Op 9 januari 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in de zaken BRE 25/5422 en 25/5423, waarbij de rechtbank zich onbevoegd verklaarde om te oordelen over het verzoek van de belanghebbende om schadevergoeding en proceskostenvergoeding. De belanghebbende had op 25 oktober 2025 beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding in verband met de afhandeling van een bezwaar. De rechtbank oordeelde dat het geschil over de in rekening gebrachte vervolgingskosten was beëindigd op het moment dat de uitspraken op bezwaar waren gedaan. De rechtbank stelde vast dat de wet geen mogelijkheid biedt om in deze procedure een schadevergoeding vast te stellen, en dat de belastingrechter niet bevoegd is om het verzoek om schadevergoeding te beoordelen. De rechtbank verwees de belanghebbende naar de Belastingdienst of de civiele rechter voor het indienen van een zelfstandig schadeverzoek. De rechtbank concludeerde dat er geen aanleiding was voor een proceskostenveroordeling en dat de belanghebbende geen recht had op vergoeding van het griffierecht. De uitspraak werd openbaar gemaakt op www.rechtspraak.nl.