ECLI:NL:RBZWB:2026:7060

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
31 juli 2026
Publicatiedatum
31 juli 2026
Zaaknummer
02-012520-26
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 157 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor opzettelijke brandstichting met gevaar voor goederen en levensgevaar

Op 12 januari 2026 stichtte verdachte opzettelijk brand in zijn woning door spiritus op een bed te gooien en aan te steken, waardoor gevaar ontstond voor de woning, een aangrenzende woning, een bedrijfsruimte en de daarin aanwezige personen. De brand veroorzaakte aanzienlijke materiële schade en levensgevaar voor de onderbuurman, die gelukkig tijdig de brandweer waarschuwde.

De rechtbank achtte het feit wettig en overtuigend bewezen op basis van de bekennende verklaring van verdachte, aangiftes, proces-verbalen en videobeelden. Verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden, waaronder begeleiding door de reclassering en behandeling bij een forensische polikliniek.

De rechtbank nam het verdachte kwalijk dat hij na het aansteken van de brand niet heeft geprobeerd de brand te blussen of de onderbuurman te waarschuwen. De straf is mede gematigd vanwege zijn mentale problemen, suïcidale gedachten en de positieve prognose van de reclassering.

Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot betaling van €6.314,05 aan materiële schade aan de benadeelde partij, vermeerderd met wettelijke rente, met een schadevergoedingsmaatregel die gijzeling bij niet-betaling mogelijk maakt.

De rechtbank sprak verdachte vrij van overige tenlastegelegde feiten en legde bijzondere voorwaarden op tijdens de proeftijd, gericht op begeleiding, behandeling en schuldhulpverlening.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden, en tot betaling van €6.314,05 schadevergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-012520-26
Vonnis van de meervoudige kamer van 31 juli 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1950 te [geboorteplaats] ,
wonende [adres] ,
nu gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting in [locatie] ,
raadsvrouw mr. J.M. Mc Keown, advocaat te Tilburg.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 17 juli 2026, waarbij de officier van justitie mr. R.M.A. in ‘t Veld en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I van dit vonnis opgenomen. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte opzettelijk brand heeft gesticht in zijn woning met levensgevaar voor een ander en gevaar voor goederen.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de brandstichting wettig en overtuigend bewezen.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
Aangezien verdachte het feit, zoals hierna onder 4.4 bewezen te verklaren, heeft bekend en daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer wordt daarmee bedoeld een paginanummer van het proces-verbaal voorgeleiding op eind-pv met documentnummer ZB00000_2026009738, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 t/m 87. De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
  • de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd tijdens de zitting van 17 juli 2026,
  • de aangifte van van [aangever 1] , p.6 e.v.,
  • het proces-verbaal aangifte van [aangever 2] , p.43 e.v.,
  • het proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 januari 2026, pagina 56 e.v.,
  • de eigen waarneming van de rechtbank van de op zitting getoonde video op de [website] met de naam ‘ [naam video] ’, geplaatst op 13 januari 2026.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 12 januari 2026 te [plaats] opzettelijk brand heeft gesticht door een goed in zijn, verdachtes, woning (gelegen aan de [adres] ) en spiritus met open vuur in aanraking te brengen, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemde woning en de andere in hetzelfde pand gelegen woning ([nummer 1]) en bedrijfsruimte ([nummer 2]), met inbegrip van de goederen (waaronder de inboedels) in die woningen en bedrijfsruimte en
- levensgevaar voor een ander, te weten de in die omliggende woning aanwezige persoon,
te duchten was.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van
18 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Aan de proeftijd dienen de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te worden gekoppeld.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt om aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met bijzondere voorwaarden, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest. Verdachte heeft tijdens de brandstichting gehandeld in paniek en met suïcidale gedachtes. Het gaat nu beter met hem en hij wil graag werken aan zijn toekomst. Als verdachte uit de Penitentiaire Inrichting komt, kan hij terecht bij [stichting] . Daar krijgt hij onderdak, structuur, dagbesteding en begeleiding.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft in de avond van 12 januari 2026 spiritus op het bed in de slaapkamer van zijn huurappartement gegooid en vervolgens met een aansteker aangestoken. Tijdens de brandstichting was de bewoner van het appartement gelegen onder dat van verdachte thuis. De rechtbank neemt het verdachte zeer kwalijk dat hij na de brandstichting is weggegaan zonder de brand te blussen of zijn onderbuurman te waarschuwen en de brandweer te bellen. Gelukkig hoorde de onderbuurman de rookmelder in verdachte’s appartement, waarna hij rook in de trappenhal zag en de brandweer heeft gebeld. De hitte in het appartement van verdachte was echter zo extreem dat de brandweer niet gelijk naar binnen kon. Op beelden die op zitting zijn afgespeeld was te zien dat het appartement van verdachte in lichterlaaie stond, waardoor er ook levensgevaar voor de aanwezige onderbuurman bestond als de brand niet was geblust. Alleen door het handelen van de onderbuurman heeft dit levensgevaar zich niet verwezenlijkt en is de materiële schade beperkt gebleven tot het uitbranden van verdachte’s appartement en waterschade bij de onderbuurman en het bedrijf dat daar weer onder gevestigd is in hetzelfde pand.
Brandstichting is een zeer ernstig feit en als reactie daarop past in beginsel slechts een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf, ook bij iemand zonder strafblad, zoals verdachte. De rechtbank ziet echter reden om hier niet toe over te gaan. Verdachte heeft na zijn aanhouding later die avond direct een bekennende verklaring afgelegd en verantwoordelijkheid genomen. Hij kampte al een lange tijd met mentale problemen, schulden en suïcidale gedachtes. Uit het reclasseringsrapport van 17 april 2026 blijkt dat verdachte in zijn leven stabiliteit heeft kunnen opbouwen, maar op meerdere momenten deze niet heeft kunnen behouden met grote gevolgen. Dit ziet de reclassering terug bij huisvesting, werk en relaties. De reclassering schat in dat verdachte gebaat zal zijn bij een forensisch kader en adviseert daarom om aan hem bijzondere voorwaarden op te leggen. De reclassering kan verdachte ondersteunen bij het vinden van een woonruimte en monitoren hoe het met hem gaat. Daarnaast wordt hij aangemeld bij Fivoor voor een onderzoek gericht op copingvaardigheden, waarbij aandacht is voor zijn sombere gedachtes. Verder wil de reclassering verdachte ondersteunen bij het aflossen van zijn schulden. Het recidivegevaar wordt door de reclassering ingeschat als laag.
Op de zitting is gebleken dat wanneer de al zesenzeventigjarige verdachte uit de Penitentiaire Inrichting komt, hij terecht kan bij [stichting] . Hier krijgt hij een eigen woonplek en begeleiding. Verdachte heeft op zitting bevestigd bereid te zijn zich aan de voorwaarden van de reclassering te houden. Gelet op de persoon van verdachte en zijn omstandigheden acht de rechtbank het noodzakelijk dat verdachte begeleiding krijgt en dat die begeleiding spoedig start.
Alles afwegende, is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden is. Zij legt aan verdachte op een gevangenisstraf van 18 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Aan de proeftijd worden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden gekoppeld.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet.

7.De benadeelde partij [aangever 1]

De benadeelde partij heeft op 18 februari 2026 een verzoek tot schadevergoeding ingediend. De exacte omvang van de schade was op dat moment nog niet bekend. Daarom heeft de benadeelde partij de schade toen geschat op € 7.000,00. Op 15 juli 2026 heeft de rechtbank van de benadeelde partij aanvullende stukken ontvangen ter onderbouwing van de schade, waaronder een overzicht directe kosten brandschade. Volgens dat overzicht bestaat de schade uit:
  • kosten timmerman: € 150,00;
  • kosten loodgieter: € 200,00;
  • kosten bouwdroger: € 155,80;
  • ontruimingskosten gemeente: € 1.080,00;
  • kosten elektra: € 3.593,58;
  • arbeidskosten: € 1.914,00.
Met hierbij nog 5% aan algemene kosten, die berekend worden over de totale schade, komt het totaalbedrag uit op € 7.448,05 (zonder 21% BTW). Dit bedrag is op het overzicht geel gearceerd. De rechtbank gaat er daarom van uit dat dit het bedrag is dat door de benadeelde partij wordt gevorderd (dus zonder 21% BTW).
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij voor de ontruimingskosten van de gemeente niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Deze kosten zijn namelijk al in de vaststellingsovereenkomst tussen verdachte en de benadeelde partij opgenomen.
De overige door de benadeelde partij gevorderde schade acht de rechtbank volledig toewijsbaar. Uit het dossier en de onderbouwing van de vordering blijkt duidelijk dat er enorme schade was aan de woning. De schade is dan ook toereikend onderbouwd en staat in voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
De rechtbank wijst dus toe een bedrag van (€ 6.013,38 + 5% = ) € 6.314,05, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 januari 2026 tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 157 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te
duchten is en terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als
algemene voorwaarden:
* dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
- stelt als
bijzondere voorwaarden:
1. dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres Ringbaan West 275 te Tilburg;
2. dat verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door forensische polikliniek Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. Verdachte is hier reeds voor aangemeld. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op het afnemen van diagnostiek, zijn copingstrategieën en sombere gedachten. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
3. dat verdachte meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
Geeft de reclassering opdracht om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte daarbij te begeleiden.
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Benadeelde partij [aangever 1]
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 1] van € 6.314,05 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 januari 2026 tot aan de dag der algehele voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
Schadevergoedingsmaatregel
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 1] , € 6.314,05 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 januari 2026 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 56 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Heft op het bevel voorlopige hechtenis zodra het voorarrest gelijk is aan de straf.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.I. Beudeker, voorzitter, mr. R.J.H. de Brouwer en
mr. H. Faouzi, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Andraws, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 31 juli 2026.
De voorzitter, jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
De tenlastelegging
hij op of omstreeks 12 januari 2026 te [plaats] opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een of meerdere goederen in zijn, verdachtes, woning (gelegen aan de [adres] ) en/of spiritus, althans een brandbare en/of licht ontvlambare vloeistof, met open vuur in aanraking te brengen, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten voornoemde woning en/of de andere in hetzelfde pand gelegen woning ([nummer 1]) en bedrijfruimte ([nummer 2]), met inbegrip van de goederen (waaronder de inboedels) in en/of rondom die woning(en) en/of bedrijfsruimte,
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de in die omliggende woningen en/of panden aanwezige personen te duchten was;