ECLI:NL:RBZWB:2026:69

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
BRE 25/3031 en 25/3032
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van beroepen tegen naheffingsaanslagen omzetbelasting in faillissementscontext

Op 9 januari 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in de zaken BRE 25/3031 en 25/3032, waarbij de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de bestreden uitspraken op bezwaar van de inspecteur van de Belastingdienst niet-ontvankelijk heeft verklaard. De beroepen betroffen naheffingsaanslagen omzetbelasting voor de tijdvakken van 1 december 2024 tot en met 31 januari 2025. De rechtbank heeft vastgesteld dat de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk zijn, waardoor zij zonder zitting uitspraak kon doen op basis van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De rechtbank ontving op 1 oktober 2025 een brief waarin werd meegedeeld dat verschillende B.V.'s, waaronder [B.V. 1], failliet waren verklaard. De curator werd benoemd en de rechtbank verzocht de curator om aan te geven of hij de procedures wilde overnemen. De curator heeft echter laten weten de procedures niet te willen voortzetten. De inspecteur heeft vervolgens verzocht om ontslag van instantie.

Aangezien de curator niet heeft aangegeven de procedures te willen voortzetten, heeft de rechtbank geoordeeld dat de beroepen van belanghebbende niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn op de hoogte gesteld van de beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 25/3031 en 25/3032

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 januari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende 1] , [belanghebbende 2], uit [plaats], belanghebbende
(gemachtigde: mr. R. Jeronimus),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over de beroepen van belanghebbende tegen de bestreden uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 9 mei 2025. De beroepen zien op de naheffingsaanslagen omzetbelasting over de tijdvakken 1 december 2024 tot en met 31 december 2024 en 1 januari 2025 tot en met 31 januari 2025 met aanslagnummers [aanslagnummer 1] F.01.4120 en [aanslagnummer 2] F.01.5010.
1.1.
Omdat de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk zijn, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank heeft op 1 oktober 2025 een brief ontvangen met de mededeling dat [B.V. 1] op 9 september 2025 bij vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant failliet is verklaard en [B.V. 2] ; [B.V. 3] en [B.V. 4] op 16 september 2025 bij vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant failliet zijn verklaard en [B.V. 5] op 17 september 2025 bij vonnis van de rechtbank Limburg failliet is verklaard, waarbij mr. E. van der Kolk tot curator is benoemd.
2.1.
Artikel 8:22 van de Awb bepaalt dat in geval van faillissement of surséance van betaling of toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijk personen, artikel 27 van de Faillissementswet (Fw) van overeenkomstige toepassing is.
2.2.
Artikel 27, eerste lid, van de Fw bepaalt dat, indien de rechtsvordering tijdens de faillietverklaring aanhangig en door de schuldenaar ingesteld is, het geding ten verzoeke van de gedaagde geschorst wordt, ten einde deze gelegenheid te geven binnen een door de rechter te bepalen termijn, de curator tot overneming van het geding op te roepen. Artikel 27, tweede lid, van de Fw bepaalt dat indien de curator aan die oproeping geen gevolg geeft, de gedaagde het recht heeft om ontslag van de instantie te vragen. Artikel 27 van de Fw vindt geen toepassing, indien partijen vóór de faillietverklaring zijn uitgenodigd om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen.
2.3.
Partijen zijn niet vóór de faillietverklaring uitgenodigd om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen. Bij brief van 14 oktober 2025 heeft de rechtbank de curator van belanghebbende verzocht om aan te geven of hij de procedures wenst over te nemen.
2.4.
De curator heeft de rechtbank bij brief van 21 oktober 2025 laten weten dat hij onderhavige procedures niet wenst over te nemen.
2.5.
Bij brief van 8 december 2025 heeft de inspecteur verzocht om ontslag van instantie.
2.6.
Nu de curator niet heeft aangegeven de procedures te willen voortzetten is de rechtbank van oordeel van de beroepen van belanghebbende, gezien het verzoek om ontslag van instantie, kennelijk niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard.
2.7.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H.W. Steijn, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 9 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.