ECLI:NL:RBZWB:2026:6861

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 juli 2026
Publicatiedatum
24 juli 2026
Zaaknummer
02-337229-25, 16-278046-22 (TUL)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 SrArt. 46a SrArt. 47 SrArt. 77i SrArt. 77m Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Jeugddetentie voor medeplegen poging uitlokking brandstichting en ontploffing

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 27 juli 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die samen met anderen heeft geprobeerd een ander uit te lokken tot het plegen van brandstichting en/of het veroorzaken van een ontploffing. De tenlastelegging betrof handelingen in december 2025 in Nederland en Duitsland.

De rechtbank achtte op basis van onder meer een bekennende verklaring en andere bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte medepleegde aan de poging tot uitlokking. De verdediging voerde aan dat er geen sprake was van poging omdat het slachtoffer al een begin van uitvoering had gemaakt, maar de rechtbank verwierp dit en stelde dat het feit onder artikel 46a Sr valt.

De rechtbank oordeelde dat verdachte een aansturende rol had, ondanks zijn stelling dat hij slechts een doorgeefluik was. De ernst van het feit en de maatschappelijke impact van ontploffingen werden benadrukt. Gelet op het advies van de reclassering en de persoonlijke omstandigheden van verdachte werd het jeugdstrafrecht toegepast.

De opgelegde straf bestaat uit een jeugddetentie van 360 dagen, waarvan 239 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar en bijzondere voorwaarden, en een werkstraf van 120 uur. Tevens werd een eerdere voorwaardelijke taakstraf tenuitvoer gelegd wegens overtreding van de proeftijd. De rechtbank gelastte ook de teruggave van een in beslag genomen telefoon.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een jeugddetentie van 360 dagen, waarvan 239 dagen voorwaardelijk, en een werkstraf van 120 uur wegens medeplegen van poging tot uitlokking van brandstichting en ontploffing.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-337229-25, 16-278046-22 (TUL)
vonnis van de meervoudige kamer van 27 juli 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag 1] 2004 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres 1] ,
nu gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting in [plaats 1] ,
raadsman mr. C.C.J. Tuip, advocaat te Amsterdam.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 13 juli 2026, gelijktijdig maar niet gevoegd met de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte] (02-337207-25). Op de zitting hebben de officier van justitie mr. Y.E.Y. Vermeulen en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I van dit vonnis opgenomen. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte, samen met een ander, heeft geprobeerd
[benadeelde] uit te lokken tot het plegen van een brandstichting of het teweegbrengen van een ontploffing.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het ten laste gelegde feit bewezen.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat het medeplegen van de ten laste gelegde handelingen bewezen kunnen worden, omdat verdachte een bekennende verklaring heeft afgelegd. Deze handelingen leveren echter geen poging tot uitlokking op, nu door [benadeelde] al een begin van uitvoering was gemaakt aan het feit, zodat vrijspraak moet volgen.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II van dit vonnis opgenomen.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Op basis van de bewijsmiddelen, waaronder de bekennende verklaring van verdachte, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte, samen met anderen, heeft geprobeerd om [benadeelde] uit te lokken tot het plegen van een brandstichting of het teweegbrengen van een ontploffing. De rechtbank gaat niet mee in het verweer van de verdediging dat geen sprake is van een poging tot uitlokking omdat al een begin van uitvoering was gemaakt.. Hoewel [benadeelde] met een taxi naar [plaats 2] is vertrokken, is hij door zijn vrijwillige terugtred niet tot de uitvoering van brandstichting of ontploffing overgegaan. [benadeelde] heeft op geen wijze een begin van uitvoering gemaakt wat betreft brandstichten of het veroorzaken van een ontploffing, hetgeen ten laste is gelegd. Het slechts naar Duitsland afreizen is hiertoe onvoldoende. Hierdoor is het geplande misdrijf niet voltooid en is evenmin sprake van een strafbare poging daartoe door [benadeelde] . Artikel 46a van het Wetboek van Strafrecht stelt vervolgens juist de situatie strafbaar waarin een verdachte een ander probeert over te halen om een misdrijf te plegen, maar dit misdrijf door die ander uiteindelijk niet daadwerkelijk wordt gepleegd. De handelingen van verdachte vallen hiermee exact onder het bereik van dit artikel.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
in de periode van 3 december 2025 tot en met 4 december 2025 in Nederland,
tezamen en in vereniging met anderen,
heeft gepoogd om een ander, te weten [benadeelde] , door giften en door het verschaffen van gelegenheid, middelen en inlichtingen te bewegen/uit te lokken om een misdrijf, te weten het opzettelijk brand te stichten en/of een ontploffing teweeg brengen (als bedoeld in art. 157 Wetboek Pro van Strafrecht), te begaan door
(via een tussenpersoon)
- die [benadeelde] te benaderen met het verzoek om aan de [adres 2] een brand te stichten en/of een ontploffing teweeg te brengen,
- die [benadeelde] een geldelijke vergoeding in het vooruitzicht te stellen,
- die [benadeelde] inlichtingen te verschaffen over de locatie naar waar die [benadeelde] zich moest begeven,
- die [benadeelde] instructies te geven over de manier waarop die [benadeelde] zich naar de locatie moest begeven,
- een boekingsbevestiging van een taxi te sturen vanaf het woonadres van die [benadeelde] naar voornoemd adres in Duitsland,
- die [benadeelde] instructies te gegeven om de brandstichting en/of ontploffing te filmen en een ruit in te gooien en een Cobra 6 met benzine te combineren.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vindt dat het jeugdstrafrecht van toepassing is en vordert aan verdachte op te leggen een jeugddetentie van 240 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 119 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Aan de proeftijd dienen de door de reclassering geadviseerde voorwaarden te worden gekoppeld.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt om aan verdachte geen hogere onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen dan de tijd die hij al in voorarrest heeft verbleven. De schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte is goed verlopen en hij heeft persoonlijke ontwikkelingen doorgemaakt. Het is van belang dat dit niet wordt doorkruist. Verder dient in het voordeel van verdachte rekening te worden gehouden met zijn proceshouding en de omstandigheid dat hij onder druk is gezet door anderen. Verdachte heeft geen sturende rol gehad in het geheel, maar gaf slechts berichten door, en heeft spijt dat hij geen andere beslissingen heeft durven nemen.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging om de 14-jarige [benadeelde] uit te lokken om een aanslag te plegen bij een lounge in Duitsland. Dit is gebeurd via gesprekken op Snapchat. Verdachte stelt dat hij enkel een doorgeefluik is geweest. Echter blijkt uit het dossier dat hij, net als medeverdachte [medeverdachte] , een aansturende rol heeft gehad. Het is verdachte die inlichtingen heeft gegeven over hoe de aanslag moest plaatsvinden, namelijk met een Cobra 6 en benzine. Daarmee moest [benadeelde] een ontploffing teweegbrengen bij de lounge. Nadat [benadeelde] hier van af heeft gezien, is het verdachte die op Snapchat heeft gezegd dat het huis van [benadeelde] nu de lucht in moet. Dat verdachte dit uitsluitend heeft gedaan omdat hij onder druk is gezet door anderen aan wie hij nog een schuld moest afbetalen, acht de rechtbank niet aannemelijk geworden. Overige berichten in de telefoon van verdachte duiden er veel eerder op dat hij zelf ook al eerder actief is geweest bij het ronselen van ‘soldaten’. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij zo brutaal en gewetenloos heeft gehandeld.
Maar ook als het al waar zou zijn dat verdachte alleen als doorgeefluik heeft gefungeerd, heeft hij daardoor de beoogde aanslagpleger mede aangestuurd. Hij heeft er mede voor gezorgd dat de opdrachten bij de beoogde aanslagpleger terecht kwamen.
Het teweegbrengen van ontploffingen is tegenwoordig aan de orde van de dag en heeft vaak tot doel om personen te intimideren. Dergelijke feiten raken niet alleen de veiligheid van de direct betrokkenen, maar veroorzaken ook gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Verdachte heeft zich om dit alles niet bekommerd.
Ondanks dat verdachte zijn rol naar het oordeel van de rechtbank heeft geminimaliseerd, neemt de rechtbank in zijn voordeel mee dat hij wel heeft verklaard dat hij betrokken is geweest bij de aanslag en dat hij hiervoor zijn verantwoordelijkheid neemt.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 19 juni 2026, waarin wordt geadviseerd om het jeugdstrafrecht toe te passen, omdat genoeg aanwijzingen worden gezien om het adolescenten strafrecht (ASR) toe te passen en omdat er inmiddels sprake is van een goedlopend toezicht bij de jeugdreclassering. De reclassering adviseert om een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen. De reclassering ziet risico’s op het gebied van sociaal netwerk en het psychosociaal functioneren van verdachte en zijn oplossingsvaardigheden, maar ook een pro-criminele houding wordt niet uitgesloten. Er is wel stabiliteit op de gebieden huisvesting, dagbesteding en financiën. Ook staat verdachte open voor behandeling en is het contact met zijn jeugdreclasseringswerker goed. De reclassering ziet een gemotiveerde houding voor gedragsverandering, hoewel nog niet kan worden uitgesloten dat dit sociaal wenselijk is. Het recidiverisico wordt ingeschat als gemiddeld, waardoor een voortzetting van het jeugdreclasseringstoezicht geïndiceerd is.
Gelet op het rapport en advies van de reclassering zal de rechtbank het jeugdstrafrecht toepassen.
Terwijl de proceshouding en de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] van elkaar verschillen, hebben zij feitelijk een vergelijkbare, aansturende rol gehad bij het plegen van het feit. Dit maakt dat de rechtbank het noodzakelijk vindt om de straffen van verdachte en deze medeverdachte wat meer met elkaar in balans te brengen.
Gelet op de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat in beginsel alleen een onvoorwaardelijke jeugddetentie passend is. Anderzijds wil de rechtbank het toezicht van de jeugdreclassering niet doorkruisen.
Alles afwegende, kiest de rechtbank er in dit geval voor om het grootste deel van de jeugddetentie die de rechtbank passend vindt voorwaardelijk op te leggen. Omdat met een onvoorwaardelijke jeugddetentie van 121 dagen naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht is gedaan aan de ernst van het feit en de rol van verdachte, zal de rechtbank daarnaast een taakstraf opleggen.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een jeugddetentie van 360 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 239 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar passend en geboden is. Zij legt dit aan verdachte op. Aan de proeftijd worden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden gekoppeld. Om de ernst van het feit te benadrukken wordt aan verdachte ook nog een taakstraf van 120 uur opgelegd.

7.Het beslag

7.1
De teruggave aan verdachte
Onder verdachte is een telefoon (goednummer PL2000-2025329100-2939158) in beslag genomen. Aangezien die telefoon niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer, zal de rechtbank de teruggave ervan aan verdachte gelasten.

8.De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke straf, zijnde een taakstraf van 40 uur die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van 24 maart 2025, ten uitvoer zal worden gelegd.
De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

9.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 45, 46a, 47, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z 77aa en 157 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
medeplegen van poging om een ander te bewegen om opzettelijk brand te stichten
en/of een ontploffing teweeg te brengen;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
Jeugddetentie
- veroordeelt verdachte tot
een jeugddetentie van 360 dagen, waarvan 239 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar;
- bepaalt dat deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd na te melden voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als
bijzondere voorwaarden:
1. dat verdachte meewerkt aan het toezicht door de jeugdreclassering en meldt zich op afspraken met de jeugdreclassering zo vaak de jeugdreclassering dat nodig vindt.
2. dat verdachte gedurende de proeftijd diagnostiek en daaruit voortvloeiende behandeling laat uitvoeren door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De diagnostiek dient zich te richten op de persoonlijkheid en het IQ, en de daaruit voortvloeiende behandeling dient gericht te zijn op het terugkerend patroon van onvoldoende inzicht in oorzaak en gevolg, naïviteit, passiviteit en het maken van ondoordachte keuzes. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Indien geadviseerd door De Waag laat verdachte zich aansluitend of parallel met de behandeling begeleiden door ambulante begeleiding;
3. dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zoekt of heeft met de medeverdachte [medeverdachte] , geboren op [geboortedag 2] 2004 te [geboorteplaats] ;
4. dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
5. dat verdachte medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, de medewerking van huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- draagt gecertificeerde instelling SAVE Jeugdreclassering op
toezicht te houdenop de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie;
Werkstraf
- veroordeelt verdachte tot
een werkstraf van 120 uren;
- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht,
vervangende jeugddetentiezal worden toegepast van
60 dagen;
Beslag
-
gelast de teruggave aan verdachtevan de inbeslaggenomen voorwerp, te weten:
een telefoon (goednummer PL2000-2025329100-2939158);
Vordering tenuitvoerlegging
- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis van 24 maart 2025 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 16-278046-22
ten uitvoer zal worden gelegd, te weten de
taakstraf van 40 uren.
Heft op het geschorste bevel gevangenhouding.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.J. Kok, voorzitter, mr. W.A.H.A. Schnitzler-Strijbos en mr. M.E.I. Beudeker, rechters, in tegenwoordigheid van K. van Rijs, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 27 juli 2026.
De voorzitter, oudste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
De tenlastelegging
hij in of omstreeks de periode van 3 december 2025 tot en met 4 december 2025 te [plaats 3] en/of Tilburg en/of Udenhout, in elk geval in Nederland, en/of te [plaats 2] , in elk geval in Duitsland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
heeft gepoogd om
een ander, te weten [benadeelde] ,
door giften, beloften, misbruik van gezag, geweld, bedreiging, misleiding of door het verschaffen van gelegenheid, middelen en/of inlichtingen
te bewegen/uit te lokken
om een misdrijf, te weten het opzettelijk brand te stichten en/of een ontploffing teweeg brengen (als bedoeld in art. 157 Wetboek Pro van Strafrecht), te begaan
door
al dan niet via een tussenpersoon
- die [benadeelde] te benaderen met het verzoek om aan de [adres 2] een brand te stichten en/of een ontploffing teweeg te brengen,
- die [benadeelde] een geldelijke vergoeding in het vooruitzicht te stellen,
- die [benadeelde] inlichtingen te verschaffen over de locatie naar waar die [benadeelde] zich moest begeven,
- die [benadeelde] instructies te geven over de manier waarop die [benadeelde] zich naar de locatie moest begeven,
- een boekingsbevestiging van een taxi te sturen vanaf het woonadres van die [benadeelde] naar voornoemd adres in Duitsland,
- die [benadeelde] instructies te gegeven om de brandstichting en/of ontploffing te filmen en/of een ruit in te gooien en/of een Cobra 6 met benzine te combineren en/of
- na te vragen en/of te controleren of uitvoering is gegeven aan de instructies;
(at. 46a jo. 47 lid 1 sub 2 jo. 157 Wetboek van Strafrecht).