ECLI:NL:RBZWB:2026:6943

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 juli 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
02-337207-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 46a SrArt. 47 SrArt. 157 SrArt. 6:2:10 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Medeplegen poging uitlokking brandstichting en ontploffing in Duitsland

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 27 juli 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die samen met anderen heeft geprobeerd een ander te bewegen tot het plegen van brandstichting en/of het veroorzaken van een ontploffing in Duitsland.

De zaak draaide om chatberichten via Snapchat waarin verdachte een aansturende rol had bij het plannen van de aanslag. Uit het bewijs, waaronder telefoononderzoek en verklaringen, bleek dat verdachte het Snapchat-account gebruikte waarmee instructies werden gegeven en een taxi werd geboekt voor de beoogde dader. De aanslag is uiteindelijk niet uitgevoerd omdat de beoogde dader zich op het laatste moment bedacht.

De rechtbank oordeelde dat verdachte medepleger is van de poging tot uitlokking van het misdrijf. Gezien de ernst van het feit, de ontkenning door verdachte en zijn ongeloofwaardige verklaring, legde de rechtbank een gevangenisstraf van 18 maanden op, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. De straf is lager dan de eis van 24 maanden vanwege de persoonlijke omstandigheden en proceshouding van verdachte.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-337207-25
vonnis van de meervoudige kamer van 27 juli 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2004 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonadres] ,
nu gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting in [plaats 1] ,
raadsman mr. E.G.S. Roethof, advocaat te Amsterdam.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 13 juli 2026, gelijktijdig maar niet gevoegd met de zaak tegen [medeverdachte 1] (02-337229-25). Op de zitting hebben de officier van justitie mr. Y.E.Y. Vermeulen en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I van dit vonnis opgenomen. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte, samen met een ander, heeft geprobeerd
[benadeelde] uit te lokken tot het plegen van een brandstichting of het teweegbrengen van een ontploffing.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het ten laste gelegde feit bewezen.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit vrijspraak. Er kan niet worden bewezen dat verdachte de gebruiker is geweest van het Snapchat-account ‘ [account 1] ’ en dat hij belastende berichten heeft gestuurd. Indien de rechtbank dit wel bewezen acht, is dit onvoldoende voor het medeplegen van een poging tot uitlokking van brandstichting of het teweegbrengen van een ontploffing.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II van dit vonnis opgenomen.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat [benadeelde] in de nacht van 3 op 4 december 2025 in Duitsland is geweest om een aanslag te plegen bij een bedrijf, doormiddel van het naar binnen gooien van een explosief of het daar te plaatsen. Dit is niet gebeurd, omdat [benadeelde] daar op het laatste moment vanaf heeft gezien. De opdracht om deze aanslag te plegen is aan hem gegeven op Snapchat door [medeverdachte 2] (Snapchat-account ‘ [account 2] ’). Uit de telefoon van [medeverdachte 2] blijkt dat er nog twee andere Snapchat-accounts betrokken zijn bij het aansturen van de beoogde aanslagpleger. Dat zijn de accounts ‘ [account 3] ’ (met schermnaam ‘ [schermnaam 1] ’) en ‘ [account 1] ’ (met schermnaam ' [schermnaam 2] ’).
[medeverdachte 1] heeft bij de politie verklaard dat hij de gebruiker is geweest van het Snapchat-account ‘ [schermnaam 1] ’ en dat hij inderdaad instructies heeft (door)gegeven voor het plegen van een aanslag in Duitsland.
De rechtbank stelt vast dat verdachte de gebruiker is geweest van het andere Snapchat-account. Zij overweegt daartoe als volgt.
Door ‘ [schermnaam 2] ’ wordt meermaals het IP-adres gebruikt dat hoort bij het [adres 1] . Verdachte staat weliswaar ingeschreven op het [woonadres] , maar heeft zelf verklaard dat hij verblijft op [nummer] . Op dit adres is verdachte ook op de zolder aangehouden. Op die zolder is op het bed onder meer een iPhone 12 aangetroffen, die toen aanstond. Op die iPhone 12 is te zien dat op de app Snapchat niet alleen ingelogd is met het Snapchat-account ‘ [schermnaam 2] ’, maar ook met het account waarvan verdachte zegt dat hij dat gebruikt: ‘ [account 4] ’. Deze telefoon is gekoppeld aan het Apple ID [emailadres] . Verder staan op deze telefoon diverse e-mails gericht aan verdachte. De laatste e-mail is van 17 november 2025, gericht aan verdachte, waarin staat dat een bestelling wordt bezorgd op het [adres 1] . Bovendien zijn op de telefoon verschillende lopende chatgesprekken gevonden. Verdachte heeft verklaard dat hij het Snapchat-account ‘ [schermnaam 2] ’ en de iPhone 12 niet meer gebruikte en dat er andere mensen in de woning kwamen die gebruik konden maken van de telefoon, maar dat is, gelet op de plek waarop de telefoon is aangetroffen en de persoonsgebonden informatie die is aangetroffen in die telefoon, niet geloofwaardig.
Verdachte is dus de gebruiker van de iPhone 12 en het Snapchat-account ‘ [schermnaam 2] ’. Daarop zijn berichten aangetroffen die zien op het aansturen van de aanslag in Duitsland. Verdachte is degene die een boeking van een taxi voor [benadeelde] stuurt in een groeps-chat met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Ook is het verdachte die heeft aangegeven dat [medeverdachte 2] iedereen op de hoogte moet houden over de aanslag. [medeverdachte 1] heeft vervolgens instructies gestuurd over hoe de aanslag moet worden gepleegd en meldt dat [medeverdachte 2] hier al voor heeft betaald. Met deze chats is [benadeelde] uitgelokt om de aanslag te plegen. Dat het bij een poging hiertoe is gebleven, is niet aan verdachte of zijn medeverdachte te danken, maar aan [benadeelde] die zich op het nippertje heeft bedacht. Uit de chats volgt ook dat het huis van [benadeelde] de lucht in moest gaan, omdat de aanslag niet door hem is uitgevoerd.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben (in elk geval) verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] samengewerkt in de poging om [benadeelde] uit te lokken om de aanslag in Duitsland te plegen. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze samenwerking worden aangemerkt als medeplegen omdat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking, waarbij de rollen van verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] van voldoende (materieel en intellectueel) gewicht zijn. Zij hebben samen aan de chatgesprekken deelgenomen en hebben ieder berichten gestuurd die zien op het aansturen van de aanslag. Zij zijn hiermee allemaal een wezenlijke schakel in het geheel geweest, dat uiteindelijk ertoe heeft geleid dat [benadeelde] naar Duitsland is afgereisd.
Concluderend is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte, samen met anderen, heeft gepoogd om [benadeelde] te bewegen om opzettelijk brand te stichten en/of een ontploffing teweeg te brengen.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
in de periode van 3 december 2025 tot en met 4 december 2025 in Nederland,
tezamen en in vereniging met anderen,
heeft gepoogd om
een ander, te weten [benadeelde] ,
door giften en en door het verschaffen van gelegenheid, middelen en inlichtingen
te bewegen/uit te lokken
om een misdrijf, te weten het opzettelijk brand te stichten en/of een ontploffing teweeg brengen (als bedoeld in art. 157 Wetboek Pro van Strafrecht), te begaan
door
(via een tussenpersoon)
- die [benadeelde] te benaderen met het verzoek om aan de [adres 2] een brand te stichten en/of een ontploffing teweeg te brengen,
- die [benadeelde] een geldelijke vergoeding in het vooruitzicht te stellen,
- die [benadeelde] inlichtingen te verschaffen over de locatie naar waar die [benadeelde] zich moest begeven,
- die [benadeelde] instructies te geven over de manier waarop die [benadeelde] zich naar de locatie moest begeven,
- een boekingsbevestiging van een taxi te sturen vanaf het woonadres van die [benadeelde] naar voornoemd adres in Duitsland,
- die [benadeelde] instructies te gegeven om de brandstichting en/of ontploffing te filmen en een ruit in te gooien en een Cobra 6 met benzine te combineren.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van het voorarrest.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat de eis van de officier van justitie te hoog is, gelet op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Bovendien is er een groot verschil met de straf die is gevorderd in de zaak van de medeverdachte. Verdachte wil graag een kans krijgen om zijn schoolopleiding af te maken.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging om de 14-jarige [benadeelde] uit te lokken om een aanslag te plegen bij een lounge in Duitsland. Dit is gebeurd via gesprekken op Snapchat, waarbij verdachte een aansturende rol heeft gehad. Er werden inlichtingen gegeven over hoe de aanslag moest plaatsvinden. [benadeelde] moest een Cobra 6 mengen met benzine en daarmee een ontploffing teweegbrengen. Door verdachte is een taxibevestiging gestuurd. [benadeelde] is ook naar Duitsland afgereisd, maar heeft zich op het laatste moment bedacht en heeft gelukkig de aanslag niet gepleegd. Dit werd hem echter niet in dank afgenomen. Op Snapchat is immers vervolgens besproken dat het huis van [benadeelde] de lucht in moest, nu hij de aanslag niet heeft gepleegd.
Het teweegbrengen van ontploffingen is tegenwoordig aan de orde van de dag en heeft vaak tot doel om personen te intimideren. Dergelijke feiten raken niet alleen de veiligheid van de direct betrokkenen, maar veroorzaken ook gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Verdachte heeft zich om dit alles niet bekommerd.
De rechtbank neemt ook in aanmerking dat verdachte zijn betrokkenheid bij dit feit ontkent en daarover een ongeloofwaardige verklaring heeft afgelegd en aldus geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn aandeel in deze zaak.
Verder heeft de rechtbank het reclasseringsrapport van 2 februari 2026 gelezen, waarin wordt geadviseerd om het volwassenenstrafrecht toe te passen. De reclassering kan vanwege de proceshouding van verdachte niet bepalen wat de delictgerelateerde factoren zijn, maar denkt wel dat deze gelegen zijn op de gebieden financiën, sociaal netwerk, psychosociaal functioneren en houding.
Gezien de ernst van het feit kan de rechtbank niet anders dan een gevangenisstraf opleggen. Hoewel de proceshouding en de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de [medeverdachte 1] van elkaar verschillen, hebben zij een vergelijkbare, aansturende rol gehad bij het plegen van het feit. Dit maakt dat de rechtbank het noodzakelijk vindt om de straffen van verdachte en deze medeverdachte wat meer met elkaar in balans te brengen. Verschil is wel dat bij de medeverdachte het adolescentenstrafrecht wordt toegepast en zijn proceshouding anders was waardoor een heel hulpverleningstraject al is gestart. De rechtbank zal daarom aan verdachte een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is geëist. Een deel van de gevangenisstraf zal voorwaardelijk opgelegd worden. Daarmee wil de rechtbank de nog jonge verdachte ervan weerhouden om opnieuw een strafbaar feit te plegen.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 18 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar passend en geboden. Zij legt dit dan ook aan verdachte op. Gelet op het rapport en advies van de reclassering zal de rechtbank geen bijzondere voorwaarden opleggen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

7.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 46a, 47 en 157 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
medeplegen van poging om een ander te bewegen om opzettelijk brand te stichten
en/of een ontploffing teweeg te brengen;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.J. Kok, voorzitter, mr. W.A.H.A. Schnitzler-Strijbos en mr. M.E.I. Beudeker, rechters, in tegenwoordigheid van K. van Rijs, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 27 juli 2026.
De voorzitter, oudste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen
Bijlage I
De tenlastelegging
hij in of omstreeks de periode van 3 december 2025 tot en met 4 december 2025 te [plaats 2] en/of Tilburg en/of Udenhout, in elk geval in Nederland, en/of te [plaats 3] , in elk geval in Duitsland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
heeft gepoogd om
een ander, te weten [benadeelde] ,
door giften, beloften, misbruik van gezag, geweld, bedreiging, misleiding of door het verschaffen van gelegenheid, middelen en/of inlichtingen
te bewegen/uit te lokken
om een misdrijf, te weten het opzettelijk brand te stichten en/of een ontploffing teweeg brengen (als bedoeld in art. 157 Wetboek Pro van Strafrecht), te begaan
door
al dan niet via een tussenpersoon
- die [benadeelde] te benaderen met het verzoek om aan de [adres 2] een brand te stichten en/of een ontploffing teweeg te brengen,
- die [benadeelde] een geldelijke vergoeding in het vooruitzicht te stellen,
- die [benadeelde] inlichtingen te verschaffen over de locatie naar waar die [benadeelde] zich moest begeven,
- die [benadeelde] instructies te geven over de manier waarop die [benadeelde] zich naar de locatie moest begeven,
- een boekingsbevestiging van een taxi te sturen vanaf het woonadres van die [benadeelde] naar voornoemd adres in Duitsland,
- die [benadeelde] instructies te gegeven om de brandstichting en/of ontploffing te filmen en/of een ruit in te gooien en/of een Cobra 6 met benzine te combineren en/of
- na te vragen en/of te controleren of uitvoering is gegeven aan de instructies;
(at. 46a jo. 47 lid 1 sub 2 jo. 157 Wetboek van Strafrecht).