ECLI:NL:RBZWB:2026:780

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
BRE 25/2099
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 8:54 AwbArt. 9.6 Wet inkomstenbelasting 2001
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaar niet-ontvankelijk wegens te late indiening, ambtshalve vermindering terugverwezen

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2020, maar diende dit bezwaar te laat in. De rechtbank oordeelt dat de termijn van zes weken, die begon te lopen op 24 september 2021, is overschreden omdat het bezwaarschrift pas op 9 oktober 2023 werd ontvangen. Een fout van de accountant kan niet worden aangemerkt als een verschoonbare reden, waardoor het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

Daarnaast heeft belanghebbende een verzoek om ambtshalve vermindering ingediend, dat door de inspecteur is afgewezen. Omdat belanghebbende nog geen uitspraak op bezwaar heeft ontvangen over dit verzoek, verwijst de rechtbank de zaak terug naar de inspecteur om alsnog op het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek te beslissen.

De rechtbank wijst het beroep tegen het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar af en verklaart het beroep kennelijk ongegrond voor zover het daarop ziet. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Partijen worden gewezen op de mogelijkheid tot verzet binnen zes weken na bekendmaking van deze uitspraak.

Uitkomst: Het bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening zonder verschoonbare reden en de zaak is terugverwezen voor de ambtshalve vermindering.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/2099

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 februari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 18 maart 2025. Het beroep ziet op de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2020 met [aanslagnummer] H.06.01.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk ongegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De inspecteur heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar niet tijdig was ingediend. De rechtbank komt tot het oordeel dat het bezwaar te laat is ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. De inspecteur heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
Toetsingskader
3. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. [1] Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van het aanslagbiljet of van de voor bezwaar vatbare beschikking. [2] Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop dat aanslagbiljet of die beschikking is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending. Een bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. [3]
3.1.
Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is anders als het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verontschuldigbaar is. Dan laat het bestuursorgaan niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. [4]
Is het bezwaarschrift te laat ingediend?
4. Vast staat dat de dagtekening van de aanslag 24 september 2021 is. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de verzending ervan later dan die datum heeft plaatsgevonden. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift eindigde dus op 5 november 2021.
4.1.
De Belastingdienst heeft het bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen op 9 oktober 2023. Het bezwaarschrift is dus niet tijdig ingediend.
Is het te laat indienen verontschuldigbaar?
5. Belanghebbende heeft hiervoor de volgende reden gegeven. Zijn aangifte inkomstenbelasting wordt altijd ingevuld door zijn accountant en hij geeft slechts akkoord. De aanslag bevatte echter een fout die niet door hem of zijn accountant is opgemerkt. Belanghebbende stelt dat het bezwaar alsnog ontvankelijk verklaard dient te worden, gelet op het grote financiële belang
5.1.
Een fout van een adviseur of accountant waarvan belanghebbende te laat kennisneemt, komt voor rekening en risico van belanghebbende zelf. Het had op de weg van belanghebbende gelegen om de ingevulde aangifte te controleren voordat er akkoord werd gegeven. Wanneer een termijnoverschrijding aan belanghebbende zelf toe te rekenen is, is geen sprake van een situatie zoals bedoeld in artikel 6:11 van Pro de Awb. De rechtbank acht ook geen sprake van geringe verwijtbaarheid aan de zijde van belanghebbende. Het te laat indienen is dus niet verontschuldigbaar.
De ambtshalve beslissing
6. In de brief met dagtekening 23 april 2025 – ontvangen bij de Belastingdienst op 24 april 2025 – heeft belanghebbende een verzoek om ambtshalve vermindering gedaan. De inspecteur heeft het verzoek om ambtshalve vermindering afgewezen. Echter, Op grond van artikel 9.6, vijfde lid van de Wet inkomstenbelasting 2001, heeft de inspecteur bij een voor bezwaar vatbare beschikking beslist op dit verzoek om ambtshalve vermindering. In de afwijzing op het verzoek om ambtshalve vermindering heeft de inspecteur belanghebbende gewezen op de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen deze afwijzing.
6.1.
De inspecteur heeft in zijn verweerschrift aangegeven dat het bezwaarschrift tegen de ambtshalve vermindering inmiddels in behandeling is genomen en hij daarom geen reden ziet om in te stemmen met het verzoek om prorogatie.

Conclusie en gevolgen

7. Het bezwaar is daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is daarom kennelijk ongegrond voor zover het op die beslissing ziet. De rechtbank kan niet oordelen voor zover het beroep ziet op de afwijzingsbeschikking bij het verzoek om ambtshalve vermindering. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond voor zover het beroep zich richt tegen het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar;
  • wijst de zaak terug naar verweerder en draagt verweerder op om alsnog op het bezwaar met betrekking tot de afwijzende beschikking op het verzoek om ambtshalve vermindering te beslissen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H.W. Steijn, rechter, in aanwezigheid van
R.P.A.G. Dekkers, griffier, op 9 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 6:7 van Pro de Awb.
2.Dit volgt uit artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
3.Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
4.Dit volgt uit artikel 6:11 van Pro de Awb.