beoordelen en daarnaast zal moeten bepalen of voor de beweringen van aangeefster voldoende steunbewijs in het dossier aanwezig is.
Feiten en omstandigheden
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat aangeefster op 13 augustus 2023 samen met haar vriendin [persoon] op stap was in [café] aan de haven in Breda. Hier zijn aangeefster en [persoon] de begeleider van [persoon] tegengekomen, zijnde verdachte. Verdachte en aangeefster zijn op enig moment vanuit [café] aan de haven gaan lopen richting de parkeergarage De Barones. Op camerabeelden is te zien dat verdachte richting de voetgangersingang van de parkeergarage loopt, achterom kijkt naar aangeefster die vlak achter hem loopt, en om 02.45.26 uur de parkeergarage in loopt waarna aangeefster hem volgt. Uit de camerabeelden volgt voorts dat aangeefster om 02.46.55 uur met snelheid de voetgangersingang van de parkeergarage uit komt gerend.
Aangeefster en [persoon] zijn vervolgens omstreeks 03.15 uur opgehaald door de moeder van [persoon] , [getuige 1] . Nadat aangeefster in de auto is gestapt heeft zij direct tegen [getuige 1] verteld dat zij was aangerand door de begeleider van [persoon] .
Ook heeft aangeefster die nacht, omstreeks 03.30 uur, haar moeder gebeld, [getuige 2] . Aangeefster heeft haar toen verteld dat de begeleider van [persoon] haar in een parkeergarage tegen een muur heeft aangedrukt, haar probeerde te zoenen, met zijn hand in haar broek probeerde te komen en de knoop van haar broek open maakte.
De volgende dag heeft aangeefster omstreeks 16.00 uur aan haar begeleidster [getuige 3] verteld dat zij die nacht was aangerand. Zij heeft haar verteld dat zij samen met verdachte naar een parkeergarage was gegaan, waar hij haar tegen een muur heeft geduwd, de knoop en rits van haar broek open heeft gedaan en met zijn hand naar haar vagina ging.
[getuige 4] heeft vervolgens op 24 augustus 2023 in haar aangifte namens aangeefster aangegeven dat zij op 14 augustus 2023 op de hoogte is gebracht van het vermeende incident, waarbij verdachte aangeefster in de parkeergarage in een hoek heeft geduwd, haar heeft gezoend, de knoop en rits van haar broek los heeft gemaakt en heeft geprobeerd met zijn hand in haar broek te gaan, naar haar vagina.
Aangeefster is, met een tussentijd van ruim twee jaar, twee keer gehoord in een studio-verhoor waarin zij in grote lijnen steeds hetzelfde heeft verteld namelijk dat verdachte in de parkeergarage haar in een hoek duwde, heeft gezoend en de rits en knoop van haar broek heeft opengedaan, vervolgens met zijn hand in haar broek ging, waarop zij zijn hand heeft weggetrokken en is weggerend.
Betrouwbaarheid
De rechtbank concludeert uit voorgaande dat aangeefster kort na het vermeende incident tegen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] , spontaan en afzonderlijk, heeft verteld wat haar in de parkeergarage zou zijn overkomen, en dat deze verklaringen met elkaar overeenkomen. [getuige 4] is eveneens kort na het incident op de hoogte gesteld van hetzelfde verhaal en hiervan is aangifte gedaan. Daarna heeft aangeefster nogmaals in twee afzonderlijke studio-verhoren een soortgelijke verklaring afgelegd. Niet is gebleken van omstandigheden die aangeefster aanleiding zouden hebben kunnen geven om verdachte vals te beschuldigen. Voor zover verdachte naar voren heeft gebracht dat aangeefster boos zou zijn geweest omdat zij niet mee mocht op de reis naar het buitenland die verdachte en [persoon] gepland hadden, stelt de rechtbank vast dat alleen verdachte hierover verklaart en dat uit het hele dossier niet blijkt van de wens van aangeefster om mee op reis te gaan of van boosheid van haar kant richting verdachte voorafgaand aan het door aangeefster gestelde incident. Dit maakt dat de rechtbank het verhaal van aangeefster zoals dat in haar aangifte staat en heeft verteld tegen de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] , en daarna nog eens in de studioverhoren, consistent en betrouwbaar acht en deze zal gebruiken voor het bewijs.
Volledigheidshalve merkt de rechtbank op dat het haar niet vreemd voor komt dat wisselend wordt gesproken over het ‘proberen in de broek te gaan met de hand’ en ‘naar de vagina te gaan’. In het geval verdachte met zijn vingers reeds in de broek van verdachte zou zijn geweest kan immers zowel gesproken worden over het proberen met zijn (gehele) hand in de broek te gaan, terwijl hij met zijn vingers, en daarmee deels zijn hand, in de richting van haar vagina reikte.
Steunbewijs
De enkele verklaring van aangeefster, ook al wordt deze betrouwbaar geacht, is echter niet voldoende om tot een bewezenverklaring van het feit te komen. De vraag die zal moeten worden beantwoord, is of de verklaring van aangeefster ook voldoende wordt ondersteund door ander bewijsmateriaal in het dossier, gelet op het bewijsminimum in zedenzaken.
In deze zaak zijn er camerabeelden van de voetgangersingang van de parkeergarage en is er DNA-onderzoek verricht.
Uit het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 15 maart 2024 blijkt dat aan de rits en een deel van de gulp, en aan de binnen- en buitenzijde van de tailleband van de voorzijde van de broek van aangeefster, het DNA-profiel van verdachte is aangetroffen. Deze bevindingen komen geheel overeen met de verklaring van aangeefster dat verdachte haar rits naar beneden heeft gedaan en met zijn hand in haar broek probeerde te komen. Nu deze bevindingen precies aansluiten bij het verhaal van aangeefster gaat de rechtbank er niet van uit dat sprake is van indirecte overdracht van DNA zoals door de verdediging gesteld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het DNA-onderzoek de verklaring van aangeefster steunt.
Ook de camerabeelden waaruit blijkt dat verdachte, al achteromkijkend, aangeefster de voetgangersingang van de parkeergarage in heeft geleid, en waarna aangeefster anderhalve minuut later diezelfde ingang weer hard komt uit gerend, ondersteunen het verhaal van aangeefster en niet de verklaring van verdachte.
Conclusie
Gelet op voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangeefster heeft aangerand door haar te zoenen, de knoop en rits van haar broek open te maken, en met zijn hand in haar broek te gaan. De rechtbank is hierbij van oordeel dat uit de gang van zaken zoals hiervoor beschreven, alsmede uit het feit dat verdachte destijds 36 jaar oud was en aangeefster minderjarig, en het feit dat verdachte een rol als begeleider van haar vriendin had, waarmee hij vertrouwen heeft gewonnen, volgt dat sprake was van geestelijk en fysieke overwicht bij verdachte.
De rechtbank spreekt verdachte van het overige partieel vrij, nu het dossier hiervoor onvoldoende steunbewijs bevat.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 13 augustus 2023 te Breda, door een andere feitelijkheid, te weten
- door in de parkeergarage onverhoeds die [aangeefster] tegen een muur in een hoek te duwen en
- door onverhoeds die [aangeefster] op de mond te zoenen en
- door onverhoeds de knoop en de rits van de broek van die [aangeefster] los te
maken en
- door onverhoeds zijn hand in de broek van die [aangeefster] te stoppen
- door zijn geestelijk en fysieke overwicht op die [aangeefster] , [aangeefster] heeft gedwongen tot het dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het op de mond zoenen en het betasten van de onderbuik van die [aangeefster] .
