ECLI:NL:RBZWB:2026:6784

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
02-193204-26
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 65 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering voorlopige hechtenis wegens gebrek aan geschokte rechtsorde in zedenzaken

Tegen verdachte is op 10 juli 2026 een bevel tot bewaring verleend in verband met twee zedendelicten uit 2017 en 2018, waaronder een verkrachting. De officier van justitie vorderde verlenging van de voorlopige hechtenis voor 90 dagen. De rechtbank heeft het dossier bestudeerd en partijen gehoord.

De rechtbank constateert dat de aangiften pas in november en december 2025 zijn gedaan, ruim zeven maanden voor de vordering tot bewaring. Er zijn ernstige bezwaren tegen verdachte, maar de rechter-commissaris heeft alleen de 12-grond aangenomen. De rechtbank stelt dat voor deze grond concrete aanwijzingen nodig zijn dat de rechtsorde geschokt zal worden bij vrijlating, en voor de herhalingsgrond dat er gevaar op herhaling bestaat.

De rechtbank oordeelt dat er sinds 2017-2018 geen concrete aanwijzingen zijn voor herhaling en dat de 12-grond kritisch moet worden beoordeeld gezien de oudheid van de feiten en het vertraagde optreden. Ook recente vergelijkbare zaken tonen aan dat voorlopige hechtenis niet noodzakelijk is om de rechtsorde te beschermen. Daarom wijst de rechtbank de vordering af en heft het bevel tot voorlopige hechtenis op.

De rechtbank benadrukt dat afwijzing van de voorlopige hechtenis niet betekent dat verdachte niet veroordeeld kan worden na inhoudelijke behandeling, inclusief oplegging van een onherroepelijke gevangenisstraf.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot voorlopige hechtenis af en heft het bevel tot bewaring op wegens gebrek aan concrete aanwijzingen voor geschokte rechtsorde of herhalingsgevaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-193204-26
beslissing afwijzing vordering gevangenhouding van de raadkamer d.d. 22 juli 2026
(artikel 65 Wetboek Pro van Strafvordering)
in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1973 te [geboorteplaats] ,
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[inschrijfadres] ,
nu gedetineerd in P.I. [locatie] .
Raadsman mr. J.E. Kötter.

Procedure

Tegen de verdachte is op 10 juli 2026 een bevel tot bewaring verleend.
De officier van justitie heeft de gevangenhouding van de verdachte gevorderd voor de duur van 90 dagen.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafdossier en heeft de officier van justitie, de verdachte en de raadsman gehoord.

Beoordeling

De gronden, die tot het bevel bewaring van verdachte hebben geleid, zijn naar het oordeel van de rechtbank niet, althans niet langer aanwezig, zodat de vordering moet worden afgewezen.. De aangiftes dateren van november
De rechtbank oordeelt dat er ernstige bezwaren jegens verdachte bestaan ten aanzien van twee zedendelicten, waaronder een verkrachting, reeds op grond van de twee aangiften.
Ten aanzien van de gronden heeft de rechter-commissaris alleen de 12-grond aangenomen. De officier van justitie vordert daarnaast de herhalingsgrond ook op te nemen.
De rechtbank stelt vast dat het feiten betreft van 2017 en 2018. De aangiften dateren van november en december 2025. De vordering bewaring dateert van ruim 7 maanden later.
Op grond van vaste rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, die ook neergelegd is in de vastgestelde tekst van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (dat huidig recht codificeert), moeten er voor de 12-jaars grond concrete aanwijzingen zijn dat de rechtsorde geschokt zal worden bij vrijlating van verdachte, en moeten er voor de herhalingsgrond concrete aanwijzingen zijn dat het gevaar op herhaling zich zal verwezenlijken.
Met betrekking tot de herhalingsgrond oordeelt de rechtbank dat er sinds 2017-2018 geen concrete aanwijzingen zijn dat verdachte soortgelijke zedendelicten gepleegd heeft, zodat de rechtbank deze grond niet zal aannemen.
Ten aanzien van de 12-grond oordeelt de rechtbank dat de rechtbank extra kritisch kijkt naar de geschokte rechtsorde indien verdachte alleen op deze grond vastzit. Het betreft het feiten betreft van ruim acht jaar geleden, en de autoriteiten hebben ruim 7 maanden genomen alvorens een vordering bewaring te doen. Daar komt bij dat de rechtbank in soortgelijke zaken, ook recent, verdachte berecht heeft voor soortgelijke feiten, die niet in voorlopige hechtenis zaten of geschorst waren uit de voorlopige hechtenis, zonder dat de rechtsorde daardoor geschokt was. Nu het dossier voor het overige ook geen concrete aanwijzingen bevatten, oordeelt de rechtbank dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat de rechtsorde geschokt zal zijn bij het in vrijheidstellen van verdachte.
De rechtbank zal de vordering gevangenhouding dan ook afwijzen wegens gebrek aan gronden voor de voorlopige hechtenis.
De rechtbank wijst er op dat afwijzing van de vordering niet betekent dat er na de inhoudelijke behandeling van de zaak verdachte niet veroordeeld kan worden, met oplegging van een onherroepelijke gevangenisstraf die langer is dan hij thans in voorlopige hechtenis heeft gezeten. De eerder genoemde zaken van de rechtbank zijn daar een bewijs van.

Beslissing

De rechtbank:
wijst de vordering van de officier van justitie af;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van heden.
Deze beslissing is gegeven in raadkamer van deze rechtbank op 23 juli 2026 door:
mr. C.H.W.M. Sterk, voorzitter,
mr. W.A.H.A. Schnitzler-Strijbos en mr. H. Faouzi, rechters,
in tegenwoordigheid van J.C.A. Hoppenbrouwers, griffier.