ECLI:NL:RBZWB:2026:715

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
AWB-25_518
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 8:54 AwbArt. 26c Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen WOZ-beschikking niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar inzake een WOZ-beschikking. De rechtbank beoordeelt het beroep zonder zitting en komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is wegens te late indiening.

De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedroeg zes weken vanaf de dag na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar, welke op 2 oktober 2024 is gedateerd. De uiterste datum voor ontvangst van het beroepschrift was derhalve 13 november 2024. Het beroepschrift is echter pas op 27 januari 2025 ontvangen, ruim na het verstrijken van de termijn.

Belanghebbende stelde dat hij op 8 november 2024 al een beroepschrift had ingediend, maar dit stuk is niet ontvangen door de rechtbank en er is geen bewijs van verzending. De rechtbank heeft belanghebbende meerdere malen verzocht een reden voor de termijnoverschrijding te geven, maar er is geen verontschuldiging gebleken.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en blijft het bestreden besluit ongewijzigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-beschikking wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening zonder verontschuldiging.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/518
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 6 februari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van SaBeWa, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 2 oktober 2024, betreffende de WOZ-beschikking met [aanslagnummer] .
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het te laat is ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
3. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken. [1] Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar. [2] Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop de uitspraak op bezwaar is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending. Een beroepschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. [3] Wanneer het beroepschrift (aangetekend of niet-aangetekend) met de gewone post [4] wordt verstuurd, is het bij ontvangst na het einde van de termijn onder voorwaarden ook tijdig ingediend. [5] Die voorwaarden zijn dat het beroepschrift voor het einde van de termijn op de post is gedaan én het niet later dan een week na afloop van de termijn bij de rechtbank is ontvangen.
3.1.
Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verontschuldigbaar is. Dan laat de rechtbank niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. [6]
Is het beroep te laat ingediend?
4. Vast staat dat de dagtekening van de uitspraak op bezwaar 2 oktober 2024 is. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de verzending ervan later dan die datum heeft plaatsgevonden. De termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde dus op 13 november 2024
4.1.
Het beroepschrift is bij de rechtbank per e-mail op 27 januari 2025 binnengekomen. Het beroepschrift is daarmee niet tijdig ingediend.
4.2.
Belanghebbende voert aan dat hij al eerder, op 8 november 2024, een beroepschrift heeft ingediend. Op 11 april 2025 heeft hij per e-mail een afschrift van dat stuk overgelegd. De rechtbank heeft dat beroepschrift echter niet ontvangen.
Is het te laat indienen verontschuldigbaar?
5. In zijn beroepschrift voert belanghebbende aan dat hij alle benodigde stukken in november 2024 al heeft ingediend en geen post retour heeft ontvangen, zodat hij ervan uit ging dat het correct was bezorgd. Zoals hiervoor al genoemd, heeft de rechtbank het beroepschrift van 8 november 2024 echter niet ontvangen. Bij gebreke van bewijsstukken kan evenmin worden vastgesteld dat belanghebbende dat stuk heeft verzonden, zodat daarmee bij de beoordeling van de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding geen rekening kan worden gehouden.
5.1.
De rechtbank heeft belanghebbende bij brief van 1 juli 2025 in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 29 juli 2025 een reden te geven voor het niet tijdig indienen van het beroepschrift. Dit verzoek is nogmaals gedaan bij aangetekende brief van 4 augustus 2025 en op 8 september 2025. In beide brieven is een termijn van twee weken gegeven. Volgens gegevens van Track&Trace van PostNL is de aangetekende brief afgeleverd op 7 augustus 2025.
5.2.
Belanghebbende heeft geen reden voor de termijnoverschrijding. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk en het bestreden besluit blijft in stand. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van mr. W.M.C. Oomen, griffier, op 6 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 6:7 van Pro de Awb.
2.Dit volgt uit artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
3.Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
4.Onder gewone post wordt verstaan door PostNL of door ieder ander bij de Autoriteit Consument en Markt geregistreerd postvervoerbedrijf.
5.Dit volgt uit artikel 6:9, tweede lid, van de Awb.
6.Dit volgt uit artikel 6:11 van Pro de Awb.