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van tien maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
6.2
Het standpunt van de verdediging
Indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring heeft de verdediging verzocht bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Zo heeft de verdenking ervoor gezorgd dat hij zijn werkzaamheden niet meer heeft kunnen uitvoeren waardoor zijn inkomen grotendeels is weggevallen, kampt verdachte met ernstige gezondheidsproblemen, en heeft de langdurige stress als gevolg van de verdenking geresulteerd in medicatieverhoging waardoor verdachte zijn kinderwens op de lange baan heeft moeten schuiven. De verdenking heeft geleid tot aanzienlijke spanningen, gevoelens van onzekerheid en voortdurende angst over zijn toekomst.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid door aangeefster mee naar een parkeergarage te nemen en haar aldaar te zoenen, haar rits en gulp open te maken en met zijn hand in haar broek te gaan. Ontuchtige handelingen die een grove inbreuk vormen op de lichamelijke integriteit. Verdachte heeft met zijn handelen geen rekening gehouden met de gevoelens van aangeefster en zich kennelijk enkel laten leiden door eigen verlangens. Aangeefster was ten tijde van het feit pas 17 jaar oud en verstandelijk beperkt zoals verdachte ook wist, wat haar extra kwetsbaar maakt en het gedrag van verdachte extra verwerpelijk, te meer gezien zijn beroep als begeleider van mensen met een beperking. Verdachte heeft hiermee vertrouwen gewekt en hiervan misbruik gemaakt. Verdachte had juist gezien zijn beroep beter moeten weten. De rechtbank rekent verdachte zijn handelen zwaar aan.
Uit het advies van de reclassering van 25 juni 2026 volgt dat verdachte als gevolg van de verdenking zijn werk en VOG is kwijtgeraakt, en dat hij vervolgens achteruit is gegaan in zijn emotioneel functioneren. Ook volgt hieruit dat hij kampt met Niet Aangeboren Hersenletsel, epilepsie, ADHD en dat hij tumoren in zijn hoofd heeft. Het recidiverisico kan als gevolg van de ontkennende houding van verdachte niet worden ingeschat. Beschermende factoren zijn de openheid van verdachte over deze verdenking naar zijn netwerk en een steunende partner en vriendenkring. Er wordt op dit moment geen reclasseringsbemoeienis geïndiceerd.
De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit.
Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft de rechtbank gelet op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en de gevolgen van het feit voor het slachtoffer. De rechtbank houdt ook rekening met de medische situatie van verdachte, het tijdsverloop en de bewezenverklaarde handelingen die verdachte heeft verricht.
De rechtbank is alles afwegende van oordeel dat een gevangenisstraf niet passend is. Nu gelet op artikel 22b Wetboek van Strafrecht niet enkel een taakstraf of een voorwaardelijke straf mag worden opgelegd, zal zij aan verdachte opleggen een gevangenisstraf van 31 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 180 uur.

7.De benadeelde partij

De benadeelde partij [aangeefster] vordert een schadevergoeding van € 7.500,-.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 500,-, aan immateriële schade.
Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat feiten en omstandigheden die tot toewijzing van het gevorderde bedrag zouden kunnen leiden niet voldoende vast staan, nu (de omvang van) de schade is betwist en onvoldoende is onderbouwd.
Verdere behandeling van dat deel van de vordering levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk in haar vordering zal worden verklaard. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 13 augustus 2023.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 246 (oud) van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
feitelijke aanranding van de eerbaarheid;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 31 dagen waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;
-bepaalt dat de voorwaardelijke gevangenisstraf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- veroordeelt verdachte tot een
taakstraf van 180 uur te vervangen door 90 dagen hechtenis;
Benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij
[aangeefster]van € 500,-
aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 13 augustus 2023 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[aangeefster] € 500,- aan immateriële schade te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 13 augustus 2023 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 5 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. Hamburger, voorzitter, mr. Haesen en mr. Gijselman, rechters, in tegenwoordigheid van Van Dijke, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 23 juli 2026.
De griffier en de oudste rechter zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.