ECLI:NL:RBZWB:2026:68

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
BRE 25/5422 en 25/5423
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdheid van de belastingrechter bij verzoek om schadevergoeding en proceskostenvergoeding

Op 9 januari 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in de zaken BRE 25/5422 en 25/5423, waarbij de rechtbank zich onbevoegd verklaarde om te oordelen over het verzoek van de belanghebbende om schadevergoeding en proceskostenvergoeding. De belanghebbende had op 25 oktober 2025 beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding in verband met de afhandeling van een bezwaar. De rechtbank oordeelde dat het geschil over de in rekening gebrachte vervolgingskosten was beëindigd op het moment dat de uitspraken op bezwaar waren gedaan. De rechtbank stelde vast dat de wet geen mogelijkheid biedt om in deze procedure een schadevergoeding vast te stellen, en dat de belastingrechter niet bevoegd is om het verzoek om schadevergoeding te beoordelen. De rechtbank verwees de belanghebbende naar de Belastingdienst of de civiele rechter voor het indienen van een zelfstandig schadeverzoek. De rechtbank concludeerde dat er geen aanleiding was voor een proceskostenveroordeling en dat de belanghebbende geen recht had op vergoeding van het griffierecht. De uitspraak werd openbaar gemaakt op www.rechtspraak.nl.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 25/5422 en 25/5423

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 januari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de ontvanger van de Belastingdienst, de ontvanger.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over de beroepen van belanghebbende met dagtekening 25 oktober 2025. Belanghebbende verzoekt om een schadevergoeding en een proceskostenvergoeding.
1.1.
Omdat de rechtbank kennelijk onbevoegd is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank komt tot het oordeel dat de belastingrechter onbevoegd is het verzoek te beoordelen. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
2.1.
De rechtbank stelt vast dat het geschil over de in rekening gebrachte vervolgingskosten ten einde is gekomen op het moment dat de uitspraken op bezwaar zijn gedaan. De beroepen zien enkel nog op het verzoek om schadevergoeding in verband met de afhandeling van dat bezwaar (en proceskostenveroordeling). De wet biedt geen mogelijkheid om in deze procedure een schadevergoeding vast te stellen.
2.2.
Belanghebbende verzoekt om een schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb. De rechtbank overweegt dat titel 8.4 van de Awb wel een regeling voor schadevergoeding bevat maar dat die bepalingen (nog) niet van toepassing zijn verklaard in geschillen als deze met de Belastingdienst. Daarom is artikel 8:73 van de Awb (oud) nog van toepassing. [1] Dit artikel geeft de bestuursrechter alleen de mogelijkheid om schade te vergoeden die is ontstaan door een besluit van de ontvanger in het kader van een procedure tegen dat besluit. Een zelfstandig schadeverzoek is niet mogelijk.
2.3.
In dit geval procedeert belanghebbende niet tegen de uitspraken op bezwaar. De belastingrechter is dus niet bevoegd om het verzoek om schadevergoeding te beoordelen. Belanghebbende kan het verzoek om schadevergoeding indienen bij de Belastingdienst of voorleggen aan de civiele rechter.

Conclusie en gevolgen

3. De rechtbank is onbevoegd een oordeel te geven over het verzoek om schadevergoeding. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Belanghebbende heeft ook geen recht op vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart zich ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding onbevoegd;
  • wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H.W. Steijn, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 9 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Op grond van artikel V, tweede lid, van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten.