ECLI:NL:RBZWB:2026:739

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
02-218740-24
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 342 SvArt. 243 lid 2 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs opzetverkrachting met dwang en geweld

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 26 januari 2026 de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van opzetverkrachting met dwang en geweld gepleegd op 6 of 7 juli 2024. Het slachtoffer verklaarde dat verdachte haar op een feestje had verkracht, maar verdachte ontkende de tenlastelegging.

De officier van justitie achtte de verklaring van het slachtoffer betrouwbaar en ondersteund door getuigenverklaringen en observaties van de moeder van het slachtoffer. De verdediging betoogde dat er onvoldoende bewijs was, geen DNA-sporen van verdachte waren gevonden en dat de getuigen geen seksuele handelingen hadden waargenomen.

De rechtbank oordeelde dat in zedenzaken het bewijsminimum vereist dat de verklaring van het slachtoffer steun vindt in ander bewijsmateriaal. De verklaringen van getuigen en de moeder boden onvoldoende steun, en het ontbreken van DNA-sporen versterkte dit. Daarom was het bewijs onvoldoende om verdachte te veroordelen.

De rechtbank sprak verdachte vrij van het ten laste gelegde feit van opzetverkrachting met dwang en geweld. Het vonnis werd uitgesproken op 9 februari 2026 door een meervoudige kamer onder leiding van kinderrechters.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs en het niet voldoen aan het bewijsminimum.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02-218740-24
Vonnis van de meervoudige kamer van 9 februari 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] (Eritrea) op [geboortedag] 2007,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,
raadsman mr. H. Goedegebure, advocaat te Middelburg.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting met gesloten deuren van 26 januari 2026, waarbij de officier van justitie mr. L. van Hemert en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich op 6 of 7 juli 2024 te [plaats] schuldig heeft gemaakt aan opzetverkrachting van [aangeefster] met dwang, geweld en/of bedreiging.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de opzetverkrachting met dwang en geweld heeft gepleegd. De verklaringen van [aangeefster] zijn betrouwbaar en worden ondersteund door de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] en door de verklaring van de moeder van [aangeefster] , die emoties bij [aangeefster] heeft waargenomen kort nadat het feit zou zijn gepleegd. De officier van justitie vordert een jeugddetentie voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en de door de Raad voor de Kinderbescherming geadviseerde voorwaarden met jeugdreclasseringstoezicht. Daarnaast vordert zij oplegging van de leerstraf So Cool.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen omdat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat. Verdachte ontkent het feit en de verklaring van [aangeefster] wordt niet ondersteund door ander bewijs. De gehoorde getuigen hebben geen seksuele handelingen gezien. Het verwilderde uiterlijk en de emoties die de moeder van [aangeefster] bij haar heeft geconstateerd, kunnen te maken hebben met de dronken toestand waarin ze verkeerde en kunnen niet worden gekoppeld aan het feit. Ontlastend is dat er geen DNA van verdachte is aangetroffen bij [aangeefster] . Verdachte moet daarom worden vrijgesproken van het feit.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
Bewijsminimum
In zedenzaken zijn doorgaans slechts twee personen aanwezig bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: het veronderstelde slachtoffer en de verdachte. Indien de verdachte ontkent, moet de rechtbank beoordelen of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is voldaan. Dat bewijsminimum houdt in dat het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Er moet sprake zijn van steunbewijs, dat afkomstig is van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Uit rechtspraak van de Hoge Raad kan onder meer worden afgeleid dat voor een bewezenverklaring van verkrachting niet is vereist dat de verkrachting als zodanig bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, maar dat het voldoende is dat de verklaring van degene die de belastende verklaring heeft afgelegd (in dit geval aangeefster) op bepaalde punten bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, afkomstig van een andere bron dan de aangeefster. Tussen de verklaring van de aangeefster en dat overige bewijsmateriaal mag niet een te ver verwijderd verband bestaan.
Verklaringen van [aangeefster] en verdachte
[aangeefster] heeft verklaard dat zij op een feestje was in een voetbalkantine samen met een vriendin (getuige [getuige 1] ), dat zij dronken waren en dat [aangeefster] zich duizelig voelde. Verdachte en een vriend van hem (getuige [getuige 2] ) waren ook aanwezig. Verdachte stelde voor naar buiten te gaan en ze zijn vervolgens met zijn vieren een stukje gaan lopen. In een steegje achter een huis heeft verdachte haar gevingerd. [aangeefster] zei heel de tijd “nee”. Verdachte en zijn vriend hebben [aangeefster] en haar vriendin uit elkaar gehaald. [aangeefster] is met verdachte meegegaan naar een bosschage, waar hij haar heeft verkracht. Hij heeft haar op de grond geduwd, haar broek naar beneden getrokken en zijn penis in haar vagina gedaan.
Verdachte heeft ontkend dat dit is gebeurd. Het klopt volgens hem wel dat ze met zijn vieren een stukje hebben gelopen, maar hij is niet alleen geweest met [aangeefster] en er hebben volgens hem geen seksuele handelingen plaatsgevonden.
Steunbewijs?
De rechtbank moet beoordelen of er sprake is van steunbewijs voor de verklaring van [aangeefster] en overweegt daarover als volgt. Getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hebben verklaard dat zij geen seksuele handelingen hebben gezien en niets hebben gehoord wat daarop zou wijzen (zoals het ‘nee, nee’ roepen door [aangeefster] ). Op grond van hun verklaringen kan evenmin met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat zij zich op een gegeven moment op zodanige afstand van [aangeefster] en verdachte bevonden dat seksuele handelingen hebben kunnen plaatsvinden zonder dat zij dat hadden kunnen waarnemen. De rechtbank is daarom van oordeel dat hun verklaringen onvoldoende steun bieden voor het feit. Hetzelfde geldt voor de verklaring van de moeder van [aangeefster] over de waargenomen emoties en het verwilderde uiterlijk van [aangeefster] . Uit meerdere afgelegde verklaringen volgt dat [aangeefster] dronken was, daardoor moeilijk kon lopen en een paar keer wegviel en een keer heeft overgegeven. Ook blijkt uit het dossier dat zij zich daarvoor schaamde. Dit zijn omstandigheden die haar verwilderde uiterlijk en emoties ook kunnen verklaren. Tot slot blijkt uit het verrichte DNA-onderzoek niet dat er DNA van verdachte bij [aangeefster] is aangetroffen.
Gelet op de bovenstaande overwegingen is naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd, omdat het dossier daarvoor onvoldoende bewijs bevat. Verdachte zal van het feit worden vrijgesproken.

5.Beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
-
spreekt verdachte vrijvan het ten laste gelegde feit.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.C.W. Haesen, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mr. P.W.G. de Beer en mr. N. van der Hoeven, kinderrechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.J. van der Welle, griffier,
en is uitgesproken ter de openbare zitting op 9 februari 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
hij op of omstreeks 6/7 juli 2024 te [plaats]
met een persoon, te weten [aangeefster]
een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het
seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
het duwen/brengen van zijn vinger(s) en/of penis in de vagina van die [aangeefster] ,
terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangeefster] daartoe de wil ontbrak
en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd
door dwang, geweld en/of bedreiging, die [aangeefster] , terwijl zij dronken was, naar een
afgelegen plek heeft geleid en/of met zijn hand in de broek van die [aangeefster] is gegaan
en/of die [aangeefster] op de grond heeft geduwd en/of op de grond geduwd gehouden
en/of de broek van die [aangeefster] naar beneden getrokken;
( art 243 lid 2 Wetboek Pro van Strafrecht )