ECLI:NL:RBZWB:2026:733

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
BRE 25/2484
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep tegen dwangbevelkosten

Belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen de dwangbevelkosten van de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2019. De ontvanger van de Belastingdienst had deze kosten in de bezwaarfase volledig verminderd. Desondanks stelde belanghebbende beroep in tegen het besluit van 10 april 2025.

Bij intrekking van het beroep verzocht belanghebbende om veroordeling van de ontvanger in de proceskosten. De ontvanger stelde dat er geen recht op vergoeding bestond omdat het beroep niet-ontvankelijk was en er geen procesbelang meer was, aangezien de kosten al waren verminderd.

De rechtbank oordeelde dat de ontvanger niet aan belanghebbende was tegemoetgekomen in het beroep, omdat de vermindering al in bezwaar had plaatsgevonden. Hierdoor was er geen aanleiding om proceskosten toe te kennen. Het verzoek werd dan ook als kennelijk ongegrond afgewezen.

De uitspraak werd gedaan zonder zitting en is openbaar gemaakt op 6 februari 2026. Partijen kunnen binnen zes weken verzet instellen tegen deze uitspraak.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat de ontvanger de kosten al in bezwaar had verminderd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/2484

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 februari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] (België), belanghebbende

en

de ontvanger van de Belastingdienst, de ontvanger.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van belanghebbende om een veroordeling van de ontvanger in de proceskosten. Belanghebbende heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn beroep tegen het besluit van de ontvanger van 10 april 2025.
1.1.
De rechtbank heeft de ontvanger in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. De ontvanger stelt dat er geen recht bestaat op een vergoeding van de kosten omdat sprake is van een niet-ontvankelijk beroep. Het beroep is ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar over de in rekening gebrachte kosten bij een dwangbevel. Deze kosten waren in bezwaar echter al volledig verminderd. Er was dus geen sprake meer van een procesbelang. Daarnaast stelt de ontvanger dat geen recht bestaat op de vergoeding van verletkosten, omdat er geen zitting heeft plaatsgevonden. Verder vallen portokosten niet onder verschotten en is de vergoeding van andere kosten niet bedoeld voor een vergoeding van tijdverzuim voor behandeling van de zaak.
1.2.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2] De rechtbank moet dus beoordelen of de ontvanger geheel of gedeeltelijk aan belanghebbende is tegemoetgekomen.
Is de ontvanger aan belanghebbende tegemoetgekomen?
4. Op 11 maart 2025 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de dwangbevelkosten van de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2019 met aanslagnummer [aanslagnummer] H.96.01. De ontvanger heeft op 10 april 2025 uitspraak op bezwaar gedaan en de in rekening gebrachte vervolgingskosten uit coulance verlaagt tot € 0,-. Bij brief met dagtekening van 16 april 2025 heeft belanghebbende beroep ingesteld. De vervolgingskosten van het dwangbevel waartegen het beroep zich richtte zijn reeds in de bezwaarfase verminderd. Hiermee is de ontvanger dus niet tegemoetgekomen aan het beroep van belanghebbende. Er bestaat daarom geen aanleiding om de proceskosten te vergoeden. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk ongegrond af.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H.W. Steijn, rechter, in aanwezigheid van
R.P.A.G. Dekkers, griffier, op 6 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).