ECLI:NL:RBZWB:2026:731

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
BRE 24/7088
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55c AwbArt. 8:55d AwbArt. 4:13 AwbArt. 6:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens prematuur ingediende ingebrekestelling bij voorlopige aanslag

Belanghebbende stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen op een brief van 1 augustus 2024, waarin zij bezwaar maakte tegen een voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2023. De inspecteur had de voorlopige aanslag op 21 juni 2024 opgelegd en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat tegen een voorlopige aanslag geen bezwaar mogelijk is.

De rechtbank oordeelt dat het bezwaarschrift als een verzoek om herziening van de voorlopige aanslag moet worden aangemerkt. De inspecteur heeft op 22 oktober 2024 op dit verzoek beslist door het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren en de aanslag niet te herzien.

Belanghebbende stelde de inspecteur op 18 september 2024 in gebreke, maar de rechtbank stelt vast dat deze ingebrekestelling prematuur was omdat de beslistermijn voor het verzoek om herziening tot 26 september 2024 liep. Hierdoor is het beroep wegens niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk verklaard en komt de rechtbank niet toe aan inhoudelijke beoordeling of het vaststellen van een dwangsom.

Uitkomst: Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens een prematuur ingediende ingebrekestelling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/7088

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 februari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] (Griekenland), belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat belanghebbende heeft ingesteld, omdat de inspecteur volgens haar niet op tijd heeft beslist naar aanleiding van haar brief van 1 augustus 2024.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Procesverloop

2. De inspecteur heeft met dagtekening 21 juni 2024 een voorlopige aanslag inkomstenbelasting over het jaar 2023 opgelegd.
2.1.
Belanghebbende heeft met dagtekening 1 augustus 2024, ontvangen door de inspecteur op 5 augustus 2024, een brief met als koptekst “Bezwaarschrift” gestuurd.
2.2.
Belanghebbende heeft de inspecteur op 18 september 2024 in gebreke gesteld, omdat de inspecteur niet (tijdig) heeft beslist op het bezwaarschrift.
2.3.
Belanghebbende heeft met dagtekening 8 oktober 2024, ontvangen door de rechtbank op 9 oktober 2024, beroep ingesteld wegens het niet (tijdig) nemen van een uitspraak op bezwaar.
2.4.
De inspecteur heeft op 22 oktober 2024 het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat tegen een voorlopige aanslag geen bezwaar kan worden ingesteld.
Op 28 oktober 2024 heeft de inspecteur het verzoek om een dwangsom afgewezen.
2.5.
Belanghebbende stelt dat de inspecteur het bezwaarschrift als een verzoek om herziening of als verzoek om ambtshalve vermindering had kunnen en moeten aanmerken.
2.6.
De inspecteur voert aan dat belanghebbende enkel bezwaar heeft gemaakt en niet tevens heeft verzocht om herziening van de voorlopige aanslag. De ingebrekestelling vermeldt enkel de aanvraag 'bezwaar' en niet (tevens) het 'verzoek'. De termijn sluit eveneens volledig aan bij het bezwaar en niet bij het verzoek. Zou dit al als verzoek aan te merken zijn, dan is de ingebrekestelling prematuur volgens de inspecteur.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek van belanghebbende met dagtekening 1 augustus 2024 niet-ontvankelijk is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toetsingskader
4. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1] Als de betrokkene de ingebrekestelling te vroeg stuurt, is het beroep niet-ontvankelijk.
Is sprake van een verzoek of bezwaarschrift?
5. De rechtbank stelt voorop dat een voorlopige aanslag niet voor bezwaar vatbaar is. [2] De inspecteur behandelt een bezwaarschrift of in de wet voorzien verzoek dat wegens redenen van formele aard niet-ontvankelijk is, als een verzoek om ambtshalve vermindering. De inspecteur dient op het verzoek om ambtshalve vermindering te beslissen in de uitspraak waarin de niet-ontvankelijkheid wordt uitgesproken. [3] De inspecteur diende in dit geval het bezwaarschrift tegen de voorlopige aanslag, gelet op het voorgaande, aan te merken als een verzoek om herziening van de voorlopige aanslag. [4] De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur in de uitspraak op bezwaar van 22 oktober 2024 heeft beslist op het verzoek om herziening. De inspecteur heeft geen aanleiding gezien de voorlopige aanslag naar een ander bedrag te herzien.
Is het beroep ontvankelijk?
6. Voordat beroep wegens niet tijdig beslissen kan worden ingesteld, moet de inspecteur in gebreke zijn gesteld. Belanghebbende heeft de inspecteur op 15 september 2024 in gebreke gesteld. De rechtbank oordeelt dat deze ingebrekestelling prematuur is. De ingebrekestelling is namelijk op 18 september 2024 ontvangen door de inspecteur, terwijl de inspecteur tot 26 september 2024 had om te beslissen op het verzoek om herziening. De beslistermijn op een verzoek om ambtshalve vermindering bedraagt namelijk 8 weken. [5] Het beroep wegens het niet tijdig beslissen op het verzoek is daarom niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de rechtbank niet aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep van belanghebbende toekomt.
Stelt de rechtbank een dwangsom vast?
7. Aangezien de rechtbank tot het oordeel komt dat het beroep niet-ontvankelijk is, komt de rechtbank niet toe aan het vaststellen van een dwangsom. [6]

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet kan beoordelen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H.W. Steijn, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 6 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.Artikel 9.5, derde lid Wet inkomstenbelasting 2001.
3.Op grond van artikel 45aa Uitvoeringsregeling IB juncto paragraaf 23, zevende lid, onderdeel c, van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht.
4.Dit is in lijn met artikel 45aa Uitvoeringsregeling IB juncto paragraaf 23, zevende lid, onderdeel c, van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht.
5.Artikel 4:13 van Pro de Awb.
6.Op grond van artikel 8:55c dan wel artikel 8:55d van de Awb.