ECLI:NL:RBZWB:2026:769

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
02.079865.24 en 02.400679-24 (ttz gev)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 141 lid 1 SrArt. 141 lid 2 SrArt. 300 lid 1 SrArt. 300 lid 2 SrArt. 9 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak openlijke geweldpleging en taakstraf voor mishandeling met zwaar lichamelijk letsel

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 10 februari 2026 de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van openlijke geweldpleging op 31 december 2023 en mishandeling met zwaar lichamelijk letsel op 9 mei 2024.

Voor het eerste feit kon niet worden bewezen dat verdachte in vereniging geweld heeft gepleegd tegen de benadeelden, waardoor hij hiervoor werd vrijgesproken. Wel erkende verdachte het plegen van geweldshandelingen die als mishandeling gekwalificeerd kunnen worden, maar deze waren niet ten laste gelegd.

Voor het tweede feit oordeelde de rechtbank dat verdachte met een gebalde vuist de linkerkaak van de benadeelde heeft gestompt, wat resulteerde in een gebroken kaak en afgebroken tanden. Dit werd als zwaar lichamelijk letsel aangemerkt. Verdachte had bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zwaar letsel zou ontstaan, waarmee opzet werd vastgesteld.

De rechtbank legde een taakstraf van 120 uur op, met vervangende hechtenis van 60 dagen bij niet-nakoming. Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot schadevergoeding van €2.091,81 aan de benadeelde, inclusief immateriële schade en wettelijke rente vanaf de datum van het feit.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van openlijke geweldpleging en veroordeeld tot 120 uur taakstraf voor mishandeling met zwaar lichamelijk letsel.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummers: 02.079865.24 en 02.400679-24 (ttz gev)
Vonnis van de meervoudige kamer van 10 februari 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2005,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,
raadsman mr. M. Broere, advocaat te Roosendaal.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 27 januari 2026, waarbij de officier van justitie mr. L.J. den Braber, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Ter zitting zijn overeenkomstig artikel 285 van Pro het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
Parketnummer 02.079865-25:
op 31 december 2023 openlijk geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde 1] (hierna: [benadeelde 1] ) en [benadeelde 2] ;
Parketnummer 02.400679-24:
op 9 mei 2024 [benadeelde 3] heeft mishandeld, met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg, namelijk een gebroken linkerkaak en meerdere (af)gebroken kiezen en/of tanden.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten onder beide parketnummers heeft begaan. Bij het feit onder parketnummer 02.079865-24 baseert zij zich op de aangifte, de camerabeelden en de bekennende verklaring van verdachte. Bij het feit onder parketnummer 02.400679-24 baseert zij zich op de verklaring van aangever [benadeelde 3] , de getuigenverklaring van [getuige] (hierna: [getuige] ) en de camerabeelden.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Bij het feit onder parketnummer 02.079865-24 stelt de verdediging dat verdachte geen medepleger is. Daarom dient vrijspraak te volgen. Bij het feit onder parketnummer 02.400679-24 stelt de verdediging dat de klap die zou zijn uitgedeeld door verdachte niet te zien is en verdachte ontkent te hebben geslagen. [getuige] heeft de klap niet gezien. Hij heeft alleen gezien dat iemand werd afgevoerd en dat dat verdachte was, maar dat is onvoldoende voor het bewijs. Ook voor dit feit dient vrijspraak te volgen. Subsidiair is betoogd dat er geen zwaar lichamelijk letsel is veroorzaakt door de klap. Daarvoor dient dan partieel vrijspraak te volgen.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Parketnummer 02.079865-24:
Op basis van het dossier en wat op zitting is besproken stelt de rechtbank vast dat op 31 december 2023 in het uitgaansgebied in het centrum van Oosterhout een conflict heeft plaatsgevonden tussen verdachte en zijn vrienden en [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en hun vrienden.
Verdachte heeft bekend dat hij met zijn vuist [benadeelde 1] in zijn gezicht heeft geslagen waardoor [benadeelde 1] uit balans raakte. Hierna heeft verdachte nog een vuistslag op het achterhoofd van [benadeelde 1] gegeven, waardoor hij op de grond viel. Ook heeft verdachte bekend dat hij vervolgens nog een trappende beweging heeft gemaakt in de richting van het lichaam van [benadeelde 2] . Deze handelingen van verdachte zijn ten laste gelegd onder de gedachtestreepjes 1 en 2.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan openlijk geweld. De rechtbank dient daarom te beoordelen of bovenstaande gedragingen kunnen worden gekwalificeerd als openlijk geweld. Daarvoor moet er sprake zijn van openlijk en met verenigde krachten plegen van geweld tegen in dit geval [benadeelde 1] en [benadeelde 2] .
De rechtbank stelt vast dat de tenlastelegging alleen het geweld bevat dat zou zijn gepleegd tegen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] . Geweld dat door anderen tegen andere personen zou zijn gepleegd, is niet in de tenlastelegging opgenomen. Dit betekent dat de rechtbank alleen geweld dat tegen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] is gepleegd, kan meewegen in de beoordeling van de vraag of er openlijk en met verenigde krachten geweld is gepleegd door verdachte. De rechtbank stelt vast dat uit het dossier niet volgt dat ook door iemand anders geweld tegen [benadeelde 1] (in de vorm van in het gezicht slaan/stompen) dan wel [benadeelde 2] (in de vorm van trappende bewegingen in de richting van het lichaam van deze [benadeelde 2] ) is gepleegd. Dit betekent dat niet kan worden bewezen dat sprake is van het in vereniging plegen van geweld, zoals wel is vereist voor een bewezenverklaring van openlijke geweldpleging.
Gelet op de bovenstaande overwegingen is naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd, zodat verdachte van het feit zal worden vrijgesproken.
De rechtbank merkt op dat de door verdachte gepleegde geweldshandelingen waarbij het slachtoffer wordt geraakt op zichzelf verwijtbare strafbare gedragingen zijn en zouden (op zijn minst) kunnen worden gekwalificeerd als mishandeling. Mishandeling is echter niet aan verdachte tenlastegelegd, waardoor de rechtbank verdachte voor dit feit moet vrijspreken.
Parketnummer 02.400679-24:
Op basis van het dossier en wat op zitting is besproken stelt de rechtbank vast dat op
9 mei 2024 in Den Hout een schermutseling plaatsvond waarbij aangever [benadeelde 3] tegen het gezicht werd gestompt.
Verdachte heeft ontkend dat hij degene is geweest die aangever heeft geslagen. Echter, aangever geeft in zijn aangifte expliciet aan dat het verdachte is geweest die hem mishandeld heeft. Daarnaast is er [getuige] die verklaard heeft dat degene die aangever sloeg, ook degene is die door de beveiliging is meegenomen. Verdachte heeft verklaard ter zitting dat hij door de beveiliging is meegenomen. Daarbij komt dat op de camerabeelden te zien is dat degene die slaat, ook degene is die door de beveiliging is meegenomen. Tot slot heeft ook de rechtbank ter zitting de beelden bekeken en geconstateerd dat verdachte op de camerabeelden in de buurt van aangever stond, in het zwart gekleed was en degene die sloeg een zwarte mouw had. Dit alles bij elkaar maakt dat de rechtbank geen enkele twijfel heeft dat het verdachte is geweest die de mishandeling heeft gepleegd.
De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of sprake is van zwaar lichamelijk letsel en vervolgens of verdachte opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [benadeelde 3] .
Is sprake van zwaar lichamelijk letsel?
De rechtbank is van oordeel dat het letsel van aangever, een gebroken linkerkaak en drie afgebroken tanden en/of kiezen naar gewoon spraakgebruik als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt. Daarbij heeft de rechtbank, volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, gekeken naar de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Verdachte heeft diverse ingrepen moeten ondergaan bij de tandarts voor het herstel aan zijn tanden/kiezen. Het kan zijn dat er in de toekomst nog behandelingen nodig zijn aan de tanden. Gelet op de vastgestelde aard van het letsel en de aard van medisch ingrijpen is sprake van zwaar lichamelijk letsel.
Is er sprake van (voorwaardelijk opzet) op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel?
Verdachte heeft aangever met de vuist tegen de linkerkaak geslagen. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gezicht en daarmee het hoofd, een kwetsbaar onderdeel is van het lichaam, door de zich daar bevindende vitale onderdelen zoals de slaap en de hersenen. De kans dat iemand die met kracht met de vuist in zijn gezicht wordt geslagen zwaar lichamelijk letsel oploopt, is naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten.
De handelingen van verdachte moeten naar hun aard en uiterlijke verschijningsvorm ook worden geacht daarop gericht te zijn geweest, aangezien verdachte met zijn vuist tegen het gezicht van aangever heeft geslagen. Bovendien blijkt uit het opgelopen letsel door aangever, te weten een gebroken linkerkaak en drie afgebroken kiezen en/of tanden. dat verdachte met kracht heeft geslagen. Dit blijkt ook uit de beelden waarop te zien is dat aangever een beweging naar achteren maakt en naar de grond zakt. Door zo te handelen heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangever zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.
Dit alles maakt dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte aangever heeft
mishandeld met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
Parketnummer 02.400679-24:
op 9 mei 2024, te Den Hout (gemeente Oosterhout ), [benadeelde 3]
[benadeelde 3] heeft mishandeld door die [benadeelde 3] met kracht met gebalde vuist
tegen diens linkerkaak te stompen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een
gebroken linkerkaak en drie afgebroken kiezen en/of tanden, ten gevolge heeft gehad;
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf van 180 uren, bij niet uitvoeren te vervangen door 90 dagen vervangende hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaar.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
Gelet op de verweren van de verdediging dient geen strafoplegging te volgen.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich op 9 mei 2024 schuldig gemaakt aan mishandeling van [benadeelde 3] . Verdachte heeft met kracht, maar ook onverwachts, tegen zijn linkerkaak gestompt, waardoor hij zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, namelijk een gebroken linkerkaak en drie afgebroken kiezen en/of tanden. Uit het verzoek tot schadevergoeding en de op zitting voorgedragen schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat [benadeelde 3] lang last heeft (gehad) van zijn letsel. Voor één tand heeft hij onlangs nog een herstelbehandeling moeten ondergaan. Naast fysieke klachten heeft [benadeelde 3] ook psychische klachten. Door de mishandeling zijn bij hem gevoelens van angst en onveiligheid ontstaan. Met name omdat volgens [benadeelde 3] zijn mishandeling een vervolg is op een eerder conflict wat heeft plaatsgevonden tussen zijn vriendengroep en de vriendengroep van verdachte op 31 december 2023. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij op een maatschappelijk onverantwoorde wijze heeft gehandeld en dat hij met zijn handelen een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [benadeelde 3] . Het geweld heeft zich daarnaast afgespeeld in het openbaar, namelijk bij een festival in Den Hout. Hierdoor zijn ook omstanders daarmee geconfronteerd. Ook voor hen kan dit een nare en beangstigende gebeurtenis zijn geweest. Verdachte heeft met dit alles geen rekening gehouden.
Uit het strafblad van verdachte volgt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Er is dus geen sprake van recidive.
De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op het reclasseringsrapport van 19 januari 2026. Door de ontkennende houding van verdachte heeft de reclassering onvoldoende verbanden kunnen leggen tussen mogelijke problemen op de verschillende leefgebieden en het feit. Ook kan door deze houding het gevaar op herhaling niet worden ingeschat. Het vermoeden bestaat dat zijn sociale netwerk, zijn psychosociaal functioneren en mogelijk ook middelengebruik een rol hebben gespeeld bij het feit. Verder lijkt verdachte zijn leven op orde te hebben. Zo heeft hij werk in de logistieke sector, woont hij bij zijn ouders en heeft hij een steunend netwerk van familie en zijn vriendin. De reclassering adviseert om het volwassenenstrafrecht toe te passen. Zij zien op basis van zijn ontkennende houding geen mogelijkheden om met interventies of toezicht risico’s te beperken of het gedrag te veranderen. Zij adviseren daarom een straf zonder bijzondere voorwaarden.
De rechtbank neemt deze proceshouding in het nadeel van verdachte mee. Verdachte heeft ontkend het feit te hebben gepleegd, terwijl deze ontkenning niet wordt ondersteund door de inhoud van het dossier. Verdachte heeft dan ook geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen.
De rechtbank constateert dat voor de bewezenverklaarde mishandeling met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbend geen oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) beschikbaar zijn. Bij het bepalen van de straf zoekt de rechtbank daarom aansluiting bij de oriëntatiepunten voor het plegen van een mishandeling met behulp van een slagwapen of door een kopstoot, lichamelijk letsel ten gevolge hebbend.
Er is hier geen wapen gebruikt, maar wel sprake van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank legt aan verdachte op een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 120 uur.

7.De vorderingen van de benadeelde partijen

Parketnummer 02.079865-24:

De benadeelde partij
[benadeelde 1]vordert een schadevergoeding van
€ 5.666,16voor onderhavig feit.
Verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Parketnummer 02.400679-24:
De benadeelde partij
[benadeelde 3]vordert een schadevergoeding van
€ 2.091,81voor onderhavig feit.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van
€ 2.091,81,waarvan € 91,81 materiële schade en € 2.000,- immateriële schade.
Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 9 mei 2024.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.(vul naam in van de benaddelde partij met alleen voorletters)

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.Beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
-
spreekt verdachte vrijvan het onder
parketnummer 02.079865-24ten laste gelegde feit;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
Parketnummer 02.400679-24:
Mishandeling, terwijl dit feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een taakstraf van 120 uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht,
vervangende hechteniszal worden toegepast van
60 dagen;
Benadeelde partijen
Parketnummer 02.079865-24:
- verklaart de benadeelde partij
[benadeelde 1]niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil;
Parketnummer 02.400679-24:
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij
[benadeelde 3]van
€ 2.091,81,waarvan € 91,81 aan materiële schade en € 2.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 9 mei 2024 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[benadeelde 3] , € 2.091,81te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 9 mei 2024 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling
20 dagen gijzelingkan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.H. Hamburger, voorzitter, mr. S. Tempel en
mr. R. Combee, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.B.H. van Overveld, griffier, en is uitgesproken ter de openbare zitting op 10 februari 2026.
Mr. Hamburger en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Parketnummer 02.079865-24
hij op of omstreeks 31 december 2023 te Oosterhout , gemeente Oosterhout , openlijk, te weten op of aan de Klappeijstraat, gelegen in het uitgaansgebied in het centrum van Oosterhout , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] door:
- voornoemde [benadeelde 1] meermalen, althans eenmaal, met kracht (met de vuist) in het gezicht en/of
tegen het hoofd te stompen en/of te slaan en/of
- een trappende beweging te maken in de richting van het lichaam van voornoemde [benadeelde 3] ;
(Artikel art 141 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 141 lid 2 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht)
Parketnummer 02.400679-24
hij op of omstreeks 9 mei 2024, te Den Hout (gemeente Oosterhout ), [benadeelde 3]
[benadeelde 3] heeft mishandeld door die [benadeelde 3] met kracht met gebalde vuist
op/tegen diens linkerkaak en/of gezicht en/of hoofd en/of lichaam te slaan en/of te
stompen en/of te stoten, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een
gebroken linkerkaak en/of drie (af-)gebroken kiezen en/of tanden, in elk geval enig
letsel, ten gevolge heeft gehad;
( art 300 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 300 lid 2 Wetboek Pro van Strafrecht )