ECLI:NL:RBZWB:2026:6824

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 juli 2026
Publicatiedatum
24 juli 2026
Zaaknummer
BRE 26/3158
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:29 AwbArt. 8:81 AwbArt. 1.49 WkoArt. 1.61 WkoArt. 1.66 Wko
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen verlenging tijdelijk exploitatieverbod gastouderopvang na incident

Verzoekster exploiteert een gastouderopvang waar op 2 maart 2026 een incident plaatsvond waarbij een eenjarig kind onder haar toezicht in een medische noodsituatie terechtkwam en de volgende dag overleed. Naar aanleiding hiervan is een strafrechtelijk onderzoek gestart en is verzoekster als verdachte aangemerkt.

Het college van burgemeester en wethouders van Gilze en Rijen heeft op 6 mei 2026 besloten het tijdelijke exploitatieverbod voor de gastouderopvang te verlengen, omdat op basis van adviezen van de politie, de GGD en de Officier van Justitie de veiligheid van de kinderen niet kan worden gegarandeerd. Verzoekster maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het college voldoende grondslag heeft voor het oordeel dat niet wordt voldaan aan de wettelijke voorschriften voor veilige kinderopvang. De door verzoekster aangedragen alternatieven, zoals het vier ogen principe, bieden onvoldoende waarborg voor de veiligheid. Het belang van de veiligheid van jonge kinderen weegt zwaarder dan het belang van verzoekster om de opvang te hervatten.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af en stelt dat het besluit voorlopig rechtmatig is. De uitspraak bindt niet in een bodemprocedure en het college dient in de beslissing op bezwaar de belangen van verzoekster en de verklaringen van ouders mee te wegen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de verlenging van het exploitatieverbod voor de gastouderopvang wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/3158

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 juli 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster,

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gilze en Rijen(het college), verweerder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het verlengen van het tijdelijke exploitatieverbod voor [gastouderopvang] . Verzoekster, als exploitant van deze gastouderopvang, is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Het college heeft op 6 mei 2026 besloten, zoals schriftelijk neergelegd in het besluit van 2 juni 2026, om het exploitatieverbod voor de gastouderopvang te verlengen (bestreden besluit). Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
Het college heeft aangegeven dat uitsluitend de bestuursrechter kennis mag nemen van het rapport van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) van 30 maart 2026 en de namen van de betrokken medewerkers van de politie in de bestuurlijke rapportage politie van 11 maart 2026 en een e-mail over de status van het onderzoek bij de politie van 17 juni 2026 op grond van artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
In een beslissing van 25 juni 2026 heeft de rechtbank bepaald dat beperkte kennisneming van deze stukken gerechtvaardigd is. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter vervolgens toestemming gegeven om deze stukken bij de beoordeling te betrekken.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 21 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster en mr. J.W.M. van Oorschot en [gemachtigde] namens het college. Ook was [persoon 1] , vraagouder bij de gastouderopvang, aanwezig ter zitting.

Totstandkoming van het besluit

Feiten en omstandigheden
3. Verzoekster is de exploitant van de gastouderopvang.
3.1.
Op 2 maart 2026 heeft er een incident bij de gastouderopvang plaatsgevonden waarbij een eenjarig kind onder toezicht van verzoekster in een medische noodsituatie terecht is gekomen en de volgende dag is overleden. Verzoekster is aangemerkt als verdachte. Het strafrechtelijk onderzoek naar de oorzaak is nog gaande.
3.2.
Op 11 maart 2026 heeft de politie een bestuurlijke rapportage opgesteld naar aanleiding van dit incident. In deze rapportage wordt het college in overweging gegeven passende bestuurlijke maatregelen te nemen.
3.3.
Met het besluit van 17 maart 2026 heeft het college met onmiddellijke ingang bevolen de exploitatie van de gastouderopvang stop te zetten voor de duur van tenminste twee weken. Vanwege het incident op 2 maart 2026 en op basis van advies van de Officier van Justitie en de GGD kan het college namelijk de veiligheid van de kinderen niet garanderen.
3.4.
Op 30 maart 2026 heeft de GGD een rapport aan het college verstrekt.
3.5.
Met het besluit van 31 maart 2026 heeft het college met ingang van 1 april 2026 opnieuw verboden de gastoudervang in exploitatie te houden. De verlenging van het exploitatieverbod geldt voor de duur van tenminste één maand. Gedurende deze periode zal het college in overleg treden met de GGD en het Openbaar Ministerie (OM) of er ontwikkelingen in het (strafrechtelijk) onderzoek zijn die er eventueel voor kunnen zorgen dat het exploitatieverbod eerder beëindigd kan worden. Het college heeft het exploitatieverbod verlengd, omdat op basis van advies van de politie en de GGD met betrekking tot het incident op 2 maart 2026 het college de kwaliteit van de opvang en de veiligheid van de kinderen niet kan garanderen. De politie en het OM voeren nog steeds onderzoek uit naar de toedracht en verwijtbaarheid.
3.6.
Op 26 maart 2026 is namens verzoekster verzocht om een heroverweging tot opening van de gastouderopvang per 1 mei 2026. Op 17 april 2026 is ook gecorrespondeerd over de maatregelen die genomen zullen worden bij een eventuele heropening.
Naar aanleiding van dit verzoek tot heroverweging is er op 23 april 2026 een telefonische consultatie geweest tussen het college en de politie. Daarbij is volgens het college geen nieuwe informatie naar voren gekomen die aanleiding geeft om het exploitatieverbod op te heffen. Op 28 april 2026 is er een telefonische consultatie geweest tussen het college en de GGD. De GGD heeft aangegeven dat het voorstel van een vier ogen principe lastig voor langere tijd te toetsen en te borgen is, wat kan leiden tot schijnveiligheid.
Bestreden besluit
3.7.
Met het bestreden besluit heeft het college besloten om het geldende exploitatieverbod in stand te houden gedurende het strafrechtelijk onderzoek. Pas nadat het strafrechtelijk onderzoek volledig is afgehandeld en of de strafzaak bij de bevoegde instantie is behandeld zal het college opnieuw een beslissing nemen omtrent het exploiteren
van de gastouderopvang. Op basis van advies van de Officier van Justitie en de GGD met betrekking tot het incident op 2 maart 2026 kan het college de veiligheid van de kinderen op dit moment niet garanderen.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

Standpunt verzoekster

4. Verzoekster heeft verzocht het bestreden besluit te schorsen totdat op haar bezwaar is beslist. Subsidiair heeft verzoekster verzocht een voorlopige voorziening te treffen waardoor hervatting van de opvang, al dan niet onder nader te stellen voorwaarden, mogelijk wordt gemaakt totdat op het bezwaar is beslist.
Verzoekster is van mening dat het besluit tot verlenging van het exploitatieverbod onvoldoende is gemotiveerd, onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en
onevenredig zwaar uitpakt, mede gelet op het ontbreken van vastgestelde feiten of conclusies uit het nog lopende strafrechtelijke onderzoek.
Uit het bestreden besluit blijkt niet welke concrete feiten, bevindingen of omstandigheden aan de conclusie dat de veiligheid van de kinderen niet kan worden gegarandeerd ten
grondslag liggen.
Voor zover verzoekster bekend zijn geen conclusies getrokken waaruit blijkt dat sprake is van verwijtbaar handelen of nalatigheid van haar zijde. Door het exploitatieverbod te laten voortduren zolang het onderzoek loopt, wordt feitelijk vooruitgelopen op een uitkomst die nog niet bekend is.
Doordat het exploitatieverbod gehandhaafd blijft totdat het strafrechtelijk onderzoek volledig is afgerond en eventueel zelfs totdat een strafzaak is behandeld, ontstaat feitelijk een maatregel voor onbepaalde tijd. Dit heeft verstrekkende gevolgen voor haar onderneming, inkomen, reputatie en toekomstperspectief. Gelet op deze gevolgen had een bijzonder zorgvuldige en concreet gemotiveerde belangenafweging mogen worden verwacht.
Gedurende het traject zijn vanuit verzoekster, het gastouderbureau en de betrokken ouders meerdere voorstellen gedaan om de veiligheid en controle gedurende het onderzoek verder te versterken. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat deze voorstellen inhoudelijk zijn beoordeeld, noch waarom deze onvoldoende zouden zijn om eventuele risico’s te beperken. Hierdoor ontstaat de indruk dat minder ingrijpende maatregelen niet of onvoldoende zijn
betrokken bij de besluitvorming. Verzoekster heeft op 19 juli 2026 in dit kader een toekomstplan overgelegd.
Uit het bestreden besluit blijkt evenmin dat de belangen van de betrokken kinderen, ouders en gezinnen daadwerkelijk zijn meegewogen. Verzoekster heeft verklaringen van vraagouders en haar bemiddelingsmedewerker, [persoon 2] , overgelegd. Daaruit komt een consistent beeld naar voren van een veilige, liefdevolle en professionele opvangsituatie gedurende vele jaren.
Gedurende de afgelopen periode heeft verzoekster vanuit verschillende betrokken instanties
uiteenlopende informatie ontvangen over de status en betekenis van een anonieme melding. Wat verzoekster daarbij zorgen baart, is dat voor haar onduidelijk blijft welke informatie precies aan het bestreden besluit ten grondslag ligt en in hoeverre deze informatie is onderzocht, geverifieerd of met haar is besproken.
Het voorgaande raakt rechtstreeks aan het zorgvuldigheidsbeginsel zoals neergelegd in
de Awb. Wanneer een bestuursorgaan besluit een onderneming voor onbepaalde tijd gesloten te houden, mag worden verwacht dat alle relevante feiten zorgvuldig worden onderzocht en dat de betrokkene voldoende gelegenheid krijgt om zijn of haar standpunt naar voren te brengen.
Daarnaast wil verzoekster benadrukken dat zij actief werkt aan haar herstel naar aanleiding van de gebeurtenissen van 2 maart 2026.

Juridisch kader

5. De voor de beoordeling van de voorlopige voorziening belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Toetsingskader voorzieningenrechter
6. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
6.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoekster een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.
Spoedeisend belang
7. Verzoekster heeft aangevoerd dat sprake is van een spoedeisend belang, omdat met het exploitatieverbod haar onderneming feitelijk voor onbepaalde tijd gesloten wordt gehouden. Omdat niet bekend is wanneer het strafrechtelijk onderzoek wordt afgerond, is ook niet duidelijk wanneer verzoekster haar werkzaamheden eventueel zou kunnen hervatten. Dit heeft ernstige financiële gevolgen voor verzoekster en haar gezin. Haar inkomsten zijn grotendeels weggevallen terwijl haar vaste lasten doorlopen. Daarnaast ontstaat blijvende schade aan haar onderneming doordat ouders noodgedwongen elders opvang moeten zoeken. Ook de belangen van de betrokken ouders en kinderen worden geraakt. Diverse ouders hebben aangegeven graag terug te willen keren naar haar opvang zodra dit mogelijk is.
7.1.
De voorzieningenrechter acht spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening aanwezig. Het gaat namelijk om een exploitatieverbod voor de gastouderopvang die de inkomstenbron van verzoekster was.
Het exploitatieverbod
8. De vraag die in deze zaak speelt is of naar verwachting niet, of niet langer aan de bepaalde voorschriften, als benoemd in artikel 1.49, derde lid, van de Wet kinderopvang (Wko), is voldaan. Indien
naar verwachtingdaar niet (meer) aan wordt voldaan, kan het college al over gaan tot een (tijdelijk) exploitatieverbod.
8.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat er op 2 maart 2026 onder toezicht van verzoekster bij de gastouderopvang een incident met dodelijke afloop heeft plaatsgevonden. Evenmin is in geschil dat verzoekster verdachte is in het nog lopende strafrechtelijk onderzoek naar aanleiding van dit incident.
8.2.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college in het strafrechtelijk onderzoek naar het incident op 2 maart 2026 en de informatie van de politie en de GGD daarover voldoende grondslag kunnen vinden voor het oordeel dat naar verwachting niet, of niet langer aan de voorschriften van artikel 1.49, derde lid, van de Wko wordt voldaan. Gezien de huidige stand van zaken, heeft het bezwaar van verzoekster dan ook geen redelijke kans van slagen.
De voorzieningenrechter betrekt bij haar oordeel dat uit het voorstel aan het college van 27 april 2026 volgt dat de GGD op 30 maart 2026 heeft geadviseerd het exploitatieverbod in stand te houden. Ter zitting heeft het college toegelicht dat de GGD dit heeft geadviseerd tijdens een telefonisch contact en dat ook kort voor de zitting dit het advies van de GGD blijft. Verder heeft het college ter zitting toegelicht dat het strafrechtelijk onderzoek nog altijd loopt en dat de politie heeft aangegeven dat er geen nieuwe ontwikkelingen zijn. Dat er nog geen conclusies zijn getrokken over het verwijtbaar handelen of nalatigheid
aan de zijde van verzoekster, is volgens rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) niet van belang voor de vraag of naar verwachting niet (meer) wordt voldaan aan het voorschrift in artikel 1.49, derde lid, van de Wko. [1]
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college geen aanleiding hoeven zien om te kiezen voor minder ingrijpende alternatieven. De voorzieningenrechter ziet in de door verzoekster aangedragen alternatieven geen optie die de veiligheid van de kinderen voldoende waarborgt. Het voorgestelde vier ogen principe acht de voorzieningenrechter onvoldoende, omdat de GGD heeft aangegeven dat dit kan leiden tot schijnveiligheid. Dat verzoekster aan zichzelf heeft gewerkt, is eveneens onvoldoende om de veiligheid te waarborgen. Het college zal hier echter wel in de beslissing op bezwaar aandacht aan moeten besteden.
Met betrekking tot de in bezwaar overgelegde verklaringen van huidige en voormalige vraagouders en de bemiddelingsmedewerker van verzoekster overweegt de voorzieningenrechter dat hun positieve ervaringen niet afdoen aan de verwachting op basis van het incident dat niet of niet langer aan de voorschriften van de Wko wordt voldaan. Het college zal deze verklaringen echter wel moeten betrekken bij de beslissing op bezwaar.
Gelet op de omstandigheden van dit geval en de regelmatige contacten die het college heeft onderhouden met de politie, het OM en de GGD, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter sprake van een voldoende zorgvuldig onderzoek. De voorzieningenrechter merkt daarbij op dat het college ter zitting heeft toegelicht dat er over en weer periodiek contact is tussen het college en de politie. Dat verzoekster gebrekkige communicatie heeft ervaren met het college, maakt het oordeel niet anders. De voorzieningenrechter vertrouwt er wel op dat het college tot heroverweging van het bestreden besluit overgaat als meer onderzoeksresultaten bekend worden.
8.3.
De door verzoekster aangevoerde belangen van haarzelf en de vraagouders behoeven aandacht in de beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter acht het belang van de veiligheid van de kinderen echter zodanig groot, mede omdat het gaat om jonge kinderen in een kwetsbare positie, dat het college op dit moment daaraan een zwaarder gewicht mag toekennen dan aan de belangen van verzoekster om de gastouderopvang gedurende een tijdelijke periode open te houden. Het door verzoekster voorgestelde toekomstplan maakt niet dat de belangenafweging in haar voordeel uitvalt. De voorzieningenrechter weegt daarbij mee dat verzoekster blijkens haar bericht van 19 juli 2026 niet is verstoken van inkomsten.
Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de uitvoering van het bestreden besluit voor verzoekster geen onevenredig nadeel met zich meebrengt in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang. Hierin bestaat dus ook geen aanleiding om de gevraagde voorlopige voorziening te treffen.

Conclusie en gevolgen

9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Verzoekster krijgt daarom het griffierecht niet terug.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van C.M.A. Groenendaal, griffier, op 24 juli 2026 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet kinderopvang
Artikel 1.49
1. Een houder van een kindercentrum biedt verantwoorde kinderopvang, waaronder wordt verstaan het in een veilige en gezonde omgeving bieden van emotionele veiligheid aan kinderen, het bevorderen van de persoonlijke en sociale competentie van kinderen en de socialisatie van kinderen door overdracht van algemeen aanvaarde waarden en normen.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de in het eerste lid genoemde aspecten van verantwoorde kinderopvang.
3. Een houder van een voorziening voor gastouderopvang biedt verantwoorde gastouderopvang aan waaronder wordt verstaan opvang die bijdraagt aan een goede en gezonde ontwikkeling van het kind in een veilige en gezonde omgeving.
4. Een houder van een gastouderbureau draagt zorg voor een verantwoorde uitvoering van de werkzaamheden van het bureau, waaronder wordt verstaan:
het tot stand brengen en begeleiden van gastouderopvang die bijdraagt aan een goede en gezonde ontwikkeling van het kind in een veilige en gezonde omgeving;
het doorgeleiden van de betalingen van ouders aan gastouders.
Artikel 1.61
1. Het college ziet toe op de naleving van:
de bij of krachtens de artikelen 1.45, derde lid, 1.47, eerste lid, 1.48d, tweede en derde lid, 1.49 tot en met 1.59, 1.60a en 1.60c gestelde regels;
de krachtens artikel 1.65 gegeven aanwijzingen en bevelen; en
de krachtens artikel 1.66, eerste lid, gegeven bevelen tot sluiting dan wel de krachtens artikel 1.66, tweede lid, uitgevaardigde verboden.
(…)
Artikel 1.66
(…)
2. Indien uit een onderzoek als bedoeld in artikel 1.62 of anderszins blijkt dat het kindercentrum, de voorziening voor gastouderopvang of het gastouderbureau naar verwachting niet dan wel niet langer aan de bij of krachtens de artikelen 1.48d, tweede en derde lid, 1.49 tot en met 1.59, 1.60a en 1.60c gegeven voorschriften zal voldoen, kan het college zolang die situatie zich voordoet, de houder verbieden dat kindercentrum, die voorziening voor gastouderopvang of dat gastouderbureau in exploitatie te nemen of te houden.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 april 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1826).