ECLI:NL:RBZWB:2026:6983

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 juli 2026
Publicatiedatum
29 juli 2026
Zaaknummer
02-277067-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77s SrArt. 77gg Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling minderjarige voor opzetaanranding en poging met onvoorwaardelijke PIJ-maatregel

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 29 juli 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen een minderjarige verdachte geboren in 2008, die zich op 15 oktober 2025 schuldig maakte aan opzetaanranding en poging tot opzetaanranding van een slachtoffer in Noord-Beveland. De verdachte betastte onverhoeds de beklede billen en probeerde de beklede borsten van het slachtoffer aan te raken. De rechtbank achtte deze feiten wettig en overtuigend bewezen op basis van een bekennende verklaring en het proces-verbaal van aangifte.

De rechtbank nam kennis van deskundigenrapporten waaruit bleek dat de verdachte leed aan een borderline persoonlijkheidsstoornis en zwakbegaafdheid, met een ernstig verstoord ontwikkelingsprofiel en een hoog recidivegevaar. De gedragsdeskundigen adviseerden een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel vanwege de noodzaak van een langdurige, intensieve behandeling in een hoogbeveiligde setting, omdat de verdachte niet in staat is zich duurzaam aan behandeling te committeren.

De rechtbank volgde dit advies en legde een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op voor de duur van drie jaar, met mogelijkheid tot verlenging tot maximaal zeven jaar. Er werd geen jeugddetentie opgelegd omdat de PIJ-maatregel al een langdurige vrijheidsbeneming inhoudt en de nadruk moet liggen op behandeling om herhaling te voorkomen. De verdachte werd strafbaar verklaard en vrijgesproken van overige tenlastegelegde feiten.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld voor opzetaanranding en poging met oplegging van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel van drie jaar wegens ernstige persoonlijkheidsstoornis en hoog recidivegevaar.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02-277067-25
Vonnis (vul parketnummer in)van de meervoudige kamer van 29 juli 2026
in de strafzaak tegen de minderjarige
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2008 te [geboorteplaats] ,
preventief gedetineerd in de RJJI [detentieadres] ,
raadsman mr. M.C.J. Heinen, advocaat te Roosendaal.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zitting van 15 juli 2026, waarbij de officier van justitie mr. J. Verschuren en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging.

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich op 15 oktober 2025 te [plaats] , gemeente Noord-Beveland schuldig heeft gemaakt aan
opzet- dan wel schuldaanranding door de (beklede) billen van [slachtoffer] aan te raken;
een poging tot opzetaanranding door de (beklede) borsten van [slachtoffer] te proberen aan te raken.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft het bewijs.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
Aangezien verdachte ten aanzien van de feiten 1 en 2 een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank acht de feiten wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 15 juli 2026;
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 17 oktober 2025.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
op 15 oktober 2025 te [plaats] , gemeente Noord-Beveland, met [slachtoffer] seksuele handelingen heeft verricht, te weten het onverhoeds beetpakken van de beklede billen van die [slachtoffer] , terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak;
2
op 15 oktober 2025 te [plaats] , gemeente Noord-Beveland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met [slachtoffer] seksuele handelingen te verrichten
, terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak,die [slachtoffer] onverhoeds bij de beklede borsten
heeft geprobeerd beet te pakken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert een jeugddetentie voor de duur van twee weken, met aftrek van voorarrest, en een onvoorwaardelijke plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel). Hij volgt de conclusies van de deskundigen en acht verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt om verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren en verzoekt daarnaast om bij het bepalen van de strafoplegging rekening te houden met het blanco strafblad van verdachte, met de ondergane voorlopige hechtenis en met de inhoud van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 16 juni 2026. De verdediging benadrukt dat, indien een PIJ-maatregel wordt opgelegd, een snelle start daarvan essentieel is.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetaanranding van aangeefster en aan een poging daartoe. Hij heeft aangeefster op de openbare weg op klaarlichte dag onverhoeds vastgepakt bij haar beklede billen en vervolgens geprobeerd haar beklede borsten beet te pakken. De rechtbank is van oordeel dat dit ernstige feiten betreffen waarmee verdachte de lichamelijke integriteit van aangeefster heeft aangetast. Uit haar aangifte blijkt dat zij erg geschrokken en bang was door het handelen van verdachte.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte. Hieruit volgt dat hij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
Verder heeft de rechtbank acht geslagen op de rapporten die zijn opgemaakt over verdachte.
Rapport [observatieafdeling]
Uit het rapport over het klinisch multidisciplinair onderzoek van 22 april 2026 dat is verricht op de [observatieafdeling] door de kinder- en [de jeugdpsychiater] en psycholoog [de psycholoog] , volgt dat bij verdachte sprake is van een ernstig en structureel verstoord ontwikkelingsprofiel met diepgaande beperkingen in het functioneren. Dit wordt geclassificeerd als een borderline persoonlijkheidsstoornis en als zwakbegaafdheid. Door zijn levensgeschiedenis, waarbij het hem aan iedere vorm van basisveiligheid heeft ontbroken, is sprake van een ernstig verstoorde hechtingsontwikkeling die gevolgen heeft gehad voor zijn sociaal-emotionele ontwikkeling. Verdachte is in de basis ernstig beschadigd geraakt, waardoor een adequate differentiatie van het gevoelsleven en regulatie van impulsen en basale angsten niet tot stand is gekomen. Gevoelens van nabijheid en lust (seks) en onlust (agressie), de primaire driften, zijn ongedifferentieerd gebleven. Hierdoor is er vermoedelijk sprake van een vermenging van agressie en seksualiteit, waarbij boosheid seksuele opwinding kan oproepen en omgekeerd. Het seksueel grensoverschrijdende gedrag van verdachte kan dan ook vanuit dit perspectief worden begrepen. Verdachte ervaart structureel verhoogde spanning als gevolg van zijn onveilige basis. Verdachte geeft aan dat seksualiteit voor hem een rustgevende en spanningsregulerende werking heeft. Ervan uitgaande dat agressieve spanning kan worden omgezet in seksuele opwinding, kunnen daadwerkelijke seksuele gedragingen leiden tot een ontlading van deze spanning.
De borderline persoonlijkheidsstoornis uit zich in een sterk wisselend zelfbeeld, in instabiele
interpersoonlijke relaties en in beperkte zelfcontrole. De kerncognities en beperkingen in de regulerende functies van verdachte zijn inmiddels hardnekkig gebleken en diepgeworteld. Het geheel is zo verweven met zijn denken en handelen, dat in classificerende zin gesproken dient te worden van een persoonlijkheidsstoornis. Hoewel zijn intelligentie op een zwakbegaafd niveau werd getest, zijn er geen aanwijzingen dat verdachte daardoor een forensisch relevante beperking ondervindt. Het middelengebruik van verdachte wordt als zorgelijk gezien omdat die tot verdere ontremming van zijn gedrag kan leiden.
De problematiek en beperkingen van verdachte waren aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde en beïnvloedden de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte. Ondanks dat er geen sluitend delictscenario tot stand is gekomen omdat het ontbreekt aan een betrouwbaar zicht op de emotionele binnenwereld van verdachte en daarmee op zijn motieven en drijfveren, kan wel worden vastgesteld dat het ten tijde van de feiten niet goed ging met verdachte. De disfuncties van verdachte maken het voorstelbaar dat hij wederom in boze en gespannen staat verkeerde en dat hij op zoek was naar spanningsregulatie. Door zijn problematiek was verdachte minder goed in staat zijn impulsen te beheersen en vertoonde hij seksueel grensoverschrijdend gedrag. Bijkomend had het beperkte empathisch en invoelend vermogen ook geen remmende invloed op het gedrag. De beperkingen die voortkomen uit de persoonlijkheidsstoornis hebben een significante rol gespeeld bij verdachte in het bepalen van zijn gedragskeuzes. Hij was in belangrijke mate niet keuzevrij in zijn handelen. Geadviseerd wordt om de feiten in een sterk verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
Het recidivegevaar wordt als hoog aangemerkt als gevolg van de gebrekkige impulscontrole, de gebrekkige (emotie)regulerende functies en de gebrekkige differentiatie tussen het seksuele en agressieve driftleven. Het ontbreekt verdachte aan gezonde copingsvaardigheden om met zijn spanningen om te kunnen gaan, terwijl spanningen juist snel bij hem oplopen in verscheidene situaties en interacties. Seksualiteit is voor verdachte een inadequate manier om zijn spanning te reguleren. Verdachte is vanwege zijn problematiek kwetsbaar voor ontregeling. In een gestructureerde omgeving is zijn gedrag redelijk goed hanteerbaar. Wanneer hij zich zonder begeleiding in een meer vrije omgeving zou bevinden, is het risico op ontregeling onmiddellijk groot. Het risico op nieuw delict- gedrag neemt (op seksueel vlak) direct toe. Vanwege de seksuele drang, het vertekende beeld dat verdachte heeft van seksualiteit, de geconstateerde ontremming op seksueel vlak en het ontbreken van inzicht en berouw, wordt het risico op een nieuw seksueel delict, evenals het algemene recidiverisico, als hoog ingeschat.
Om het hoge recidivegevaar af te wenden is een intensieve behandeling noodzakelijk. Verdachte heeft langdurige holding nodig om een nieuwe veilige basis te kunnen opbouwen. De behandeling moet gericht zijn op het leren differentiëren van zijn gevoelsleven, het leren herkennen en leren reguleren van de eigen emoties en spanningen, het ontwikkelen van een
eigen adequate (seksuele) identiteit en adequaat zelfgevoel, met aandacht voor het aanleren
van copingsvaardigheden. Nadere (proces)diagnostiek is noodzakelijk, in het bijzonder met
betrekking tot seksualiteit, eventueel zodat daar vervolgens een specifieke behandeling op gericht kan worden en er kan worden gestart met de delictanalyse. De complexe persoonlijkheidsproblematiek, vermengd met de seksuele problematiek, noopt tot een behandeling in een setting met ruime expertise op het gebied van seksuele delicten. Gezien de complexiteit van de psychopathologie zal de te verwachten behandelduur lang zijn. Verdachte dient in eerste instantie te worden behandeld op een afdeling met gespecialiseerde psychiatrische behandelmogelijkheden met hoog beveiligingsniveau. Er is weliswaar enig ziektebesef, maar geen ziekte-inzicht en het is zeer waarschijnlijk dat hij zich zal onttrekken als het hem te zwaar wordt. Verdachte wordt geenszins in staat geacht zich duurzaam aan (intensieve) behandeling te kunnen committeren. Een behandeling binnen een voorwaardelijk kader wordt als onvoldoende toereikend verondersteld.
De ernstige psychopathologie, de noodzaak voor een langdurige behandeling, het hoge risico op herhaling van gelijksoortige strafbare gedragingen en het ontbreken van inzicht in de zeer ernstige psychopathologie, geven aanleiding tot het adviseren van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. De behandeling is op geen enkele andere manier vorm te geven binnen een ander dan een onvoorwaardelijk kader. Plaatsing binnen een justitiële jeugdinrichting wordt dus als het meest passend gezien.
Rapport Raad voor de Kinderbescherming
Uit het rapport van de Raad van 16 juni 2026 volgt dat de Raad achter de bevindingen en het daaropvolgende advies van [observatieafdeling] staat om verdachte een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. Er wordt voldaan aan de gronden voor het opleggen van deze maatregel, gelet op de ernstige zorgen over de ontwikkeling van verdachte, zijn geestelijke gesteldheid en de feiten waarvan hij wordt verdacht. Verdachte wordt gezien als een bedreiging voor de algehele veiligheid van anderen als hij niet de noodzakelijke behandeling krijgt.
Het recidiverisico wordt als zeer hoog ingeschat. Een langdurige, intensieve psychische behandeling wordt noodzakelijk geacht om de kans op een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte mogelijk te maken en om daarmee het recidiverisico te beperken. Een voorwaardelijke PIJ-maatregel wordt niet als voldoende toereikend gezien, omdat verdachte niet in staat wordt geacht zich duurzaam aan een (intensieve) behandeling te kunnen committeren. Hij heeft geen ziekte-inzicht en is in het verleden ook vaak weggelopen bij instellingen waar hij verbleef.
De Raad vermoedt dat de vastgestelde problematiek maakt dat het committeren aan een langdurige behandeling binnen een voorwaardelijk kader niet mogelijk lijkt, maar dat hij moet worden behandeld op een afdeling met gespecialiseerde psychiatrische behandelmogelijkheden met een hoog beveiligingsniveau. De Raad ziet als risico van een voorwaardelijke PIJ-maatregel dat, indien het verdachte niet lukt om zich aan de voorwaarden te houden, er zeer lang tijd overheen zal gaan voordat de nodige behandeling gecontinueerd kan worden. Dit terwijl de mogelijkheden tot een verandering in gedrag, door de plasticiteit van de hersenen en ingesleten patronen en persoonlijkheid, moeilijker worden naarmate de tijd verstrijkt. Vanwege de complexe psychopathologie, waarvoor een langdurige, intramurale behandeling nodig is, is een gedragsbeïnvloedende maatregel niet toereikend. Jeugddetentie is niet passend omdat verdachte al geruime tijd in detentie zit en het noodzakelijk is dat hij zo snel mogelijk gaat starten met zijn behandeling. De Raad adviseert daarom om verdachte een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen, omdat hiermee een intensieve, lange behandeling die verdachte nodig heeft, gewaarborgd is.
Verminderde toerekenbaarheid
De psychiater en de psycholoog hebben geadviseerd om de feiten in (sterk) verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank neemt de conclusie van de deskundigen ten aanzien van de toerekenbaarheid over. Dat betekent dat de rechtbank de feiten in (sterk) verminderde mate aan verdachte toerekent.
PIJ-maatregel
Om een PIJ-maatregel op te kunnen leggen, moet zijn voldaan aan de verschillende voorwaarden die in artikel 77s van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) zijn genoemd. Er moet sprake zijn van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis bij de verdachte ten tijde van het begaan van het misdrijf. Het feit waarvoor de maatregel wordt opgelegd, moet een misdrijf zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld of een misdrijf dat is genoemd in artikel 77s, eerste lid, onder a Sr. Verder moet de veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel eisen. Ten slotte dient de maatregel in het belang te zijn van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte.
De rechtbank kan de PIJ-maatregel alleen opleggen als een advies is gegeven door minstens twee gedragsdeskundigen, van wie er één psychiater is (artikel 77s, lid 2 Sr).
De rechtbank stelt vast dat aan deze wettelijke vereisten voor oplegging van een PIJ-maatregel is voldaan.
Uit de hiervoor genoemde rapportages volgt dat bij verdachte sprake is van een ernstig en structureel verstoord ontwikkelingsprofiel met diepgaande beperkingen in het functioneren, geclassificeerd als een borderline persoonlijkheidsstoornis en zwakbegaafdheid. Dit was ook het geval toen verdachte de feiten pleegde. Er was bij verdachte ten tijde van het plegen van de strafbare feiten dus sprake van een ziekelijke stoornis en van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. De rechtbank stelt vast dat opzetaanranding een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld.
De psychiater en psycholoog schatten de kans dat verdachte zonder een intensieve behandeling opnieuw (seksuele) strafbare feiten zal plegen in als hoog. Om deze reden vindt de rechtbank dat de maatregel noodzakelijk is voor de veiligheid van andere personen of goederen. Verder volgt uit de rapporten van de psychiater en psycholoog dat verdachte een langdurige behandeling nodig heeft om een nieuwe veilige basis te kunnen opbouwen. De PIJ-maatregel is daarom in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte.
De rechtbank volgt het advies van de deskundigen. De ernstige psychopathologie van verdachte, de noodzaak voor een langdurige behandeling, het hoge risico op herhaling van gelijksoortige strafbare gedragingen en het ontbreken van inzicht in de zeer ernstige psychopathologie maken dat de rechtbank geen ruimte ziet voor een behandeling in het vrijwillig kader. Verdachte kan niet staat worden geacht zich (in dat kader) duurzaam aan een behandeling te committeren. Behandeling op een afdeling met een hoog beveiligingsniveau is daarom noodzakelijk.
Gelet daarop acht de rechtbank een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel passend en noodzakelijk en zal zij deze maatregel aan verdachte opleggen.
De duur van de PIJ-maatregel
De maatregel geldt voor een termijn van drie jaren. Na twee jaren eindigt de maatregel van
rechtswege voorwaardelijk, tenzij de maatregel wordt verlengd op de wijze zoals bedoeld in
artikel 6:6:31 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
De rechtbank stelt vast dat de maatregel is opgelegd ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen en gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Daarom kan de maatregel verlengd worden, telkens met ten hoogste twee jaren en tot een maximum van zeven jaren, als bedoeld in artikel 6:6:31 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Geen straf
De rechtbank zal naast de PIJ-maatregel geen jeugddetentie opleggen. De PIJ-maatregel betreft een intensieve maatregel die in ieder geval drie jaar duurt en daarna kan worden verlengd. Dit betekent dat de vrijheid van verdachte op grond van de PIJ-maatregel al langdurig zal zijn ontnomen. Bovendien is het van belang dat de nadruk komt te liggen op de behandeling van verdachte zodat herhaling van het plegen van strafbare feiten kan worden voorkomen. De rechtbank ziet daarom geen meerwaarde in het opleggen van een jeugddetentie.

7.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 45, 77a, 77g, 77s, 77gg en 241 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1:opzetaanranding;
feit 2:poging tot opzetaanranding;
- verklaart verdachte strafbaar;
Maatregel
-legt de verdachte voor de bewezenverklaarde feiten op de
maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.
Dit vonnis is gewezen door mr D. Bogaert, voorzitter, tevens kinderrechter, en mr. D.H. Hamburger en mr. S.C.S. van Bree, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.J. van der Welle, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 29 juli 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
1
hij op of omstreeks 15 oktober 2025 te [plaats] , gemeente Noord-Beveland met een persoon, te weten [slachtoffer] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het onverhoeds/onverwachts beetpakken en/of betasten en/of aanraken van de (beklede) billen van die [slachtoffer] , terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak
(Artikel art 240 Wetboek Pro van Strafrecht, art 241 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht)
2
hij op of omstreeks 15 oktober 2025 te [plaats] , gemeente Noord-Beveland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met een persoon, te weten [slachtoffer] een of meer seksuele handelingen te verrichten met dat opzet die [slachtoffer] onverhoeds/onverwachts bij de (beklede) borsten
onverhoeds/onverwachts heeft beetgepakt en/of betast en/of aangeraakt, terwijl hij, verdachte wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
(Artikel art 241 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht)