ECLI:NL:RBZWB:2026:6778

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
BRE 25/2807
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67b AWRArt. 67c AWRArt. 10 AWRArt. 19 AWRArt. 27h AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering van aangifteverzuimboete wegens tijdige betaling en eerste verzuim

Belanghebbende B.V. heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag omzetbelasting en twee boetebeschikkingen opgelegd door de inspecteur vanwege het niet tijdig doen van aangifte en betaling over het vierde kwartaal van 2024.

De inspecteur had de aangifteverzuimboete van € 68 in stand gelaten, ondanks vermindering van de naheffingsaanslag en de betaalverzuimboete. Belanghebbende stelde dat de aangifte tijdig was aangemaakt en ingevuld en dat de betaling ook tijdig was gedaan, maar dat de aangifte per abuis niet was verzonden.

De rechtbank oordeelt dat de inspecteur geen beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden en dat de boete terecht is opgelegd omdat de aangifte te laat is ontvangen. Echter, gelet op het feit dat de belasting tijdig is betaald en het om een eerste verzuim gaat, vermindert de rechtbank de boete tot nihil. Tevens veroordeelt de rechtbank de inspecteur tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan belanghebbende.

Uitkomst: De rechtbank vermindert de aangifteverzuimboete tot nihil en veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/2807

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 22 juli 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 24 april 2025.
1.1.
De inspecteur heeft op 29 januari 2025 een betaling van € 16.431 aan omzetbelasting over het tijdvak 1 oktober 2024 tot en met 31 december 2024 (het vierde kwartaal van 2024) ontvangen van belanghebbende.
1.2.
De inspecteur heeft vanwege het uitblijven van een aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2024 met dagtekening 28 februari 2025 een naheffingsaanslag omzetbelasting van € 19.000 aan belanghebbende opgelegd. Bij gelijktijdige beschikkingen heeft de inspecteur een boete vanwege het niet (tijdig) betalen van belasting [1] van € 77 (de betaalverzuimboete) en een boete vanwege het niet (tijdig) doen van aangifte [2] van € 68 (de aangifteverzuimboete) aan belanghebbende opgelegd.
1.3.
De inspecteur heeft op 3 maart 2025 alsnog een aangifte omzetbelasting voor het vierde kwartaal van 2024 van belanghebbende ontvangen naar een te betalen bedrag aan omzetbelasting van € 16.431. Daarnaast heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag omzetbelasting en de boetebeschikkingen.
1.4.
De inspecteur heeft naar aanleiding van de aangifte de naheffingsaanslag bij beschikking verminderd tot € 16.431, de betaalverzuimboete verminderd tot nihil en de aangifteverzuimboete van € 68 in stand gelaten.
1.5.
De inspecteur heeft de bezwaren tegen de naheffingsaanslag en de boetebeschikkingen afgewezen.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 29 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende haar [bestuurder] en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. Partijen hebben het geschil beperkt, in die zin dat in beroep alleen nog de vraag voorligt of de inspecteur de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (ABBB) heeft geschonden en of de inspecteur de aangifteverzuimboete van € 68 terecht aan belanghebbende heeft opgelegd.
Geen schending ABBB
2.1.
Belanghebbende stelt dat de inspecteur in de uitspraak op bezwaar ten onrechte niet op zijn inhoudelijke bezwaargronden is ingegaan. Daarmee heeft de inspecteur volgens belanghebbende onzorgvuldig gehandeld en het motiveringsbeginsel geschonden.
2.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van schending van enig beginsel van behoorlijk bestuur. De uitspraak is weliswaar summier gemotiveerd, maar dat sluit aan bij de eveneens summiere bezwaargronden. Pas in beroep heeft belanghebbende een uitgebreidere motivering gegeven. De rechtbank kan daarom goed volgen dat de inspecteur met een korte motivering van haar beslissing heeft volstaan.
Aangifteverzuimboete
2.3.
Artikel 67b, eerste lid, van de AWR biedt de inspecteur de mogelijkheid om een boete op te leggen aan een belastingplichtige die de aangifte voor een belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen niet, dan wel niet binnen de in artikel 10 van Pro de AWR bedoelde termijn heeft gedaan.
2.4.
Belanghebbende moest de aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2024 uiterlijk op 31 januari 2025 indienen. [3] De inspecteur heeft de aangifte pas op 3 maart 2025 ontvangen. Dat is te laat. De aangifteverzuimboete is als uitgangspunt dan ook terecht aan belanghebbende opgelegd.
2.5.
Belanghebbende stelt dat haar bestuurder de aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2024 op 27 januari 2025 heeft aangemaakt en dat hij deze op 28 januari 2025 heeft ingevuld en op diezelfde dag het op basis van de aangifte verschuldigde bedrag aan omzetbelasting heeft voldaan. Later is gebleken dat de aangifte niet is verzonden. De precieze oorzaak daarvan is belanghebbende onbekend, maar het zou volgens haar zo kunnen zijn dat haar bestuurder per abuis niet op de knop verzenden heeft gedrukt. Belanghebbende wijst er daarbij op dat de fiscus door de tijdige betaling van de verschuldigde belasting uiteindelijk niets is misgelopen.
2.6.
Een verzuimboete kan alleen achterwege blijven als sprake is van afwezigheid van alle schuld of een pleitbaar standpunt. Daarvan is in dit geval geen sprake. Er kan immers niet worden gezegd dat belanghebbende alle van haar in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om ervoor te zorgen dat het aangifteverzuim niet zou worden gedaan. Zij had bijvoorbeeld kunnen controleren of de aangifte daadwerkelijk was verzonden. De rechtbank laat de boete dus in stand.
2.7.
De rechtbank ziet in alle feiten en omstandigheden van het geval wel aanleiding om de boete te verminderen tot nihil. De aangifteverzuimboete beoogt de plicht tot het tijdig doen van aangifte in te scherpen en aldus de verstoring van de heffing en de invordering van de desbetreffende belasting, die het niet voldoen aan die plicht meebrengt, te voorkomen. In dit geval is niet in geschil dat de bestuurder van belanghebbende de aangifte voor het vierde kwartaal van 2024 tijdig heeft aangemaakt en ingevuld en dat belanghebbende de verschuldigde belasting tijdig heeft betaald. Evenmin is in geschil dat het gaat om een eerste verzuim. De rechtbank acht het daarom, gelet op het doel van de boete, weinig zinvol en niet passend om een boete van € 68 te handhaven.

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is gegrond. De rechtbank vermindert de aangifteverzuimboete tot nihil.
3.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Belanghebbende krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van reis- en verblijfkosten van € 21,60 en om een vergoeding van verletkosten van € 400. De inspecteur heeft ter zitting met deze vergoedingen ingestemd voor het geval het beroep gegrond zou zijn. De rechtbank ziet geen aanleiding om daarvan af te wijken en kent belanghebbende daarom een proceskostenvergoeding toe van in totaal € 421,60.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze ziet op de aangifteverzuimboete;
  • vermindert de aangifteverzuimboete tot nihil;
  • veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 421,60 aan proceskosten aan belanghebbende;
  • bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 385 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 22 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [4]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
2.Artikel 67b van de AWR.
3.Artikel 10, tweede lid, van de AWR in samenhang met artikel 19, eerste lid, van de AWR.
4.Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR.