ECLI:NL:RBZWB:2026:7014

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 juli 2026
Publicatiedatum
30 juli 2026
Zaaknummer
02-091028-22
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287 SrArt. 302 lid 1 SrArt. 45 lid 1 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging doodslag en zware mishandeling baby wegens onvoldoende bewijs

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 16 juli 2026 de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van poging tot doodslag en zware mishandeling van zijn baby. De tenlastelegging betrof het toebrengen van botbreuken en een hersenbloeding aan het kind. De verdediging voerde aan dat de letsels niet met opzet waren toegebracht en dat sommige letsels mogelijk tijdens de geboorte waren ontstaan.

Medisch en forensisch onderzoek, waaronder herbeoordeling van radiologische beelden door een kinderradioloog en een NFI-deskundige, toonden diverse letsels aan zoals metafysaire hoekfracturen en een ribbreuk, maar de datering en oorzaak daarvan waren onzeker. De deskundigen konden niet uitsluiten dat sommige letsels tijdens de geboorte of door accidentele val waren ontstaan.

De rechtbank oordeelde dat niet buiten redelijke twijfel kon worden vastgesteld dat verdachte opzettelijk de letsels had toegebracht. De verklaring van verdachte over de val en het incident met het been kon niet worden weerlegd met voldoende bewijs. Ook was het niet bewezen dat de bloeduitstorting in de hersenen door opzet was veroorzaakt.

Gezien de onzekerheden in de medische feiten en het ontbreken van bewijs voor opzet sprak de rechtbank verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten. Tevens werd het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer op 30 juli 2026.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs voor opzet en oorzaak van letsels.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02.091028.22
Vonnis van de meervoudige kamer van 30 juli 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1988,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] ,
raadsvrouw mr. S. van Steenberge, advocaat te Terneuzen.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 16 juli 2026, waarbij de officier van justitie mr. K. Simpelaar en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
zijn zoontje (hierna: [slachtoffer] ) van toen bijna zes weken oud zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, te weten botbreuken;
[slachtoffer] van toen ongeveer drie maanden heeft geprobeerd van het leven te beroven of in ieder geval zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, te weten een bloeding in de hersenen.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder feit 1 en feit 2 subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan. Zij heeft vrijspraak gevorderd voor feit 2 primair (poging doodslag).
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank voor geen van de feiten tot een bewezenverklaring kan komen, zodat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.
Ten aanzien van feit 1 is aangevoerd dat de handelingen die hebben geleid tot de breuken in het been niet waren gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Verder valt niet uit te sluiten dat de ribbreuk op een ander moment en op een andere wijze, zoals tijdens de geboorte, is ontstaan en dus niet door de handelingen van verdachte.
Ten aanzien van feit 2 is naar voren gebracht dat verdachte [slachtoffer] per ongeluk heeft laten vallen en dat er geen sprake is van (voorwaardelijk) opzet om hem te doden of hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Verder is aangevoerd dat niet kan worden uitgesloten dat de hersenbloeding op een eerder moment dan 6 april 2022 is ontstaan.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
Vaststelling letsels en/of (medische) afwijkingen
Begin 2022 is [slachtoffer] op verschillende momenten medisch onderzocht, te weten
  • Lichamelijke onderzoeken, een CT-scan en een skeletstatus (serie röntgenfoto’s van het hele skelet) tijdens verblijf in het [ziekenhuis 1] te [plaats 1] in de periode 14 tot en met 17 februari 2022;
  • Een lichamelijk onderzoek, een CT-scan en een skeletstatus tijdens verblijf in het [ziekenhuis 2] in de periode 6 tot en met 8 april 2022.
Op 26 april 2022 en 4 mei 2022 heeft op verzoek van het [ziekenhuis 1] een herbeoordeling van de radiologische beelden plaatsgevonden door prof. dr. [persoon 1] , kinderradioloog en hoogleraar forensische radiologie.
In opdracht van de rechter-commissaris heeft NFI-deskundige drs. [persoon 2] op
24 mei 2024 – onder meer op basis van bovengenoemde onderzoeken en herbeoordeling – rapport uitgebracht over het door haar uitgevoerde forensisch-medisch onderzoek inzake een vermoeden van kindermishandeling. Op basis van dit rapport stelt de rechtbank vast dat bij [slachtoffer] de volgende letsels en/of (medische) afwijkingen zijn geconstateerd: meerdere (onderhuidse) bloeduitstortingen, een schedelbreuk, een ribbreuk, twee metafysaire hoekfracturen aan het linkerbeen, botnieuwvorming van het linkerdijbeen en een bloeduitstorting onder het harde hersenvlies. Tevens was sprake van hersenfunctiestoornissen.
Ten aanzien van feit 1
Op 14 februari 2022 zijn verdachte en zijn vrouw met [slachtoffer] , op dat moment bijna zes weken oud, naar het [ziekenhuis 1] in [plaats 1] gegaan omdat zijn linkerbeentje bleef hangen. Bij het lichamelijk onderzoek die dag werden blauwe plekken op de wangen, kaak, flank en rug geconstateerd, waarna melding werd gemaakt bij Veilig Thuis. Op 14 en 16 februari 2022 zijn in het ziekenhuis scans c.q. beelden gemaakt van het hoofd en het lichaam (skelet) van [slachtoffer] .
-
Botbreuken aan het been
Op de beelden van het skelet gemaakt op 16 februari 2022 zijn onder meer te zien een metafysaire hoekfractuur aan het linkerdijbeen en een metafysaire hoekfractuur aan het linkerscheenbeen. Deze breuken zijn niet door het ziekenhuis geconstateerd, maar later door prof. dr. [persoon 1] .
Verdachte heeft de volgende verklaring voor de klachten aan het linkerbeen van [slachtoffer] gegeven:
Op 12 februari 2022 zat verdachte onderuit gezakt op de bank met [slachtoffer] op zijn buik. Op enig moment werd [slachtoffer] wat onrustig en gleed hij van de buik van verdachte. In een reflex kwam verdachte overeind, waardoor [slachtoffer] met zijn hoofd in de richting van de grond gleed. Om te voorkomen dat [slachtoffer] met zijn hoofd op de grond zou vallen heeft verdachte hem stevig en met een ruk aan zijn linkerbeen omhoog getrokken.
Volgens deskundige [persoon 2] komt een metafysaire hoekfractuur vrijwel alleen voor bij kinderen jonger dan twee jaar en kan zo’n fractuur ontstaan “als gevolg van een zogenaamde forse, afschuivende kracht en/of trekkracht in de lengterichting die op het uiteinde van het bot van een lang pijpbeen wordt uitgeoefend”. Een jong kind kan dit type breuk volgens de deskundige niet bij zichzelf veroorzaken. De genoemde krachtsinwerking kan optreden als een kind rond de borstkas wordt omvat en heftig wordt geschud, waarbij de vrij hangende ledematen snel herhaalde voor- en achterwaartse of zijdelingse links/rechts bewegingen maken. Het kan ook optreden als een kind bij de benen stevig wordt vastgepakt (ongeveer ter hoogte van de uiteindelijke metafysaire hoekfractuur) en daaraan als het ware (al dan niet deels aan het eigen gewicht hangende) (abrupt) buigend wordt (op)getrokken, aldus de deskundige. Doorgaans zijn na vier tot zes weken de oorspronkelijk wel als zodanig herkende hoekfracturen niet meer zichtbaar op een röntgenfoto omdat deze vervagen en uiteindelijk volledig genezen.
De deskundige kan niet uitsluiten dat bij de door verdachte beschreven toedracht een combinatie van krachten op het linkerbeen is ontstaan met de metafysaire hoekfracturen aan het linkerboven- en onderbeen als gevolg.
-
Conclusie ten aanzien van de botbreuken in het been
Nu de deskundige niet kan uitsluiten dat de fracturen zijn ontstaan door de door verdachte omschreven handelingen en het dossier voor het overige geen bewijs bevat met betrekking tot een andere toedracht, is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte opzettelijk het linkerbeen van [slachtoffer] heeft gebroken. Hierbij acht de rechtbank van belang dat verdachte zijn verklaring reeds op 14 februari 2022, kort na het gebeuren en ver voor het uitbrengen van het forensisch-medisch rapport, heeft gegeven. De rechtbank zal verdachte daarom aangaande het toebrengen van dit letsel vrijspreken.
-
De ribfractuur
Tijdens het verblijf van [slachtoffer] in het [ziekenhuis 2] is op de skeletstatus van 7 april 2022 een genezende botbreuk van de zesde rib vastgesteld. Ook
prof. [persoon 1] heeft bij een herbeoordeling van deze beelden, zoals opgenomen in zijn rapport van 26 april 2022 deze fractuur gezien ‘met remodellering van callus’. Deze medische term geeft een fase in het botgenezingsproces weer. [persoon 1] heeft de breuk achter-/zijwaarts geconstateerd.
Verdachte heeft verklaard dat hij denkt dat deze ribfractuur kan zijn ontstaan op een moment in de week vóór 14 februari 2022. Verdachte zat met [slachtoffer] op een stoel in de kamer van [slachtoffer] . [slachtoffer] huilde op dat moment heel veel en het lukte verdachte niet om hem stil te krijgen. In een moment van frustratie heeft hij [slachtoffer] toen met beide handen in zijn middel stevig vastgepakt en voor zich gehouden en gezegd ‘en nu is het klaar!’. De blauwe plekken op de rug en de flanken van [slachtoffer] die op 14 februari 2022 al waren gezien schrijft hij eveneens toe aan dit incident.
Deskundige [persoon 2] heeft over het ontstaansmechanisme opgemerkt dat bij jonge kinderen ribbreuken meestal veroorzaakt worden door samendrukking en/of vervorming van de borstkas, zoals dit bijvoorbeeld op kan treden als de borstkas met de handen wordt omvat en stevig wordt samengedrukt. Zij geeft daarnaast aan dat in de literatuur enkele casusbeschrijvingen te vinden zijn van ribbreuken als gevolg van de geboorte, vaak met ribbreuken mid-achterwaarts in de ribbenboog.
Bij jonge kinderen is de afwezigheid van uitwendig zichtbaar letsel op een plaats van krachtsinwerking tamelijk gebruikelijk. Geschat wordt dat bij ongeveer 80% van de ribbreuken bij jonge kinderen geen klachten of klinische verschijnselen opvallen, aldus de deskundige.
Over de datering van ribbreuken heeft de deskundige opgemerkt dat recente ribbreuken kunnen worden gemist op röntgenfoto’s omdat geen fractuurspleet of verandering in botcontour zichtbaar hoeft te zijn. Datering op basis van radiologische kenmerken van genezing is vanuit de beschikbare literatuur beperkt mogelijk. Uit studies naar breuken van lange pijpbeenderen bij kinderen blijkt dat als sprake is van remodellering op de röntgenfoto, de botbreuk doorgaans minimaal vier weken oud is. In een studie naar genezing van specifiek ribbreuken komt naar voren dat remodellering na zeven tot negen weken optreedt.
De deskundige concludeert dat zij het waarschijnlijker acht dat de krachtsinwerking na de geboorte heeft plaatsgevonden dan voor of tijdens de geboorte.
-
Conclusie ten aanzien van de ribbreuk
Nu de deskundige aangeeft dat het mogelijk is dat ribbreuken bij jonge kinderen pas zichtbaar zijn na 7 tot 9 weken en [slachtoffer] geboren is op [geboortedag 2] 2022, is niet uit te sluiten dat de op 7 april 2022 waargenomen remodellering van een breuk terug te voeren is op een ribbreuk ontstaan tijdens de bevalling. Dit geldt temeer nu de bevalling van [slachtoffer] moeizaam is verlopen en op enig moment gebruik is gemaakt van een vacuümpomp om de geboorte te bespoedigen.
De rechtbank merkt daarnaast op dat de waarschijnlijkheidswaardering die de deskundige heeft gegeven over het moment waarop het letsel kan zijn ontstaan, op de schaal van waarschijnlijkheidswaarderingen in het midden is te positioneren, tussen ‘ongeveer even waarschijnlijk’ en ‘extreem veel waarschijnlijker’.
De rechtbank is gelet op deze omstandigheden van oordeel dat niet buiten redelijke twijfel vast te stellen is dat de ribfractuur het gevolg is van het handelen van verdachte. De rechtbank zal verdachte daarom ook vrijspreken ten aanzien van dit deel van de tenlastelegging onder feit 1.
-
Conclusie ten aanzien van feit 1
Gezien het voorgaande spreekt de rechtbank verdachte vrij van dit feit wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.
Ten aanzien van feit 2
-
Het primair tenlastegelegde
De rechtbank spreekt verdachte vrij van het onder feit 2 primair tenlastegelegde, omdat het dossier geen bewijs bevat voor (voorwaardelijk) opzet op de dood.
-
Het subsidiair tenlastegelegde
[slachtoffer] is op 6 april 2022 in het [ziekenhuis 2] opgenomen naar aanleiding van hersenfunctiestoornissen als gevolg van vallen. Op de CT-scan van het hoofd die op die dag in dat ziekenhuis is gemaakt is een bloeduitstorting onder het harde hersenvlies, rechts aan de achterzijde van het hoofd geconstateerd. Ook prof. [persoon 1] maakt melding van deze bloeduitstorting in zijn herbeoordeling van 26 april 2022.
Verdachte heeft verklaard dat hij op 6 april 2022 alleen thuis was met [slachtoffer] en dat [slachtoffer] veel moest huilen. Hij heeft [slachtoffer] uit het wippertje getild om met hem op de bank te gaan liggen. Terwijl hij hem optilde keek hij achterom naar de bank om te gaan zitten. Hij voelde tijdens het omkijken weerstand. Hij denkt daarom dat een voetje van [slachtoffer] achter de gordel van het wippertje is blijven hangen. Door de weerstand verloor hij grip op [slachtoffer] met zijn linkerhand, waardoor [slachtoffer] over zijn linkerarm naar beneden tussen de tafel en de bank op de grond is gevallen. Hij heeft niet gezien hoe [slachtoffer] is gevallen. [slachtoffer] huilde na het vallen niet. Hij overstrekte zich enkele malen en draaide daarbij zijn ogen weg. Hij was niet bij kennis en maakte een snurkend geluid.
Tijdens de reconstructie op 20 december 2022 van dit voorval is de valhoogte gemeten. Dit betrof ongeveer 66 centimeter.
Deskundige [persoon 2] heeft naar voren gebracht dat de bloeduitstorting na
14 februari 2022 moet zijn ontstaan, omdat die op de CT-scan van 14 februari 2022 van het hoofd van [slachtoffer] niet te zien is. Bloeduitstortingen onder het harde hersenvlies als gevolg van de geboorte zijn doorgaans na één maand verdwenen.
Bloeduitstortingen onder het harde hersenvlies kunnen ontstaan door lichamelijke aandoeningen of door krachtsinwerkingen tijdens of na de geboorte. In geval van krachtsinwerking kan een bloeding ontstaan door, kortgezegd, heftige schuddende bewegingen of door een direct inwerkende stomp botsende kracht op het hoofd. Krachten die ontstaan bij vallen van beperkte hoogte (dat is tot ongeveer anderhalve meter hoog) bij gebruikelijke huis-, tuin- en keukenongevallen en normaal uitgevoerde verzorgingshandelingen zijn in beginsel onvoldoende voor het ontstaan van bloeduitstortingen onder het harde hersenvlies. Een uitzondering daarop betreft een val van beperkte hoogte op het achterhoofd op een harde ondergrond vanuit zittende of staande positie.
De deskundige vindt de bloeduitstorting onder het harde hersenvlies niet goed passen bij een val over de arm van beperkte hoogte op de grond, gezien de beperkte krachtsinwerkingen die daarbij optreden.
De rechtbank overweegt allereerst dat op basis van het rapport van de deskundige de geboorte als oorzaak van de bloeduitstorting niet aannemelijk is.
De rechtbank overweegt verder dat, hoewel de door verdachte omschreven val in combinatie met de valhoogte door de deskundige niet als een passende oorzaak voor de bloeduitstorting in de hersenen is geoordeeld, deze val wel kan passen bij de door de deskundige genoemde uitzondering van een val van beperkte hoogte op het achterhoofd op een harde ondergrond. De bloeduitstorting is immers vastgesteld aan de achterzijde van het hoofd en op de foto’s van de woning is te zien dat in de woonkamer een (laminaat)houten vloer ligt, zonder vloerkleed. Tevens kan niet uitgesloten worden dat [slachtoffer] in zijn val met het achterhoofd op de vlakbij het wippertje staande tafel(rand) is beland. Nu het dossier voor het overige onvoldoende aanwijzingen bevat met betrekking tot andere mogelijke oorzaken, is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte opzettelijk de bloeduitstorting heeft veroorzaakt. De rechtbank zal verdachte aangaande het toebrengen van dit letsel vrijspreken.
Het oordeel van de NFI-deskundige over de waarschijnlijkheid van een al dan niet accidentele toedracht van de combinatie van alle geconstateerde letsels (ordegrootte bewijskracht 10-100) maakt het oordeel van de rechtbank ten aanzien van beide feiten, gezien de onzekerheden in de datering en het ontstaan van de letsels, niet anders.
Overwegingen ten overvloede ten aanzien van de feiten 1 en 2
De rechtbank overweegt dat indien de rechtbank tot het oordeel zou zijn gekomen dat bij verdachte het opzet zou hebben bestaan tot het toebrengen van letsel aan [slachtoffer] , de in de tenlastelegging genoemde letsels niet zijn aan te merken als zwaar lichamelijk letsel. De botbreuken zijn zonder operatief of anderszins medisch ingrijpen genezen. Op de beelden van het skelet van 20 april 2022 is gezien dat de rib- en de metafysaire hoekfracturen restloos zijn geheeld. Verder was de duur van de ziekenhuisopnames beperkt en er is uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet gebleken van restklachten.
Ook de bloeduitstortingen zijn om dezelfde redenen niet aan te merken als zwaar lichamelijk letsel.

5.Beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
-
spreekt verdachte vrijvan de ten laste gelegde feiten;
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Bergen, voorzitter, en mr. L.W. Louwerse en
mr. L.W. Boogert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Moggré-Hengst, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 30 juli 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Feit 1hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2022 tot en met 5 april 2022 te [plaats 2] , althans in Nederland, aan zijn kind, genaamd [slachtoffer] ( [geboortedag 2] -2022), meermalen opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meer botbreuken (ribbreuken en een gebroken been), heeft toegebracht, door:
- meermalen, althans eenmaal [slachtoffer] met kracht vast te pakken en/of te knijpen en/of beet te houden en/of (op en neer) te schudden en/of
- meermalen, althans eenmaal, [slachtoffer] op/tegen/in de ribben en/of de rug en/of de benen, althans het lichaam te slaan en/of te stompen en/of
- meermalen, althans eenmaal [slachtoffer] op/tegen een hard oppervlak/voorwerp te laten vallen en/of tegen een hard oppervlak/voorwerp te slaan en/of stoten en/of gooien en/of
- meermalen, althans eenmaal [slachtoffer] bij zijn been/benen hard vast te pakken en/of aan te trekken, in elk geval (fors) uitwendig botsend en/of stompend geweld en/of
anderszins fors geweld tegen de romp en/of benen, althans het lichaam uit te oefenen;
( art 302 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht )
Feit 2hij op of omstreeks 6 april 2022 te [plaats 2] , althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk zijn kind [slachtoffer] ( [geboortedag 2] -2022) van het leven te beroven,
- meermalen, althans eenmaal, [slachtoffer] (met kracht), tegen/zijn hoofd heeft geslagen/en/of gestompt en/of op een hard oppervlak heeft laten vallen en/of tegen een hard oppervlak heeft geslagen en/of gestoten en/of tegen een hard voorwerp heeft aangegooid, in elk geval (zeer heftig) uitwendig botsend en/of stompend geweld tegen en/of op zijn hoofd heeft uitgeoefend en/of
- meermalen, althans eenmaal, heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of met kracht door elkaar en/of op en neer en/of heen en weer heeft geschud, in elk geval anderszins (hevig) geweld heeft uitgeoefend op zijn lichaam en/of zijn hoofd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 287 Wetboek Pro van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 6 april 2022 te [plaats 2] , althans in Nederland, aan zijn kind, genaamd [slachtoffer] ( [geboortedag 2] -2022), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meer bloedingen en/of bloeduitstortingen onder het harde hersenvlies, ten gevolge waarvan bij [slachtoffer] hersenfunctiestoornissen en/of hersenletsel en/of ademhalingsproblemen zijn veroorzaakt, heeft toegebracht, door [slachtoffer] :
- meermalen, althans eenmaal (met kracht) tegen/op zijn hoofd te slaan en/of te stompen en/of op een hard oppervlak te laten vallen en/of tegen een hard oppervlak te slaan en/of te stoten en/of tegen een hard voorwerp heeft aangegooid, in elk geval (zeer heftig) uitwendig inwerkend botsend en/of stompend geweld tegen en/of op zijn hoofd uit te oefenen en/of
- meermalen, althans eenmaal (met kracht) vast te pakken en/of met kracht door elkaar en/of op en neer te schudden, in elk geval anderzins geweld uit te oefenen op zijn lichaam en/of zijn hoofd;
( art 302 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht )