Uitspraak
Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek op de terechtzitting
2.De tenlastelegging
feit 2:opzettelijk de auto van [slachtoffer 2] heeft vernield.
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
verdachtede schutter was, kan onder omstandigheden voldoende zijn, maar is in onderhavig geval onvoldoende concreet. [slachtoffer 1] is niet uit eigen beweging naar de politie gegaan en de politie heeft bij [slachtoffer 1] bovendien onvoldoende concreet doorgevraagd, waardoor zijn (summiere) verklaring te weinig steun vindt in andere bewijsmiddelen. Wat [slachtoffer 1] heeft verklaard tegenover de politie verhoudt zich bovendien niet tot wat hij in zijn slachtofferverklaring heeft verteld. Daaruit blijkt een andere gang van zaken als het gaat om cruciale details, het wel of niet zien dat verdachte daadwerkelijk heeft geschoten en het wel of niet meteen bemerken dat hij was geraakt met een of meer kogels en het zien waar hij was geraakt (enkel/rug). Nu de gebeurtenissen waarover [slachtoffer 1] heeft verklaard wel in grote lijnen overeenkomstig de camerabeelden zijn, gaat de rechtbank er overigens wel van uit dat hij degene is die is beschoten, ondanks dat zij [slachtoffer 1] niet kan herkennen op de camerabeelden.
5.De benadeelde partij
6.Beslissing
spreekt verdachte vrijvan de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten;
[slachtoffer 1] niet-ontvankelijkin de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;