ECLI:NL:RBZWB:2026:6784
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering voorlopige hechtenis wegens gebrek aan geschokte rechtsorde in zedenzaken
Tegen verdachte is op 10 juli 2026 een bevel tot bewaring verleend in verband met twee zedendelicten uit 2017 en 2018, waaronder een verkrachting. De officier van justitie vorderde verlenging van de voorlopige hechtenis voor 90 dagen. De rechtbank heeft het dossier bestudeerd en partijen gehoord.
De rechtbank constateert dat de aangiften pas in november en december 2025 zijn gedaan, ruim zeven maanden voor de vordering tot bewaring. Er zijn ernstige bezwaren tegen verdachte, maar de rechter-commissaris heeft alleen de 12-grond aangenomen. De rechtbank stelt dat voor deze grond concrete aanwijzingen nodig zijn dat de rechtsorde geschokt zal worden bij vrijlating, en voor de herhalingsgrond dat er gevaar op herhaling bestaat.
De rechtbank oordeelt dat er sinds 2017-2018 geen concrete aanwijzingen zijn voor herhaling en dat de 12-grond kritisch moet worden beoordeeld gezien de oudheid van de feiten en het vertraagde optreden. Ook recente vergelijkbare zaken tonen aan dat voorlopige hechtenis niet noodzakelijk is om de rechtsorde te beschermen. Daarom wijst de rechtbank de vordering af en heft het bevel tot voorlopige hechtenis op.
De rechtbank benadrukt dat afwijzing van de voorlopige hechtenis niet betekent dat verdachte niet veroordeeld kan worden na inhoudelijke behandeling, inclusief oplegging van een onherroepelijke gevangenisstraf.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot voorlopige hechtenis af en heft het bevel tot bewaring op wegens gebrek aan concrete aanwijzingen voor geschokte rechtsorde of herhalingsgevaar.