ECLI:NL:RBZWB:2026:6780

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
BRE 26/51
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:42 AwbArt. 8:31 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging aanslag afvalstoffenheffing wegens niet-indienen stukken door heffingsambtenaar

Belanghebbende maakte bezwaar tegen een aanslag afvalstoffenheffing van €154 opgelegd door de heffingsambtenaar van de gemeente Gilze en Rijen. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar gedeeltelijk gegrond en vergoedde uit coulance €84. Belanghebbende ging in beroep bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant.

De zitting vond plaats op 9 juli 2026, waarbij belanghebbende digitaal aanwezig was en de heffingsambtenaar zonder kennisgeving afwezig bleef. De rechtbank stelde vast dat de heffingsambtenaar correct was uitgenodigd. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar in strijd met artikel 8:42 Awb Pro de stukken niet had ingediend, wat een schending van deze wettelijke verplichting opleverde.

Op grond van artikel 8:31 Awb Pro besloot de rechtbank het beroep gegrond te verklaren en de aanslag afvalstoffenheffing te vernietigen. De heffingsambtenaar moet het betaalde griffierecht van €54 vergoeden. Het verzoek van belanghebbende om immateriële schadevergoeding wegens de duur van de procedure werd afgewezen omdat de redelijke behandeltermijn van twee jaar niet was overschreden.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de aanslag afvalstoffenheffing wegens het niet indienen van stukken door de heffingsambtenaar en wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 26/51
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Gilze en Rijen, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 28 november 2025.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een aanslag afvalstoffenheffing opgelegd naar een bedrag van € 154.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gedeeltelijk gegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij uit coulance een gedeelte van de in rekening gebrachte heffing, te weten € 84, vergoed.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft belanghebbende digitaal deelgenomen. De heffingsambtenaar is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. De heffingsambtenaar is via het systeem Digitale Toegang op 12 mei 2026 om 13.00 uur, onder vermelding van plaats, datum en tijdstip uitgenodigd de zitting bij te wonen. De rechtbank stelt daarmee vast dat de heffingsambtenaar correct en op juiste wijze voor de zitting is uitgenodigd. De zitting heeft daarom plaatsgevonden zonder aanwezigheid van de heffingsambtenaar.
1.4.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan, waarvan dit proces-verbaal is opgemaakt.

Overwegingen

2. Op grond van artikel 8:42 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) rust op de heffingsambtenaar de verplichting om de op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen. De heffingsambtenaar heeft verzuimd de op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen. Dit levert een schending van artikel 8:42 van Pro de Awb op. Op grond van artikel 8:31 van Pro de Awb zal de rechtbank hieraan de gevolgen verbinden die haar geraden voorkomen
.De rechtbank zal, doende wat haar geraden voorkomt, belanghebbende volgen in haar standpunt en de aanslag afvalstoffenheffing vernietigen.

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat de aanslag afvalstoffenheffing wordt vernietigd.
3.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht vergoeden. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding omdat belanghebbende geen kosten heeft gesteld die voor vergoeding in aanmerking komen.
3.2.
Belanghebbende heeft ter zitting verzocht om een vergoeding van immateriële schade in verband met de duur van de procedure. De redelijke behandeltermijn voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg bedraagt twee jaar. De termijn vangt aan op het moment dat de heffingsambtenaar het bezwaarschrift heeft ontvangen. Belanghebbende heeft haar bezwaar verzonden op 22 april 2025. Uitgaande van die datum als datum van ontvangst door de heffingsambtenaar, komt de rechtbank tot de conclusie dat de redelijke termijn van twee jaar niet is overschreden. Omdat de redelijke behandeltermijn niet is overschreden, wijst de rechtbank het verzoek om immateriële schadevergoeding af.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vernietigt de aanslag afvalstoffenheffing;
  • bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 54 aan belanghebbende moet vergoeden;
  • wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van mr. F. de Jong, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op 9 juli 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.