ECLI:NL:RBZWB:2026:845

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
BRE 25/3012 KINDER
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WhtArt. 8.6 WhtArt. 49 AwirArt. 49b AwirBesluit Compensatieregeling CAF 11
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag 2015 wegens ontbreken institutionele vooringenomenheid

Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) vanwege vermeende onrechtmatige terugvordering van kinderopvangtoeslag over 2015. De Dienst Toeslagen heeft deze aanvraag afgewezen, omdat zij uitging van een door eiseres ingevuld en ondertekend formulier waarin werd aangegeven dat in 2015 geen kinderopvang is genoten.

De bezwaarschriftenadviescommissie adviseerde de aanvraag alsnog toe te kennen, stellende dat de Dienst Toeslagen had moeten navragen vanwege een discrepantie tussen de stopzetting van de toeslag per 3 juni 2015 en de mededeling dat er geen opvang in 2015 was. De Dienst Toeslagen volgde dit advies niet en handhaafde de afwijzing.

De rechtbank oordeelt dat de Dienst Toeslagen terecht uitging van het formulier en dat er geen aanwijzingen waren voor onjuistheid of vooringenomenheid. De discrepantie was onvoldoende reden voor nader onderzoek. Er was geen sprake van institutionele vooringenomenheid, waardoor eiseres geen recht heeft op compensatie. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van compensatie voor toeslagjaar 2015 wegens ontbreken van institutionele vooringenomenheid.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3012 KINDER

