Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:799

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
C/02/444119 HA RK 26-11 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Rechters
  • mr. Peters
  • mr. Van de Sande
  • mr. Sterk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wraking rechter wegens vermeende partijdigheid ongegrond verklaard

Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen mr. Hindriks, de rechter belast met de behandeling van de bestuursrechtelijke zaak BRE 25/273, op grond van vermeende partijdigheid. Verzoeker stelde dat de rechter de stelling van verweerder klakkeloos had aangenomen zonder deze te laten onderbouwen, terwijl van verzoeker wel werd gevraagd zijn stelling te onderbouwen.

De rechter berustte niet in het wrakingsverzoek en gaf aan dat zij nog geen onderbouwing van de korpschef had gevraagd en dat zij kritische vragen aan beide partijen had gesteld. De wrakingskamer toetste het verzoek aan artikel 8:15 Awb Pro en het uitgangspunt dat rechters worden vermoed onpartijdig te zijn.

Uit het proces-verbaal van de zitting bleek dat verzoeker voldoende gelegenheid had gehad om zijn standpunt toe te lichten en te reageren op de vraagstelling van de rechter. De wrakingskamer vond onvoldoende aanknopingspunten voor een zwaarwegende aanwijzing van vooringenomenheid of een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor.

Daarom werd het wrakingsverzoek ongegrond verklaard en werd bepaald dat de behandeling van de zaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens het wrakingsverzoek. Een proceskostenvergoeding werd niet toegekend.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt ongegrond verklaard en de zaak wordt voortgezet.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Wrakingskamer
Locatie Breda
zaaknummer C/02/444119 HA RK 26-11
beslissing van 6 februari 2026 inzake het wrakingsverzoek ex artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van:
[verzoeker] ,
hierna te noemen: verzoeker,
bijgestaan door: [naam] .

1.Het procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit:
  • de processtukken zoals opgenomen in het procesdossier met nummer BRE 25/273, waaronder het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 8 januari 2026,
  • het wrakingsverzoek ontvangen op 8 januari 2026,
  • het e-mailbericht van 19 januari 2026 van mr. Hindriks, de gewraakte rechter, waarin zij kenbaar heeft gemaakt niet in het wrakingsverzoek te berusten en zij haar verhinderdata heeft doorgegeven,
  • de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek op 26 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

2.Het verzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van mr. Hindriks, hierna de rechter, belast met de behandeling van de zaken met nummer BRE 25/273.
2.2.
De rechter berust niet in het wrakingsverzoek.

3.De gronden van het wrakingsverzoek

3.1.
Verzoeker voert, samengevat, de volgende wrakingsgronden aan:
Op het moment dat verweerder op de zitting stelde dat met het hoogste autorisatieniveau is gezocht werd door de rechter niet gevraagd of verweerder deze stelling kon onderbouwen. Nadat verzoeker stelde dat de stelling van verweerder niet klopt werd aan hem gevraagd of hij dat kon onderbouwen. Door verweerder klakkeloos te geloven toen die stelde dat met het hoogste autorisatieniveau is gezocht en verzoeker zijn stelling moest onderbouwen is door de rechter de schijn van partijdigheid gewekt.

4.De reactie van de rechter

4.1.
De rechter heeft aangegeven niet in de wraking te berusten.
4.2.
Tijdens de zitting heeft de rechter toegelicht dat zij verweerder op dit specifieke punt nog niet om een nadere onderbouwing had gevraagd. Zij gaf aan dit te beoordelen in haar beslissing. Verder heeft zij toegelicht aan beide partijen kritische vragen te hebben gesteld. Zij heeft met haar uitspraak: “
Ik heb van de korpschefnoggeen onderbouwing gevraagd.” niet bedoeld dat het nadere onderbouwen door verweerder op de zitting nog zou plaatsvinden.

5.De beoordeling

Toetsingskader
5.1.
Op grond van artikel 8:15 van Pro de Awb kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
5.2.
De wrakingskamer stelt het volgende voorop. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter geldt het uitgangspunt, dat een rechter op grond van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn. Een uitzonderlijke omstandigheid kan een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter ten aanzien van een procespartij een vooringenomenheid koestert, of dat een bij een partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
5.3.
De wrakingskamer moet daarom onderzoeken of de door verzoeker aangevoerde specifieke feiten en omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens hem een vooringenomenheid koestert of dat de door verzoeker geuite vrees daarvoor – objectief – gerechtvaardigd is.
Beoordeling van de gronden
5.4.
In het proces-verbaal van de zitting van 8 januari 2026 is onder meer het volgende vermeld:
“(…) Gemachtigde: Nieuw is dat ter zitting wordt aangegeven dat op het hoogste niveau is gezocht. De politie zegt iets, maar onderbouwt dat niet. Dat is een stelling van de politie. Ik verzoek de rechtbank om of beide partijen te geloven of geen van de partijen en daar dn de consequenties aan te verbinden. In het bestuursrecht wordt het bestuursorgaan geloofd zonder onderbouwing en ik moet onderbouwen. Waarom vertrouwt u de korpschef wel en mij niet? Ik wil graag een schorsing van een paar minuten om te overleggen met eiser.
Rechtbank:
U poneert best wat over het bestuursrecht en ik wil niet dat u mij woorden in de mond legt. Ik heb van de korpschefnoggeen onderbouwing gevraagd. U mag van alles vinden van het bestuursrecht, maar ik moet uiteindelijk beoordelen of de beroepsgronden slagen. Ik stel voor dat we zonder schorsing doorgaan.
Gemachtigde:
We kunnen doorgaan. U zegt terecht dat u van de korpschefnoggeen onderbouwing hebt gevraagd. Het gaat erom dat eiser een eerlijk proces krijgt, waaronder of er voor een stelling een onderbouwing wordt gevraagd. (…)”.
5.5.
De wrakingskamer overweegt als volgt. De stelling van verzoeker dat het oordeel van de rechter al vaststaat doordat de rechter tijdens de mondelinge behandeling geen vragen heeft gesteld over de onderbouwing van het standpunt van de korpschef, volgt de wrakingskamer niet. De wrakingskamer overweegt dat uit de vraagstelling, en het stellen dan wel het niet stellen van bepaalde vragen aan (een van ) partijen door de rechter, niet kan worden verondersteld dat de rechter al een oordeel heeft over (een beslispunt in) de zaak of de schijn heeft gewekt al een oordeel te hebben. Door verzoeker zijn daartoe ook onvoldoende aanknopingspunten aangedragen. Bovendien heeft verzoeker tijdens de mondelinge behandeling voldoende de gelegenheid gehad om hier op de zitting nog iets over te zeggen of om op de wijze van vraagstelling door de rechter te reageren. Dat heeft verzoeker niet gedaan.
Conclusie
5.6.
Gelet op het voorgaande kan niet worden geconcludeerd dat de rechter ten aanzien van verzoeker vooringenomen is of dat zijn vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarom is de wrakingskamer van oordeel dat het wrakingsverzoek ongegrond moet worden verklaard.
Proceskostenvergoeding
5.7.
Door verzoeker is gevraagd om een proceskostenvergoeding. Omdat het wrakingsverzoek wordt afgewezen is er reeds daarom geen reden om een proceskostenvergoeding toe te wijzen.

6.De beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;
  • bepaalt dat de behandeling van de zaak met nummer BRE 25/273 wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens indiening van het verzoek.
Deze beslissing is gegeven op 6 februari 2026 door mr. Peters, mr. Van de Sande en mr. Sterk en op dezelfde dag uitgesproken in tegenwoordigheid van
mr. Rockx, griffier. De beslissing wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De voorzitter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.