ECLI:NL:RBZWB:2026:6777

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
BRE 25/2091
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67c AWRArt. 67b AWRArt. 14 Wet OBArt. 19 AWRArt. 27h lid 3 AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging boete wegens niet tijdig doen van aangifte omzetbelasting

Belanghebbende maakte bezwaar tegen naheffingsaanslag en boetes opgelegd door de inspecteur vanwege het niet tijdig doen van aangifte en het niet tijdig betalen van omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2024.

De inspecteur had een naheffingsaanslag van €4.750 opgelegd, die na aangifte werd verminderd tot €168. De boete voor het niet tijdig doen van aangifte werd gehandhaafd op €68, en de boete voor het niet tijdig betalen werd verminderd van €142 naar €50.

Tijdens de beroepsfase werd de aangifteverzuimboete door de inspecteur alsnog tot nihil verminderd. De rechtbank oordeelde dat de betaalverzuimboete terecht is opgelegd omdat belanghebbende te laat betaalde zonder afwezigheid van alle schuld of een pleitbaar standpunt.

De rechtbank achtte de boete van €50 passend en handhaafde deze. Het beroep werd gegrond verklaard voor de aangifteverzuimboete, die werd vernietigd, en de inspecteur werd verplicht het griffierecht te vergoeden.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de boete voor het niet tijdig doen van aangifte en handhaaft de boete voor het te laat betalen van de omzetbelasting.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/2091

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 22 juli 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 18 april 2025.
1.1.
De inspecteur heeft vanwege het uitblijven van een aangifte omzetbelasting over het tijdvak oktober 2024 tot en met december 2024 (het vierde kwartaal van 2024) met dagtekening 26 februari 2025 een naheffingsaanslag omzetbelasting van € 4.750 aan belanghebbende opgelegd. Bij gelijktijdige beschikkingen heeft de inspecteur een boete vanwege het niet (tijdig) betalen van belasting [1] van € 142 (de betaalverzuimboete) en een boete vanwege het niet (tijdig) doen van aangifte [2] van € 68 (de aangifteverzuimboete) aan belanghebbende opgelegd.
1.2.
Belanghebbende heeft op 26 februari 2025 alsnog aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2024 gedaan naar een te betalen bedrag aan omzetbelasting van € 168 en dit bedrag op aangifte voldaan.
1.3.
De inspecteur heeft naar aanleiding van de aangifte de naheffingsaanslag omzetbelasting verminderd tot € 168, de betaalverzuimboete verminderd tot € 50 en de aangifteverzuimboete van € 68 in stand gelaten.
1.4.
Belanghebbende heeft vervolgens bezwaar gemaakt tegen de boetebeschikkingen bij de naheffingsaanslag omzetbelasting. De inspecteur heeft het bezwaar afgewezen.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 29 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De inspecteur heeft de aangifteverzuimboete tijdens de beroepsfase alsnog verminderd tot nihil. De rechtbank zal daarom de aangifteverzuimboete – conform de verminderingsbeschikking van de inspecteur – vaststellen op nihil.
2.1.
Het geschil ziet dan uitsluitend nog op de vraag of de inspecteur de betaalverzuimboete, die na uitspraak op bezwaar nog € 50 bedraagt, terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd.
2.2.
Op grond van de artikel 67c van de AWR vormt het niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn betalen van belasting welke op aangifte moet worden voldaan een verzuim ter zake waarvan de inspecteur de belastingplichtige een boete kan opleggen.
2.3.
Belanghebbende moest de omzetbelasting die over het vierde kwartaal van 2024 verschuldigd is geworden uiterlijk op 31 januari 2025 op aangifte voldoen. [3] Belanghebbende heeft de verschuldigde omzetbelasting pas op 26 februari 2025 voldaan. Dat is te laat. De betalingsverzuimboete is als uitgangspunt dan ook terecht aan belanghebbende opgelegd.
2.4.
Een verzuimboete kan alleen achterwege blijven als sprake is van afwezigheid van alle schuld of van een pleitbaar standpunt. Belanghebbende stelt in dit verband dat hij vanwege een menselijke vergissing niet tijdig heeft betaald. Dat kan gebeuren, maar dat levert naar het oordeel van de rechtbank geen afwezigheid van alle schuld op. Daarvoor is vereist dat belanghebbende alle in de gegeven omstandigheden in redelijkheid van hem te vergen zorg heeft betracht om te bewerkstelligen dat tijdig wordt betaald. Het is niet gebleken dat dat in dit geval is gebeurd.
2.5.
De rechtbank acht een betalingsverzuimboete van € 50 in dit geval passend en uit het oogpunt van normhandhaving geboden. Belanghebbende heeft nog een beroep gedaan op Aristotelisch billijkheidsdenken, vanwege de verhouding tussen de hoogte van de aanslag, de ernst van de overtreding en de hoogte van de boete. Dat brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De hoogte van de verzuimboete is namelijk niet afhankelijk van de hoogte van de aanslag. Met vermindering tot het minimumbedrag [4] heeft de inspecteur voldoende rekening gehouden met de omstandigheden van dit geval.
2.6.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen laat de rechtbank de betalingsverzuimboete van € 50, zoals deze luidt na uitspraak op bezwaar, in stand.

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat de aangifteverzuimboete wordt vernietigd. De betaalverzuimboete, zoals deze luidt na uitspraak op bezwaar, blijft in stand.
3.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Belanghebbende heeft geen proceskosten gesteld die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze ziet op de aangifteverzuimboete;
  • vermindert de aangifteverzuimboete – conform de verminderingsbeschikking van de inspecteur – tot nihil;
  • bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 194 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 22 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [5]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
2.Artikel 67b van de AWR.
3.Artikel 14 van Pro de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) in samenhang met artikel 19 van Pro de AWR.
4.Paragraaf 24 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst.
5.Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR.