ECLI:NL:RBZWB:2026:7007

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 juli 2026
Publicatiedatum
30 juli 2026
Zaaknummer
02-070013-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a SrArt. 36b SrArt. 36c SrArt. 36f Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot moord, belaging en bedreiging met tbs en gevangenisstraf

Op 4 maart 2025 heeft verdachte met voorbedachte raad [slachtoffer 1] bij diens woning meerdere keren met een mes gestoken, wat leidde tot ernstig letsel. Verdachte had een contact-, locatie- en uitlatingsverbod, maar stuurde in februari 2025 45 bedreigende e-mails naar [slachtoffer 1], wat als belaging werd gekwalificeerd. Tevens bedreigde verdachte [slachtoffer 2] door te proberen haar woning binnen te dringen met een mes.

De rechtbank verwierp het verweer van noodweer(exces) en putatief noodweer, omdat verdachte de confrontatie zocht en het mes aanvallend gebruikte. Uit een PBC-rapport bleek dat verdachte leed aan een psychotische stoornis en verminderd toerekeningsvatbaar was. Vanwege het recidivegevaar en de ernst van de feiten werd tbs met verpleging opgelegd naast een gevangenisstraf van zes jaar.

De rechtbank kende aan [slachtoffer 1] een schadevergoeding toe van €10.477,18 voor materiële en immateriële schade, en aan [slachtoffer 2] €880,-. Daarnaast werden een mes onttrokken aan het verkeer en een schilderij verbeurd verklaard. De maatregel langdurig toezicht (artikel 38z Sr) werd opgelegd om de veiligheid van derden te waarborgen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf, tbs met verpleging en maatregel langdurig toezicht wegens poging tot moord, belaging en bedreiging.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-070013-25
vonnis van de meervoudige kamer van 30 juli 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1972 te [geboorteplaats] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te [locatie] ,
raadsman mr. J.H.E.M. Kersemaekers, advocaat te Breda.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 16 juli 2026, waarbij de officier van justitie, mr. I.M. Peters, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter zitting zijn ook de vorderingen van de benadeelde partijen behandeld.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot moord dan wel poging tot doodslag en stalking van [slachtoffer 1] (verder: [slachtoffer 1] ) en bedreiging van [slachtoffer 2] (verder: [slachtoffer 2] ).

3.De voorvragen

3.1
De geldigheid van de dagvaarding
De dagvaarding is geldig.
3.2
De bevoegdheid van de rechtbank
De rechtbank is bevoegd.
3.3
De ontvankelijkheid van de officier van justitie
Feit 2
Op grond van artikel 285b lid 2 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) kan de vervolging van het misdrijf belaging alleen plaatsvinden op klacht van degene tegen wie het misdrijf is begaan.
In de artikelen 66, 164, 165 van het Wetboek van Strafvordering zijn de formele eisen vastgelegd waaraan een klacht moet voldoen: een klacht dient binnen drie maanden na de dag waarop de klachtgerechtigde kennis heeft genomen van het feit te worden ingediend en dient in ontvangst te worden genomen door een (hulp)officier van justitie; een klacht bestaat uit een aangifte en een verzoek tot vervolging.
Gebleken is dat niet alleen een formele klacht van [slachtoffer 1] ontbreekt, maar ook dat hij naar aanleiding van de emailberichten in de periode van 7 februari 2025 tot en met 14 februari 2025 tegen verdachte geen aangifte van belaging heeft gedaan. Wel heeft hij aangifte tegen verdachte gedaan van poging tot moord dan wel doodslag, maar hierin leest de rechtbank niet ook een aangifte van belaging. Dit betekent dat voor dit feit formeel niet aan het klachtvereiste wordt voldaan.
Gezien de daartoe strekkende jurisprudentie van de Hoge Raad, dient zich vervolgens de vraag aan of ter terechtzitting genoegzaam vastgesteld is kunnen worden dat bij [slachtoffer 1] ten tijde van de aangifte van de poging tot moord dan wel doodslag ook de wens bestond dat verdachte ter zake van belaging zou worden vervolgd. Naar het oordeel van de rechtbank is dit het geval. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. In het dossier zit een eerdere aangifte van 8 december 2023 van [slachtoffer 1] tegen verdachte van bedreiging, smaad en laster. Uit deze aangifte blijkt dat verdachte al vijf jaar lang diverse berichten richting [slachtoffer 1] stuurde. Weliswaar is bij deze aangifte geen afzonderlijke aangifte van belaging gedaan, maar de hierin beschreven berichten komen naar hun inhoud overeen met de inhoud van de emailberichten van verdachte die zien op de periode van 7 tot en met 14 februari 2025. In de aangifte van december 2023 is uitdrukkelijk verzocht om strafvervolging. Die vervolging heeft op dat moment niet plaatsgevonden waardoor [slachtoffer 1] zich genoodzaakt zag om een kort geding te starten teneinde te bewerkstelligen dat het sturen van de berichten door verdachte zou worden gestaakt. In dit kort geding is bij vonnis van 2 mei 2024 aan verdachte een contact-, locatie- en uitlatingsverbod opgelegd. De berichten waarover het tijdens dit kort geding ging, waren van vergelijkbare aard als de emailberichten die zijn verzonden in de periode van 7 tot en met 14 februari 2025. Deze procedure ondersteunt dan ook dat er sprake was van dezelfde voortdurende contactreeks en dat [slachtoffer 1] verdere benadering door verdachte niet wenste. De emailberichten van 7 tot en met 14 februari 2025 kunnen daarmee worden beschouwd als voortzetting van hetzelfde feitencomplex. Tegen die achtergrond kan voldoende worden vastgesteld dat [slachtoffer 1] ook ten aanzien van deze berichten de wens had dat verdachte strafrechtelijk zou worden vervolgd. Op grond hiervan is de officier van justitie dan ook ontvankelijk in de vervolging van feit 2.
3.4
De schorsing van de vervolging
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Voor zover nodig gaat de rechtbank op het gemotiveerde standpunt van de officier van justitie in onder het kopje ‘het oordeel van de rechtbank’.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit vrijspraak van het tenlastegelegde onder 1 primair, 2 en 3. Ten aanzien van het subsidiair onder 1 tenlastegelegde refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. Voor zover nodig gaat de rechtbank op het gemotiveerde standpunt van de verdediging in onder het kopje ‘het oordeel van de rechtbank’.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feit 1
Vaststaande feiten
Op 4 maart 2025 is verdachte op de fiets vanuit [plaats 1] naar de woning van [slachtoffer 1] in [plaats 2] gegaan. Daar aangekomen heeft hij op de stoep, zittend tegen de woning, gewacht totdat [slachtoffer 1] thuis kwam. Toen [slachtoffer 1] met zijn auto thuiskwam, is er een confrontatie tussen hen beiden ontstaan waarbij verdachte [slachtoffer 1] in elk geval twee keer met een mes heeft gestoken.
Opzet op de dood
[slachtoffer 1] heeft als gevolg hiervan de volgende wonden opgelopen: een wond van zes centimeter achter het rechteroor, een wond van drie centimeter aan de voorzijde van de hals, een wond van bijna vijf centimeter aan de linker onderarm en een wond van bijna vier centimeter aan de rechter wijsvinger. Omdat het letsel aan de linker onderarm en de rechter wijsvinger ook goed door het afweren van verdachte kan zijn ontstaan, kan de rechtbank het steken in die lichaamsdelen niet vaststellen en zal verdachte hiervan partieel worden vrijgesproken. De letsels achter het rechteroor en aan de voorzijde van de hals zijn naar het oordeel van de rechtbank wel als gevolg van het steken met het mes door verdachte ontstaan.
Over het letsel aan de hals blijkt uit het dossier dat dit potentieel levensbedreigend was vanwege de aldaar aanwezige vitale structuren. Gelet op de vele doodsbedreigingen die verdachte naar [slachtoffer 1] heeft gestuurd in combinatie met het mes waarmee verdachte heeft gestoken dat een lemmet had van veertien centimeter en de plaats waar verdachte [slachtoffer 1] heeft gestoken, is de rechtbank van oordeel dat verdachte vol opzet op de dood heeft gehad. De verklaring van verdachte ter zitting, dat het niet zijn bedoeling was om [slachtoffer 1] te doden schuift de rechtbank dan ook terzijde.
Primair tenlastegelegde poging tot moord
Voor een bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde poging tot moord moet sprake zijn van voorbedachte raad. Daarvoor moet vast komen te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap kon geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten.
De vaststelling dat verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat.
De verdediging heeft betwist dat er sprake was van voorbedachte raad. De rechtbank is echter van oordeel dat de inhoud van de bewijsmiddelen het verweer van de raadsman weerlegt en dat verdachte wel degelijk heeft gehandeld met voorbedachte raad. De rechtbank overweegt daartoe dat verdachte degene is geweest die op 4 maart 2025 het besluit heeft genomen om [slachtoffer 1] op te zoeken en hem op te wachten bij zijn huis. Hij was daartoe vastberaden gelet op de fietstocht van circa dertig kilometer die hij daarvoor moest afleggen van [plaats 1] naar [plaats 2] . Dat verdachte reeds op 1 maart 2025 en opnieuw op 4 maart 2025 het adres van [slachtoffer 1] heeft opgezocht, ondersteunt ook dat dit geen impulsieve beslissing was. Dat verdachte [slachtoffer 1] ging opzoeken om met hem te praten zoals hij zelf ter zitting heeft verklaard, acht de rechtbank niet aannemelijk.
Verdachte heeft in de voorgaande jaren volop gelegenheid gehad om met [slachtoffer 1] een goed gesprek te voeren, bijvoorbeeld in het kader van het kort geding. Dat heeft hij nooit gedaan. Sterker nog, hij is blijven doorgaan met het sturen van doodsbedreigingen en beledigingen. En hij heeft besloten om een mes mee te nemen naar [slachtoffer 1] , wat niet nodig is bij de intentie tot een gesprek. Verdachte wist bovendien dat hij een contact- en locatieverbod opgelegd had gekregen en dat hij alleen al daarom [slachtoffer 1] niet mocht opzoeken voor een gesprek, en zeker niet bij zijn woning. Verdachte heeft voldoende tijd gehad om zich te beraden op zijn voorgenomen besluit. Gedurende de gehele fietstocht heeft verdachte na kunnen denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap kunnen geven. Aangekomen bij de woning van [slachtoffer 1] had verdachte een extra moment om zich te beraden omdat [slachtoffer 1] nog niet thuis was. Desondanks is verdachte blijven wachten op [slachtoffer 1] en op geen enkel moment teruggekomen op zijn besluit/voornemen. Op het moment dat [slachtoffer 1] kwam aangereden in zijn auto heeft verdachte direct de confrontatie opgezocht en is zonder iets te zeggen op hem afgelopen. Zodra het portier was geopend en [slachtoffer 1] wilde uitstappen, heeft verdachte hem ten minste tweemaal daadwerkelijk gestoken. De rechtbank ziet geen aanleiding om op dit punt aan de verklaring van [slachtoffer 1] te twijfelen. De rechtbank gaat dan ook niet mee in de verklaring van verdachte ter zitting dat [slachtoffer 1] zou zijn uitgestapt en hem zou hebben geslagen, waarna hij [slachtoffer 1] zou hebben geduwd en deze terugviel in de auto met zijn hoofd op de passagiersstoel en toen pas door verdachte is gestoken. Verdachte heeft verklaard dat hij tijdens het steken over het portier heen in de auto heeft gehangen waarbij het portier 45 graden openstond. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat het ook mogelijk is dat hij door het raam heeft gehangen tijdens het steken om op manier met zijn arm bij het hoofd van [slachtoffer 1] te kunnen komen. Verdachte heeft daarmee wisselend verklaard over de positie waarin hij stond toen hij heeft gestoken, terwijl [slachtoffer 1] daarover consistent heeft verklaard.
Toen de politie ter plaatste kwam stond de autoradio van [slachtoffer 1] nog aan, hetgeen erop wijst dat [slachtoffer 1] nog bezig was om alles uit te zetten, zoals hij ook heeft verklaard. Het letsel aan de zijkant van het hoofd en in de hals past bij de verklaring van [slachtoffer 1] .
Verdachte heeft, nadat hij enige tijd op [slachtoffer 1] had zitten wachten, direct de confrontatie gezocht en is meteen gaan steken met zijn mes.
De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat verdachte niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke opwelling, maar met voorbedachte raad een poging heeft gedaan om [slachtoffer 1] van het leven te beroven.
De rechtbank acht daarmee de primair onder 1 ten laste gelegde poging tot moord wettig en overtuigend bewezen.
Feit 2
Bij de beoordeling of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, Sr zijn van belang de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. In dat verband stelt de rechtbank op grond van de bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 2 mei 2024 is er een vonnis in kort geding gewezen door de rechtbank Oost-Brabant in de zaak van [slachtoffer 1] tegen verdachte. Zoals hiervoor al overwogen had [slachtoffer 1] deze zaak gestart ter beëindiging van de beledigende en bedreigende berichten die door verdachte aan zijn adres werden gestuurd via diverse (digitale) kanalen vanaf het moment dat het tijdelijke contract van verdachte op 30 november 2018 werd beëindigd. Als hoofd personeelszaken van het bedrijf stond [slachtoffer 1] naam onder deze brief.
In dit vonnis is op straffe van een dwangsom van € 250,- per overtreding aan verdachte een contactverbod, een locatieverbod en een uitlatingsverbod opgelegd voor de duur van één jaar. Ondanks dit contact-, locatie- en uitlatingsverbod heeft verdachte in de periode van 7 tot en met 14 februari 2025 in totaal 45 emailberichten naar [slachtoffer 1] gestuurd. In deze emailberichten stonden wederom beledigende en bedreigende berichten waarvan de kern bestaat uit de woorden pedo, varken, verkrachten en dood maken.
Deze feiten hebben ter terechtzitting overigens niet ter discussie gestaan. Waar het hier om gaat is de vraag of het gedrag van verdachte kan worden gekwalificeerd als belaging in de zin van artikel 285b Sr. De verdediging heeft in dat kader twee verweren opgeworpen die zich als volgt laten samenvatten. Ten eerste is betoogd dat er gelet op de korte periode en de omstandigheid dat [slachtoffer 1] de emailberichten actief negeerde en niet/nauwelijks opende, geen sprake was van een wederrechtelijke en stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] . Ten tweede heeft de verdediging het oogmerk van belaging betwist vanwege de mentale toestand van verdachte die uit het PBC-rapport blijkt.
Ten aanzien van het eerste verweer overweegt de rechtbank dat in het onderhavige geval de verweten gedragingen hebben plaatsgevonden in een tijdsbestek van acht dagen terwijl er een contactverbod voor verdachte gold. Dat is geen lange periode, maar uit het versturen van gemiddeld vijf à zes emailberichten per dag blijkt dat verdachte intensief en obsessief gericht is geweest op [slachtoffer 1] . Dat geldt te meer nu hij zelfs bereid was om hiervoor het geldende contactverbod te overtreden op straffe van dwangsommen.
Dat [slachtoffer 1] de emailberichten op dat moment niet opende en daardoor geen kennis had van de inhoud, kan op grond van het dossier niet worden vastgesteld. Uit het dossier blijkt dat in de emailberichten enkel telkens de onderwerpregel was ingevuld die altijd zichtbaar is bij ontvangst. Verder komt uit de verklaringen van [slachtoffer 1] naar voren dat hij met een schuin oog wel kennisnam van de inhoud en dat hij daar telkens ook van schrok, maar dat hij de emailberichten wel probeerde te negeren. Dat maakt de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer echter niet minder erg. Juist vanwege het feit dat er sprake was van een contactverbod na al een jarenlange periode waarin [slachtoffer 1] soortgelijke berichten ontving en [slachtoffer 1] desondanks moest tolereren dat hij kwetsende, beledigende en bedreigende emailberichten van verdachte ontving, maakt de impact hiervan op de persoonlijke levenssfeer naar het oordeel van de rechtbank alleen maar groter. De totale gedragingen van verdachte waren gelet op de aangiftes en de verklaringen van [slachtoffer 1] ingrijpend voor zijn persoonlijke leven. Hij vond het verschrikkelijk om de emailberichten te lezen en beangstigend dat verdachte mensen die waardevol voor hem zijn, zoals zijn vrouw, wat wilde aan doen. De gedragingen van verdachte zijn dan ook dusdanig intens en frequent geweest dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] ondanks de relatief korte periode waarin deze plaatsvond, stelselmatig is.
Tot slot is naar het oordeel van de rechtbank ook aan het oogmerk van belaging voldaan. Verdachte wist immers dat er een contactverbod gold, hij had geen enkele reden om contact met [slachtoffer 1] te zoeken en heeft desondanks gedurende acht dagen 45 emailberichten aan hem gestuurd. Dat verdachte met zijn gedragingen niet het doel van belagen zou hebben gehad vanwege zijn mentale toestand kan op grond van het PBC-rapport niet worden geconcludeerd nu verdachte slechts als verminderd ontoerekeningsvatbaar is aangemerkt.
De verweren van de verdediging worden daarom verworpen. De rechtbank acht daarmee wettig en bewezen dat de verdachte zich aan de ten laste gelegde belaging heeft schuldig gemaakt.
Feit 3
Voor een bewezenverklaring van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en dat door de bedreiging, gelet op de aard daarvan en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze het leven zou kunnen verliezen. Het opzet van verdachte moet daarop gericht zijn geweest.
Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer 2] op 4 maart 2025 naar aanleiding van geschreeuw waarbij zij de stem van haar partner [slachtoffer 1] hoorde, naar buiten is gegaan. [slachtoffer 2] zag toen haar partner in de tuin bij de overburen staan met tegenover hem een lange man die in zijn linkerhand een mes vast had. Ook zag zij dat [slachtoffer 1] aan zijn hand bloedde. Omdat [slachtoffer 2] naar haar partner riep dat hij bij de buren naar binnen moest gaan, keek verdachte naar haar. Naar aanleiding van het oogcontact met verdachte werd [slachtoffer 2] bang en is toen snel terug de woning in gegaan waarna zij alle deuren op slot heeft gedaan. Verdachte bleef in eerste instantie op de stoep heen en weer lopen maar probeerde op een gegeven moment via de achterdeur de woning van [slachtoffer 2] binnen te komen. Tijdens het oogcontact dat [slachtoffer 2] toen via de ramen van de tuindeuren met verdachte had, heeft [slachtoffer 2] niet gezien of verdachte het mes nog in zijn handen had. [slachtoffer 2] was op dat moment wel erg bang en vreesde ervoor dat verdachte de woning binnen zou komen en ook haar zou steken. Daarop heeft zij zich opgesloten in de badkamer.
De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van verdachte bezien in de context waarin deze hebben plaatsgevonden bij [slachtoffer 2] in redelijkheid de vrees konden doen ontstaan dat hij ook haar met het mes iets wilde aandoen. Verdachte heeft weliswaar ter terechtzitting verklaard dat hij enkel naar binnen wilde omdat hij een warme plek zocht en dat hij zich niet kan voorstellen dat [slachtoffer 2] dacht dat hij naar haar toe kwam, omdat het conflict niet om haar ging, maar uit de door verdachte aan [slachtoffer 1] verstuurde emailberichten blijkt dat verdachte wel degelijk ook richting [slachtoffer 2] bedreigingen uitte. De verklaring van verdachte dat hij slechts een warme plek zocht in de woning van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , acht de rechtbank gelet op de hiervoor beschreven omstandigheden bovendien niet aannemelijk. De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van het onder feit 3 tenlastegelegde.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1. primair
op 4 maart 2025 te [plaats 2] , gemeente [plaats 3] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad, met een mes in het (achter)hoofd en hals/keel heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
2.
in de periode van 7 februari 2025 tot en met 14 februari 2025 in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] , door meermaals,
- e-mails te sturen aan/naar die [slachtoffer 1] ,
met het oogmerk die [slachtoffer 1] , te dwingen iets te dulden en/of vrees aan te jagen.
3.
op 4 maart 2025 te [plaats 2] , gemeente [plaats 3] [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door, nadat hij, verdachte, de levensgezel van die [slachtoffer 2] meermalen met een mes had gestoken, te trachten zich met een mes in de hand toegang te verschaffen tot de woning waarin slachtoffer zich bevond en/of had verscholen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Door de verdediging is een beroep gedaan op (putatief) noodweer(exces). Aan dat verweer is ten grondslag gelegd dat verdachte zich door het steken met het mes heeft verweerd tegen een aanval van [slachtoffer 1] die hem in zijn gezicht had geslagen.
Voor noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Van een ogenblikkelijke aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. De enkele vrees/angst voor zo'n aanranding is daartoe echter niet voldoende. De gestelde aanranding moet in redelijkheid beschouwd, zodanig bedreigend zijn voor verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van artikel 41 Sr Pro.
Dit betekent ook dat een beroep op noodweer niet kan worden aanvaard ingeval de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept, noch op grond van diens bedoeling noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van de gedraging, kan worden aangemerkt als verdedigend, maar – naar de kern bezien – als aanvallend, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht. In zo een geval kan ook een beroep op noodweerexces of op putatief noodweer niet slagen.
De lezing van verdachte, die aan het beroep op (putatief) noodweer(exces) ten grondslag is gelegd, neemt de rechtbank niet over. De rechtbank heeft hierboven op basis van de bewijsmiddelen vastgesteld dat het verdachte is geweest die de confrontatie heeft gezocht met [slachtoffer 1] door naar zijn woning te gaan, hem vervolgens op te wachten en hem bij het uitstappen uit zijn auto direct en zonder iets te zeggen met een mes te steken. De stelling dat verdachte heeft gestoken in reactie op een klap die hij van [slachtoffer 1] in zijn gezicht kreeg, wordt niet gesteund door de bewijsmiddelen in het dossier en volgt de rechtbank niet. Het handelen van verdachte is aldus als aanvallend aan te merken. Van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich op dat moment mocht verdedigen was naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake, zodat het beroep op noodweer wordt verworpen. Omdat verdachte niet heeft gehandeld uit noodweer kan zich niet de situatie voordoen dat verdachte te ver is gegaan in die verdediging, wat met zich meebrengt dat ook het beroep op noodweerexces niet kan slagen. Op grond van het voorgaande is evenmin gebleken van putatief noodweer.
