ECLI:NL:RBZWB:2026:6779

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
BRE 25/1888
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:42 AwbArt. 8:31 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens schending inzagerecht

Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd door de heffingsambtenaar van de gemeente Breda. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond. Belanghebbende bracht vervolgens beroep in bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant.

Tijdens de zitting op 9 juli 2026 was belanghebbende aanwezig, terwijl de heffingsambtenaar zich had afgemeld. De rechtbank constateerde dat de heffingsambtenaar niet had voldaan aan zijn verplichting om de op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen, zoals vereist op grond van artikel 8:42 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Deze schending van het inzagerecht leidde ertoe dat de rechtbank het beroep van belanghebbende gegrond verklaarde en de naheffingsaanslag vernietigde. Tevens werd bepaald dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht moest vergoeden. Een proceskostenvergoeding werd niet toegekend omdat geen kosten waren gesteld die voor vergoeding in aanmerking kwamen.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens schending van het inzagerecht en bepaalt dat het griffierecht wordt vergoed.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/1888
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Breda (P1), de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 27 februari 2025.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting met [aanslagnummer] opgelegd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft belanghebbende deelgenomen. Zijn echtgenote, mevrouw [echtgenote] , was als toehoorder aanwezig. De heffingsambtenaar heeft zich bij brief van 30 juni 2026 afgemeld voor de zitting.
1.4.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan, waarvan dit proces-verbaal is opgemaakt.

Overwegingen

2. Op grond van artikel 8:42 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) rust op de heffingsambtenaar de verplichting om de op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen. De heffingsambtenaar heeft verzuimd de op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen. Dit levert een schending van artikel 8:42 van Pro de Awb op. Op grond van artikel 8:31 van Pro de Awb zal de rechtbank hieraan de gevolgen verbinden die haar geraden voorkomen
.De rechtbank zal, doende wat haar geraden voorkomt, belanghebbende volgen in zijn standpunt en de naheffingsaanslag vernietigen.

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt vernietigd.
3.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht vergoeden. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding omdat belanghebbende geen kosten heeft gesteld die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vernietigt de naheffingsaanslag parkeerbelasting;
  • bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 53 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van mr. F. de Jong, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op 9 juli 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.