ECLI:NL:RBZWB:2026:73
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Proceskostenveroordeling in bestuursrechtelijke zaak tussen verzoekster en UWV
In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 12 januari 2026, wordt het verzoek van verzoekster om een proceskostenveroordeling tegen het UWV beoordeeld. Verzoekster had eerder beroep ingesteld tegen een besluit van het UWV van 24 juni 2024, maar trok dit beroep in nadat het UWV op 4 september 2025 een nieuwe beslissing op bezwaar had genomen. De rechtbank heeft het UWV in de gelegenheid gesteld om te reageren op het verzoek om proceskostenveroordeling. Het UWV heeft geen verzet aangetekend tegen de betaling van het griffierecht en de kosten van rechtsbijstand die verzoekster had gemaakt.
De rechtbank oordeelt dat het UWV geheel tegemoet is gekomen aan verzoekster door het eerdere besluit in te trekken en alsnog een IVA-uitkering toe te kennen. Hierdoor is het verzoek om proceskostenveroordeling kennelijk gegrond. De rechtbank kent verzoekster een vergoeding van € 934,- toe voor de proceskosten, berekend op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Daarnaast moet het UWV ook het door verzoekster betaalde griffierecht van € 51,- vergoeden. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn geïnformeerd over hun recht om verzet aan te tekenen tegen deze beslissing.