Er zijn dan ook geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte of de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is ook strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen de tbs met verpleging van overheidswege, een gevangenisstraf van zes jaar met aftrek en de maatregel van artikel 38z Sr.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit geen tbs-maatregel aan verdachte op te leggen omdat niet aan alle hiervoor geldende vereisten is voldaan. Bovendien is een tbs-maatregel het ultimum remedium en dient een minder ingrijpende sanctie te worden opgelegd wanneer daarmee voldoende bescherming wordt geboden voor de algemene veiligheid van personen en goederen. Onder verwijzing naar het reclasseringsadvies van 13 juli 2025 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de oplegging van de maatregel van artikel 38v Sr. Voor zover nodig gaat de rechtbank op het gemotiveerde standpunt van de verdediging in onder het kopje ‘het oordeel van de rechtbank’.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot moord en belaging van [slachtoffer 1] en een bedreiging van [slachtoffer 2] . Na zes jaar lang via diverse kanalen bedreigende en beledigende berichten te hebben gestuurd naar [slachtoffer 1] is verdachte op 4 maart 2025 naar de woning van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gegaan. Daar heeft hij [slachtoffer 1] opgewacht en vervolgens tweemaal gestoken als gevolg waarvan [slachtoffer 1] diverse letsels heeft opgelopen aan het hoofd en de hals. Dat de steekpartij geen fatale afloop heeft gehad, is een gelukkige omstandigheid die zeker niet te danken is aan het handelen van verdachte. Door onder deze omstandigheden vervolgens de woning van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te willen binnen gaan waar [slachtoffer 2] aanwezig was, is bij haar de redelijke vrees ontstaan dat verdachte haar ook met het mes wilde steken.
Met de poging tot moord heeft verdachte een forse inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] is door het toedoen van verdachte gewond geraakt en met de ambulance naar het ziekenhuis vervoerd waar hij aan zijn verwondingen is behandeld. Hij heeft hier blijvend lichamelijk letsel aan overgehouden bestaande uit littekens, mobiliteitsverlies van de linker pink en een vrij gevoelloze rechter wijsvinger.
De poging tot moord waaraan een jarenlange belaging aan vooraf is gegaan, heeft naast lichamelijk letsel ook psychische gevolgen voor [slachtoffer 1] . Uit de ingediende vordering als benadeelde partij en de schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat [slachtoffer 1] traumagerelateerde klachten ervaart zoals verhoogde alertheid, schrikreacties, piekeren,
slaapproblemen en verstoring van het gevoel van veiligheid, vooral in de avonduren. Op grond hiervan is PTSS vastgesteld waarvoor [slachtoffer 1] onder behandeling is. Deze klachten hebben niet alleen in de privésfeer maar ook in de werksfeer hun weerslag. [slachtoffer 1] heeft als gevolg hiervan verminderd concentratievermogen waardoor hij zijn werk niet kan doen zoals hij dat altijd deed.
Met de bedreiging van [slachtoffer 2] heeft verdachte ook bij haar op een nare wijze inbreuk gemaakt op haar psychische integriteit door haar veel angst aan te jagen. Een en ander komt naar voren uit haar ingediende vordering als benadeelde partij en de door haar ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring. [slachtoffer 2] gevoel van veiligheid is fundamenteel veranderd waardoor zij nu leeft met een constante dreiging op de achtergrond. Deze aanhoudende spanning heeft er toe geleid dat zij uiteindelijk moest stoppen met werken. Zij heeft zich hiervoor onder behandeling gesteld van een haptotherapeut.
De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat de duidelijke boodschappen vanuit [slachtoffer 1] in de afgelopen jaren om te stoppen met zijn berichten en zelfs een door de rechtbank opgelegd contact-, locatie- en uitlatingsverbod hem totaal niet lijken te interesseren. Het heeft hem er in ieder geval niet van weerhouden door te gaan met zijn gedrag. Verdachte is hiermee hardnekkig en vastberaden lange tijd doorgegaan en is hierin zelfs een stap verder gegaan door daadwerkelijk de confrontatie met [slachtoffer 1] bij zijn woning te zoeken.
Met betrekking tot de oplegging van een tbs-maatregel overweegt de rechtbank het volgende.
Aan een verdachte kan de tbs-maatregel worden opgelegd, indien tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, het een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eist.
Teneinde vast te stellen of bij verdachte tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, is opdracht gegeven aan het NIFP om een dubbelrapportage over verdachte op te stellen. Verdachte heeft hier niet aan meegewerkt. Omdat beide deskundigen wel aanwijzingen zagen voor een psychische stoornis dan wel psychische problematiek, is verdachte in het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) klinisch geobserveerd.
Verdachte heeft ook in het PBC (deels) zijn medewerking geweigerd. Hij wilde niet met de onderzoekers praten, heeft geen toestemming gegeven voor het verstrekken van informatie door de huisarts en de zorgpsychiater van het PBC (waardoor medische informatie uit detentie niet voorhanden is) en wilde niet aan het psychologisch testonderzoek en het neurologisch onderzoek meedoen. Ondanks dat verdachte geen medewerking wilde verlenen, is er wel uitgebreide informatie via het forensisch milieu­onderzoek beschikbaar gekomen door medewerking van zijn broer en zus. Ook liet verdachte zich observeren en ging hij contacten met de groepsleiding en groepsgenoten niet uit de weg. Op basis van de informatie uit het straf- en persoonsdossier van verdachte, de uitgebreide informatie verkregen via het forensisch milieuonderzoek en de observaties op de afdeling in het PBC is voldoende informatie verzameld om enkele diagnostische conclusies te kunnen trekken. Op grond hiervan zijn de rapporteurs van het PBC tot de conclusie gekomen dat bij verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten sprake was van een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis. Op grond hiervan dienen de feiten in verminderde mate aan hem te worden toegerekend.
De rechtbank neemt deze conclusies over en stelt vast dat bij verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten sprake is van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens op grond waarvan hij als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht.
In het kader van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen is het gevaar op herhaling van belang. In het PBC rapport staat hierover vermeld dat rapporteurs een relatie zien tussen het risico op herhaling van het delictgedrag en de ten tijde van de bewezenverklaarde feiten vastgestelde psychose, maar dat het aan informatie ontbreekt om tot een goede inschatting van het recidivegevaar te kunnen komen.
Dat er sprake is van herhalingsgevaar acht de rechtbank een gegeven. Zij acht hiervoor van belang dat verdachte al zes jaar lang belagende berichten naar [slachtoffer 1] heeft gestuurd. Zelfs diverse stopgesprekken, aangiftes van [slachtoffer 1] en een vonnis in kortgeding met een contact-, locatie- en uitlatingsverbod op straffe van dwangsommen bij overtreding hiervan, hebben hem er niet van weerhouden om door te gaan met het sturen van de belagende berichten. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank van de hardnekkigheid en vastberadenheid van verdachte in zijn gedrag. Weliswaar heeft verdachte een blanco strafblad, maar uit het voorgaande blijkt dat verdachte al wel zes jaar obsessief gefixeerd was op [slachtoffer 1] , waardoor vanwege de hiervoor aangehaalde acties om hem tot stoppen te dwingen wel degelijk gesproken kan worden van een patroon. Ten tijde van de bewezenverklaarde feiten was er in ieder geval sprake van een psychose. Uit de door de deskundigen ter zitting gegeven toelichting blijkt dat een psychose niet zomaar vanzelf over gaat. Mogelijk is de psychose door de gestructureerde omgeving van de P.I., of door het niet gebruiken van middelen nu minder zichtbaar. Maar de rechtbank constateert dat dezelfde gedachtes van verdachte als die hij had ten tijde van de bewezenverklaarde feiten, tijdens het onderzoek ter terechtzitting nog steeds aanwezig zijn. Uit zijn verklaring is immers gebleken dat hij [slachtoffer 1] nog altijd verantwoordelijk houdt voor zijn situatie.
Gelet op de aard van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dat is begaan en de inhoud van het rapport van het PBC, waaruit blijkt van de ernst van de stoornis en het gebrek aan introspectie alsmede de neiging tot externaliseren bij verdachte, is de rechtbank van oordeel dat verdachte een gevaar vormt voor de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen en goederen en dat behandeling van zijn stoornis noodzakelijk en vereist is om een herhaling van een ernstig strafbaar feit te voorkomen. De rechtbank acht het onverantwoord om verdachte zonder behandeling in de maatschappij te laten terugkeren.
Gelet op het vorenstaande en het gegeven dat het bewezen geachte feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, is de rechtbank van oordeel dat verdachte ter beschikking moet worden gesteld en van overheidswege moet worden verpleegd.
Met het oog op het bepaalde in artikel 38e Sr, stelt de rechtbank vast dat het bewezenverklaarde feit een misdrijf betreft dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de totale duur van de terbeschikkingstelling niet is beperkt tot de duur van vier jaar.
Gevangenisstraf
Gezien het bewezenverklaarde en vanuit het oogpunt van vergelding is de rechtbank van oordeel dat naast een tbs-maatregel ook een gevangenisstraf aan verdachte moet worden opgelegd. Bij de bepaling van de duur van die gevangenisstraf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten, het blanco strafblad van verdachte, de mate waarin de feiten aan verdachte kunnen worden toegerekend enerzijds en de impact die de feiten op de slachtoffers hebben gehad anderzijds. Ook heeft de rechtbank acht geslagen op de straffen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Alles afwegend acht de rechtbank de eis van de officier van justitie passend en geboden.
De maatregel van artikel 38z Sr
Op grond van artikel 38z Sr kan de rechtbank – ter bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen – een verdachte een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking opleggen. Dit betreft – kort gezegd – een mogelijk levenslange toezichtsmaatregel die na afloop van de tbs-maatregel tenuitvoergelegd kan worden. Gebleken is dat er sprake is van een gevaar voor herhaling van soortgelijke feiten, en dan met name specifiek jegens [slachtoffer 1] . Om de veiligheid van anderen, en in het bijzonder [slachtoffer 1] , en de algemene veiligheid van personen of goederen te beschermen, acht de rechtbank van belang dat langdurig toezicht, ook na de tbs-maatregel, mogelijk is. Ook aan de overige wettelijke vereisten voor de oplegging van de maatregel langdurig toezicht is voldaan. De verdachte zal namelijk ter beschikking worden gesteld en worden veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Gelet op het voorgaande zal de maatregel langdurig toezicht worden opgelegd.
Het Openbaar Ministerie dient te zijner tijd de tenuitvoerlegging van deze maatregel te vorderen. De beoordeling van de noodzaak tot tenuitvoerlegging van de maatregel, en indien nodig onder welke voorwaarden, zal in de laatste fase van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf plaatsvinden. Een risicotaxatie van het dan aanwezige recidivegevaar dient in het kader van die beoordeling plaats te vinden.
Zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] hebben verzocht om ook een 38v maatregel (contact- en locatieverbod) aan verdachte op te leggen. Gelet op het feit dat de rechtbank over zal gaan tot het opleggen van een gevangenisstraf gevolgd door een tbs-maatregel en ook de 38z maatregel oplegt, ziet de rechtbank geen noodzaak om daarnaast ook nog een 38v maatregel op te leggen, nu het beoogde doel ook daarmee kan worden bereikt.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

7.De benadeelde partijen

[slachtoffer 1]
vordert voor feit 1 en 2 een schadevergoeding van € 10.477,18 bestaande uit € 2.477,18 aan materiële schade en € 8.000,- aan immateriële schade.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte deze feiten heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
Materiële schade
Van de gevorderde materiële schadeposten heeft de verdediging twee posten betwist, te weten de kosten door de schade aan de blouse en het colbert en de kosten van de beveiligingsmaatregelen.
Ten aanzien van de schade aan de blouse en het colbert overweegt de rechtbank dat de benadeelde partij ter onderbouwing hiervan weliswaar enkel twee afbeeldingen van soortgelijke kledingstukken heeft overgelegd waardoor de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld. Echter, in hetgeen door de verdediging is aangevoerd ziet de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de stelling van de benadeelde partij dat de beschadigde kleding soortgelijke kledingstukken betreffen en deze nog niet ouder waren dan één jaar. Schattenderwijs stelt de rechtbank de schade van het colbert en de blouse dan ook vast op het gevorderde bedrag van € 299,91.
Ten aanzien van de gevorderde kosten van de beveiligingsmaatregelen overweegt de rechtbank dat het niet de benadeelde partij is die de installatiekosten van de beveiligingsmaatregelen heeft gespecificeerd, maar het installatiebedrijf. Nu het installatiebedrijf geen enkel belang heeft bij het nader specificeren van de beveiligingskosten ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om aan deze factuur te twijfelen. Zij acht de post van de installatiekosten dan ook toewijsbaar zoals is gevorderd.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de overige gevorderde materiële schadeposten rechtstreeks verband houden met de bewezenverklaarde feiten onder 1 en 2 en in zoverre voor vergoeding in aanmerking komen. De benadeelde partij heeft naar het oordeel van de rechtbank ook voldoende stukken ter onderbouwing van de kosten overgelegd en de gevorderde kosten zijn door of namens verdachte niet betwist. De rechtbank acht deze gevorderde posten dan ook toewijsbaar.
Immateriële schade
De door de benadeelde partij gevorderde immateriële schade ziet zowel op de belaging als op de poging tot moord. Het door de verdediging gevoerde verweer op het punt van de door de belaging geleden psychische schade wordt op grond van hetgeen hierover onder feit 2 is overwogen reeds als verworpen beschouwd.
De gevorderde schade is gebaseerd op artikel 6:106 lid Pro aanhef en onder b BW, te weten aantasting in de persoon in de zin van lichamelijk letsel en daaruit voortvloeiende psychische gevolgen alsmede aantasting in de persoon op andere wijze bestaande uit geestelijk letsel. Naar het oordeel van de rechtbank staat de gevorderde schade in rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde feit onder 1 primair en onder 2. Er is immers sprake van lichamelijk letsel als gevolg van het bewezenverklaarde feit onder 1 primair en de psychische gevolgen staan hiermee in voldoende verband. Daarnaast is als gevolg van het bewezen verklaarde feit onder 1 primair en 2 sprake van geestelijk letsel in de zin van PTSS. In zoverre komt de gevorderde schade voor vergoeding in aanmerking. De benadeelde partij heeft naar het oordeel van de rechtbank ook voldoende stukken ter onderbouwing van de gevorderde schade overgelegd. De hoogte van de gevorderde schade is door de verdediging weliswaar betwist maar omdat daarbij enkel is uitgegaan van psychische schade als gevolg van het bewezenverklaarde onder 1 primair, ziet de rechtbank geen reden tot matiging. De rechtbank acht het gevorderde bedrag dan ook volledig toewijsbaar.
[slachtoffer 2]
vordert voor feit 3 een schadevergoeding van € 1.880,- bestaande uit € 380,-aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
Immateriële schade
Om voor vergoeding van immateriële schade in aanmerking te komen, moet sprake zijn van een situatie zoals opgenomen in artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (verder: BW). De vordering is gebaseerd op de grondslag van een aantasting in de persoon op andere wijze. Aangevoerd is dat de benadeelde partij in de eerste maand na het incident schrikachtig en alert was. Vanaf september 2025 ervoer zij een opgejaagd gevoel en merkte dat zij geen rust meer kon vinden. Hierdoor kon zij zich slecht concentreren en vergat veel dingen. Na een bezoek aan de huisarts kon geen lichamelijke oorzaak worden gevonden. Als gevolg van de klachten is de benadeelde partij per december 2025 uitgevallen op haar werk en sinds januari 2026 heeft zij zich onder behandeling van een haptotherapeut gesteld. Deze heeft geconstateerd dat het sympathisch zenuwstelsel overactief is. De opgekropte emoties bestaande uit verdriet, pijn en angst zijn er langzaam uitgekomen. Benadeelde
beseft dat het allemaal zo anders had kunnen aflopen zowel voor zichzelf als haar partner.
Hoezeer gevoelens van verdriet, pijn en angst bij de benadeelde partij ook invoelbaar en begrijpelijk zijn, dergelijke gevoelens kunnen niet zonder meer een grondslag vormen voor immateriële schade, nu deze gevoelens niet als geestelijk letsel kunnen worden aangemerkt.
In sommige gevallen kunnen de aard en ernst van de normschending echter meebrengen dat de daaruit voor de benadeelde voortvloeiende nadelige gevolgen zozeer voor de hand liggen dat aantasting in de persoon (zonder meer) kan worden aangenomen. Uit de vordering en het dossier blijkt dat verdachte geprobeerd heeft de woning van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] binnen te komen nadat zij op straat haar aan de arm en hand bebloede partner had gezien en verdachte met een mes in de hand voor hem stond. De benadeelde partij heeft dit als erg bedreigend ervaren.
Daarbij komt dat de benadeelde partij wist dat haar partner al jarenlang werd belaagd door verdachte en daarbij ook dreigende teksten werden verzonden. Eerdere aangiftes en een kort gedingprocedure hadden geen effect gehad om dit gedrag van verdachte te stoppen. Vervolgens hoorde de benadeelde partij op 4 maart 2025 in de avond geschreeuw net nadat haar partner de oprit op kwam gereden en zag zij hem vervolgens aan de overkant staan, terwijl hij bebloed was en er een man tegenover hem stond met een mes. Verdachte, waarvan zij kort daarvoor had gezien dat deze een mes in zijn handen hield, keek haar aan en kwam vervolgens ook haar kant op, als gevolg waarvan zij zich snel heeft opgesloten in de badkamer van de woning en tegelijkertijd 112 heeft gebeld terwijl zij daarbij aangaf dat zij toen echt bang was. Uit haar spreekrechtverklaring volgt dat sinds het incident haar gevoel van veiligheid fundamenteel is veranderd. Zij leeft niet meer vrij en onbevangen, maar met een constante dreiging op de achtergrond. Haar lichaam staat in constante staat van paraatheid, altijd ‘aan’, alert en gespannen. Deze spanning eiste uiteindelijk zijn tol en na circa een half jaar kwam er een moment waarop zij niet langer kon functioneren en moest stoppen met werken. Benadeelde geeft aan dat de uitputting allesoverheersend werd. De gedragingen van verdachte hebben nog altijd gevolgen voor het leven van de benadeelde partij.
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verdachte met zijn handelen een dusdanige inbreuk op de persoon van de benadeelde partij heeft gemaakt dat er sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. Gelet op het feit dat de normschending slechts een bedreiging betreft, zal de rechtbank de gevorderde schade matigen tot een bedrag van
€ 500,-. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal de vordering van immateriële schade voor het overige afwijzen.
Materiële schade
De door de benadeelde partij gevorderde materiële schade vloeit voort uit de immateriële schade en acht de rechtbank gelet op de onderbouwing daarvan volledig toewijsbaar.
Deze schade staat hierdoor ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.

8.Het beslag

Onttrekking aan het verkeer
Onder verdachte is een zwart mes in beslag genomen. Nu het feit onder 1 primair is begaan met behulp van dit voorwerp is dit voorwerp vatbaar voor onttrekking aan het verkeer waartoe de rechtbank ook zal beslissen.
Verbeurdverklaring
Onder verdachte is een canvas schilderij in beslag genomen. Nu het feit onder 2 met behulp van dit voorwerp is begaan, is dit voorwerp vatbaar voor verbeurdverklaring waartoe de rechtbank ook zal beslissen.

9.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36f, 37a, 37b, 38e, 38z, 45, 57, 285, 285b en 289 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1:Poging tot moord;
feit 2:Belaging;
feit 3:Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstraf van zes jaar;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Maatregel
- gelast de
terbeschikkingstelling van verdachte, met verpleging van overheidswege;
- legt op de
maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperkingals bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht;
Benadeelde partijen
[slachtoffer 1]
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van
€ 10.477,18, waarvan € 2.477,18 aan materiële schade en € 8.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 4 maart 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] voor feit 1 en 2, € 10.477,18 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 4 maart 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 77 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
[slachtoffer 2]
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van € 880, waarvan € 380,- aan materiële schade en € 500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 4 maart 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- wijst het overige gedeelte van de vordering af;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] , € 880,-te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 4 maart 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling acht dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Beslag
- verklaart onttrokken aan het verkeer het volgende voorwerp: 1 STK Mes (Omschrijving: PL2000-2025056324-G2834182, Zwart)
- verklaart verbeurd het volgende voorwerp: 1 STK Schilderij (Omschrijving:
PL2000-2025056324-G2835554. Canvas met erin gekerft "pedo varken").
Dit vonnis is gewezen door mr. F.L. Donders, voorzitter, mr. W.A.H.A. Schnitzler-Strijbos en mr. M. Koek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. de Jonge, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 30 juli 2026.
Mr. Schnitzler-Strijbos en mr. Koek zijn niet in de gelegenheid om dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 4 maart 2025 te [plaats 2] , gemeente [plaats 3] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad, meermalen, met een mes in het (achter)hoofd, hals/keel, (onder)arm en/of vinger heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(art 289 Wetboek Pro van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 4 maart 2025 te [plaats 2] , gemeente [plaats 3] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet, meermalen, met een mes in het (achter)hoofd, hals/keel, (onder)arm en/of vinger, althans het lichaam te hebben gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(art 287 Wetboek Pro van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht)
2.
hij in of omstreeks 7 februari 2025 tot en met 14 februari 2025 te [plaats 2] , gemeente [plaats 3] , althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] , door meermaals,
- e-mails te sturen aan/naar die [slachtoffer 1] ,
met het oogmerk die [slachtoffer 1] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
(art 285b lid 1 Wetboek van Strafrecht)
3.
hij op of omstreeks 4 maart 2025 te [plaats 2] , gemeente [plaats 3] [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door, nadat hij, verdachte, de levensgezel van die [slachtoffer 2] meermalen met een mes had gestoken, te trachten zich met een mes in de hand toegang te verschaffen tot de woning waarin slachtoffer zich bevond en/of had verscholen.
(art 285 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht)