ECLI:NL:RBZWB:2026:795

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
BRE 25/2046
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning proceskostenvergoeding na intrekking beroep wegens herziening besluit inspecteur

Belanghebbende B.V. heeft beroep ingesteld tegen een besluit van de inspecteur van de Belastingdienst, maar dit beroep ingetrokken nadat de inspecteur het besluit had herzien en tegemoet was gekomen aan de bezwaren van belanghebbende.

De rechtbank heeft vervolgens het verzoek van belanghebbende beoordeeld om de inspecteur te veroordelen tot betaling van proceskosten. De inspecteur stemde in met een forfaitaire vergoeding voor de beroepsfase, maar stelde dat de proceskosten niet nader waren onderbouwd.

De rechtbank oordeelde dat de inspecteur inderdaad aan belanghebbende was tegemoetgekomen door de herziening van het besluit en wees het verzoek tot proceskostenvergoeding toe. Gezien de professionele bijstand van een gemachtigde werd de vergoeding vastgesteld op € 934, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Daarnaast wees de rechtbank erop dat de inspecteur ook het griffierecht van € 385 moet vergoeden.

De uitspraak werd gedaan door rechter A.H.W. Steijn op 9 februari 2026 en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 934 aan proceskosten aan belanghebbende.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/2046
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 9 februari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. J. van ’t Veer-Metikos),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van belanghebbende om een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten. Belanghebbende heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn beroep tegen het besluit van de inspecteur van 25 februari 2025. Hij heeft het beroep ingetrokken omdat de inspecteur dit besluit heeft herzien.
1.1.
De rechtbank heeft de inspecteur in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. De inspecteur heeft de rechtbank meegedeeld dat hij akkoord is met de toekenning van een forfaitaire proceskostenvergoeding voor de beroepsfase. De inspecteur heeft voor de bezwaarfase reeds een bedrag van € 647,- toegekend en uitbetaald of verrekend. Daarnaast stelt de inspecteur dat belanghebbende de proceskosten voor de beroepsfase niet nader heeft onderbouwd, waardoor de inspecteur deze proceskostenveroordeling niet kan beoordelen.
1.2.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]
Is de inspecteur aan belanghebbende tegemoetgekomen?
4. De rechtbank moet dus beoordelen of de inspecteur geheel of gedeeltelijk aan belanghebbende is tegemoetgekomen.
4.1.
Op 16 april 2025 heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen het bestreden besluit waarin het bezwaar van belanghebbende ongegrond is verklaard. De inspecteur geeft in het verweerschrift van 22 juli 2025 aan dat de uitkeringslasten na 25 december 2025 ten onrechte zijn doorbelast aan belanghebbende. De inspecteur geeft aan dat de uitkeringslast gecorrigeerd zal worden en op basis daarvan een nieuwe beschikking gedifferentieerde premie werkhervattingskas 2024 wordt vastgesteld. Hiermee is de inspecteur tegemoetgekomen aan het beroep van belanghebbende.
Welk bedrag aan proceskosten moet de inspecteur aan belanghebbende vergoeden?
5. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Belanghebbende krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen. Ten aanzien van de proceskostenvergoeding ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld welke kosten belanghebbende bepleit. Belanghebbende heeft deze niet gespecificeerd. Gelet op de omstandigheid dat sprake is van bijstand door een professionele gemachtigde, vult de rechtbank de beroepsgronden aan in die zin dat het Besluit proceskosten bestuursrecht van toepassing wordt geacht. Voor vergoeding van overige kosten ziet de rechtbank geen aanleiding, omdat deze niet zijn gesteld.
5.1.
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. Belanghebbende heeft recht op 1 punt voor het beroepschrift, met een waarde van € 934. De totale vergoeding bedraagt dus € 934.
Krijgt belanghebbende een vergoeding van het griffierecht?
6. De rechtbank wijst erop dat de inspecteur verplicht is het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 385,- te vergoeden. [3] Belanghebbende moet zich hiervoor dan ook tot de inspecteur wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H.W. Steijn, rechter, in aanwezigheid van
R.P.A.G. Dekkers, griffier, op 9 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3.Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.