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. L.L. Ross),
en

Dienst Toeslagen (voorheen Belastingdienst/Toeslagen), verweerder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van een aanvraag om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag over het toeslagjaar 2015. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen terecht de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wht heeft afgewezen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor compensatie op grond van de Wht. De Dienst Toeslagen heeft deze aanvraag met het besluit van 9 januari 2023 (primair besluit) afgewezen. Met het bestreden besluit van 20 mei 2025 op het bezwaar van eiseres is de Dienst Toeslagen bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 3 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, [naam 1] (de partner van eiseres), de gemachtigde van eiseres en mr. [naam 2] namens de Dienst Toeslagen.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiseres heeft vanaf 1 augustus 2013 tot en met 2 juni 2015 kinderopvangtoeslag voor haar oudste kind ontvangen. Eiseres heeft de kinderopvangtoeslag per 3 juni 2015 stopgezet. De Dienst Toeslagen heeft bij verschillende besluiten de eerder vastgestelde voorschotten lager vastgesteld. De kinderopvangtoeslag over 2015 is bij beschikking van 28 april 2017 definitief berekend op € 0,-. Aanleiding hiertoe was het door eiseres ondertekende formulier van 6 juni 2016, door de Dienst Toeslagen ontvangen op 29 juli 2016, waarop zij heeft aangegeven geen gebruik te hebben gemaakt van kinderopvang in 2015.
De andere twee kinderen van eiseres zijn na 2015 geboren en daarvoor is geen kinderopvangtoeslag ontvangen.
3.1.
Op 17 mei 2021 heeft eiseres zich bij de Dienst Toeslagen gemeld voor een herbeoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag.
3.2.
Met het besluit van 7 maart 2022 heeft de Dienst Toeslagen geweigerd aan eiseres een bedrag van € 30.000,- toe te kennen op basis van de Catshuisregeling [1] .
3.3.
De Dienst Toeslagen heeft een herbeoordeling gemaakt over de toeslagjaren 2013, 2014 en 2015.
3.4.
Met het primaire besluit heeft de Dienst Toeslagen overwogen dat eiseres geen recht heeft op compensatie vanwege vooringenomen handelen en omdat in haar geval geen sprake is geweest van hardheid bij de toepassing van het toenmalige wettelijke systeem.
Over toeslagjaar 2015 heeft de Dienst Toeslagen overwogen dat sprake is van een reguliere wijziging. De kinderopvangtoeslag over dat jaar heeft eiseres op 3 juni 2015 stopgezet per 3 juni 2015. Op 29 juli 2016 heeft eiseres vervolgens een antwoordformulier toegezonden waarin zij aangeeft dat geen gebruik is gemaakt van kinderopvang. Als gevolg hiervan is de kinderopvangtoeslag conform de door eiseres doorgegeven wijziging definitief vastgesteld.
3.5.
Eiseres heeft hiertegen op 8 februari 2025 bezwaar gemaakt. Eiseres heeft het bezwaar kunnen toelichten op de hoorzitting van de bezwaarschriftenadviescommissie op 20 januari 2025. Eiseres heeft tijdens de hoorzitting aangegeven dat het bezwaar zich alleen richt tegen toeslagjaar 2015.
3.6.
De bezwaarschriftenadviescommissie adviseert het bezwaar gegrond te verklaren en alsnog compensatie toe te kennen voor het toeslag jaar 2015. De bezwaarschriftenadviescommissie heeft aanknopingspunten gevonden om te adviseren dat bij de terugvordering van de kinderopvangtoeslag over het toeslagjaar 2015 sprake is geweest van individuele vooringenomenheid. Eiseres heeft op 3 juni 2015 de kinderopvangtoeslag stopgezet. Dit komt overeen met haar mededeling dat zij van januari tot en met mei 2015 kinderopvang heeft afgenomen. De bezwaarschriftenadviescommissie gaat uit van de juistheid van die mededeling, omdat zij die geloofwaardig vindt. De kinderopvangtoeslag over toeslagjaar 2015 werd op nihil gesteld nadat de Dienst Toeslagen op 29 juli 2016 een antwoordformulier ontving waarin eiseres vermeldde in het toeslagjaar 2015 geen gebruik te hebben gemaakt van kinderopvang. De bezwaarschriftenadvies-commissie meent dat deze mededeling van eiseres voor de Dienst Toeslagen aanleiding had moeten zijn om een uitvraag bij haar te doen. Zij stond immers haaks op de stopzetting van de kinderopvangtoeslag door eiseres op 3 juni 2015, waarbij niet was vermeld dat die stopzetting met ingang van 1 januari 2015 moest plaatsvinden. Mede gegeven de overduidelijke financiële consequenties voor eiseres, had de Dienst Toeslagen actie richting haar moeten ondernemen. De bezwaarschriftenadviescommissie hecht overigens geloof aan de verklaringen van eiseres dat de vermelding in het antwoordformulier op een vergissing berust, omdat zij ervan uitging dat het formulier betrekking had op het lopende jaar 2016. Bij het oordeel speelt nog mee dat eiseres geen nader bewijs kan overleggen, omdat de betrokken instelling failliet is verklaard en dus niet nader kan berichten.
Bestreden besluit
3.7.
Met het bestreden besluit heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en het advies van de bezwaarschriftenadviescommissie dus niet gevolgd. De Dienst Toeslagen overweegt dat de neerwaartse beschikking van de kinderopvangtoeslag voor toeslagjaar 2015 geen vooringenomen handeling betrof, maar heeft plaatsgevonden op basis van het door eiseres verstrekte antwoordformulier. De Dienst Toeslagen mocht ervan uitgaan dat de informatie uit dit antwoordformulier juist was en dat eiseres voor toeslagjaar 2015 geen gebruik heeft gemaakt van kinderopvang. Voor de Dienst Toeslagen was er geen concrete aanleiding om de opmerking dat er geen opvang heeft plaatsgevonden in twijfel te trekken. Eiseres heeft daarnaast ook geen bezwaar ingediend tegen deze neerwaartse correctie of verzocht om een herziening. Ook zijn er geen stukken aanwezig waaruit blijkt dat er wel opvang heeft plaatsgevonden in toeslagjaar 2015. Gelet op het voorgaande is voldoende komen vast te staan dat de verwerking van het antwoordformulier een reguliere handeling betrof, waarbij geen sprake was van vooringenomenheid. Eiseres heeft om die reden geen recht op compensatie voor het toeslagjaar 2015.

Beroepsgronden

4. Eiseres is van mening dat het bestreden besluit in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel. Eiseres heeft aangevoerd dat het advies van de bezwaarschriftenadviescommissie moet worden gevolgd. Naar de mening van eiseres bevreemdt het dat in het bestreden besluit wordt aangegeven dat er geen redenen waren om te twijfelen aan de juistheid van haar mededeling dat er 2015 geen opvang heeft plaatsgevonden. Er is immers een jaar eerder door eiseres expliciet aangegeven dat de toeslag moest worden gestopt met
ingang van 3 juni 2015. Het is ook vreemd dat de Dienst Toeslagen destijds geen vragen had bij de juistheid van de mededeling dat er in 2015 in het geheel geen opvang is afgenomen. Er zal in de KOl-viewer moeten hebben gestaan dat er opvang was afgenomen over de maanden januari tot en met mei 2015.
Bovendien stuurt de Dienst Toeslagen het uitvraagformulier pas laat in 2016. Daardoor is het logisch dat ouders - en eiseres dus ook - denken dat zij gegevens over 2016 moeten
toesturen. Dat eiseres dus per abuis informatie over 2016 heeft doorgegeven, terwijl de
Dienst Toeslagen veronderstelde dat dit over 2015 ging, is navolgbaar. In de hypothetische situatie dat eiseres ingevuld zou hebben dat zij over heel 2015 opvang zou hebben afgenomen, zou de Dienst Toeslagen zeker om aanvullende informatie hebben gevraagd, omdat zij eerder nog had ingevuld dat er maar opvang tot 3 juni 2015 had plaatsgevonden.
Dat dit in het huidige geval (dat andersom is) niet het geval is geweest, duidt dus juist op - zoals de bezwaarschriftenadviescommissie in haar advies ook terecht aanhaalt - vooringenomenheid.
Het feit dat eiseres destijds geen bezwaar heeft ingediend, doet aan het vorenstaande niet af.
De vooringenomenheid wordt getoetst op het moment van besluitvorming en in dit geval dus het moment van terugvordering. Of dat op basis van vooringenomenheid tot stand komt,
hangt niet samen met het al dan niet indienen van bezwaar. Uit de opmerking dat eiseres
geen bezwaar heeft ingediend, maakt eiseres op dat de Dienst Toeslagen twijfelt aan de juistheid van haar huidige verhaal, dat zij dacht dat er informatie over 2016 werd verzocht. Dat is echter onterecht. Bovendien heeft eiseres weliswaar geen bezwaar ingediend, maar wel contact opgenomen met de Dienst Toeslagen om de terugvordering ongedaan te maken, dan wel om uitleg te krijgen over de reden van terugvordering, dan wel om hulp te krijgen bij het afbetalen ervan.
Eiseres heeft daarnaast aangevoerd dat het ouderverhaal een specifieke rol en bijzondere
bewijskracht heeft in de procedures van de kinderopvangtoeslagenaffaire. Dat is ook zo
bepaald door de wetgever. Uit dat verhaal blijkt dat er opvang is afgenomen in 2015, dat
eiseres per abuis verkeerde informatie heeft doorgegeven en dat eerder dus een eigen
stopzetting met ingang van 3 juni 2015 (in plaats van 1 januari 2015) was doorgegeven. Dat
wordt grotendeels ook ondersteund door het dossier, zodat van de authenticiteit van het
verhaal van eiseres als ouder moet worden uitgegaan, hetgeen inhoudt dat daaraan dus ook
de juiste formele rechtskracht toekomt.

Juridisch kader

5. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

6. De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht de aanvraag van eiseres voor compensatie heeft afgewezen. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
6.1.
De rechtbank stelt vast dat het geschil zich beperkt tot de vraag of de Dienst Toeslagen terecht heeft overwogen dat eiseres geen recht heeft op compensatie over toeslagjaar 2015, omdat geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid. Het enige geschilpunt tussen partijen is daarbij of de Dienst Toeslagen uit mocht gaan van het antwoordformulier van 6 juni 2016 waarop is aangegeven dat geen kinderopvang is genoten in 2015, zonder daarover navraag te doen bij eiseres.
Achtergrond
7. In de uitvoering van de kinderopvangtoeslag in voorgaande jaren zijn fouten
gemaakt, waarvan ouders de dupe zijn geworden. Deze toeslagenaffaire heeft geleid tot verschillende herstelregelingen om burgers te compenseren voor deze fouten. Het uitgangspunt van de hersteloperatie is dat gedupeerde ouders alsnog ontvangen wat ten onrechte is teruggevorderd of onthouden, aangevuld met een vergoeding voor materiële en immateriële schade. De compensatie wordt door verweerder toegekend. De uitvoering van deze regelingen is belegd bij de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT).
7.1.
De rechtbank stelt vast dat de primaire compensatiebesluiten gebaseerd zijn op de compensatieregeling van artikel 49 en Pro artikel 49b van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) en de beleidsregels zoals neergelegd in het Besluit Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken (Besluit Compensatieregeling). Met ingang van 5 november 2022 is de Wht van kracht. Voornoemde compensatieregeling is met ingang van die datum ondergebracht in artikel 2.1, eerste lid, van de Wht. Op grond van het overgangsrecht worden compensatiebeschikkingen die in het kader van de hersteloperatie toeslagen zijn genomen vóór de inwerkingtreding van de Wht, aangemerkt als beschikkingen die zijn gegeven krachtens de Wht.
Was sprake van institutionele vooringenomenheid?
8. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 2.1 van de Wht [2] volgt dat van institutionele vooringenomenheid sprake kan zijn geweest op groepsniveau of op het niveau van een individuele ouder. Bij institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen gaat het om een collectieve stopzetting van de kinderopvangtoeslag zonder voorafgaande individuele beoordeling, het opvragen bij belanghebbenden van grote hoeveelheden bewijsstukken over een of meerdere jaren, gevolgd door een zerotolerance-onderzoek naar fouten, tekortkomingen en ontbrekende bewijsstukken met soms een tweede controle, wanneer bij eerste lezing geen grond voor afwijzing van de aanspraak op kinderopvangtoeslag was gevonden. Ook gaat het om het niet nader opvragen van informatie bij belanghebbenden bij een gebleken tekortkoming daarin en het afwijzen of reduceren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag bij de minste of geringste onregelmatigheid in de stukken. Met een zerotolerance-onderzoek wordt een aanpak bedoeld waarbij op excessieve wijze strikt werd gehandhaafd, vanuit de gedachte dat iedere gebleken overtreding of onregelmatigheid een indicatie was van stelselmatig misbruik of fraude. Het gaat niet om de optelsom van de genoemde kenmerken of het afzonderlijk aanwezig zijn daarvan, maar om het in samenhang voorkomen daarvan in een dossier van een belanghebbende. Het betreft geen limitatieve opsomming.
8.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen terecht overwogen dat geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid en dat eiseres dus geen recht heeft op compensatie over toeslagslagjaar 2015. De Dienst Toeslagen mocht namelijk uitgaan van het antwoordformulier van 6 juni 2016 waarop eiseres heeft aangegeven dat geen gebruik is gemaakt van kinderopvang in 2015. Dat de Dienst Toeslagen wel om aanvullende informatie zou hebben gevraagd als eiseres zou hebben aangegeven in heel 2015 gebruik te hebben gemaakt van kinderopvang, is niet relevant. Die situatie doet zich namelijk niet voor en is bovendien niet vergelijkbaar. De stelling van eiseres dat de discrepantie tussen de stopzetting per 3 juni 2015 en het antwoordformulier van 6 juni 2016 voor de Dienst Toeslagen aanleiding had moeten vormen om bij haar navraag te doen, volgt de rechtbank niet. Er waren namelijk geen aanwijzingen dat de informatie op het antwoordformulier, die door eiseres zelf is ingevuld en door haar ondertekend, onjuist was. Ook verder waren er geen aanwijzingen die voor de Dienst Toeslagen aanleiding hadden moeten vormen om opheldering te vragen over de discrepantie. Zo staat op het antwoordformulier herhaaldelijk dat het ziet op het jaar 2015, bevatte de KOI-viewer geen informatie, en heeft eiseres geen ondersteunend bewijs overgelegd waaruit blijkt dat in 2015 wel kinderopvang is genoten.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van C.M.A. Groenendaal, griffier, op 12 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet hersteloperatie toeslagen
Artikel 2.1
1. De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem:
a. voor 23 oktober 2019 bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen; of
b. de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de Wet kinderopvang of de op die wetten berustende bepalingen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem.
(…)
Artikel 8.6
Beschikkingen ter zake van compensatie (…) die in het kader van de hersteloperatie toeslagen zijn gegeven voor het tijdstip van inwerkingtreding van de artikelen van afdeling 2.1, 2.4, 3.1, 4.1 onderscheidenlijk 4.2, worden vanaf dat tijdstip aangemerkt als beschikkingen die zijn gegeven krachtens het artikel van afdeling 2.1, 2.4, 3.1, 4.1 of 4.2 waarin de desbetreffende herstelregeling is opgenomen.
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen
Artikel 49 (geldend van 7 juli 2020 tot en met 4 november 2022)
1. In gevallen waarin toepassing van deze wet, de daarop berustende bepalingen of de Wet kinderopvang bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag, bedoeld in de Wet kinderopvang, heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem, welke onbillijkheden zodanig zijn dat het overduidelijk onredelijk is deze voor rekening van de belanghebbende te laten, is Onze Minister bevoegd in overeenstemming met Onze Ministers die het aangaat bij beschikking een hardheidstegemoetkoming toe te kennen.
2. Toekenning van de hardheidstegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, geschiedt op een voor 1 januari 2024 aan de Belastingdienst/Toeslagen gedaan verzoek van de belanghebbende die geen beroep kan doen op herziening van de beschikking tot vaststelling of tot terugvordering omdat vijf jaren zijn verstreken na de laatste dag van het berekeningsjaar waarop die beschikking betrekking heeft en een jaar na de dagtekening van de beschikking tot toekenning van de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 14, is verstreken.
3. De hardheidstegemoetkoming betreft de voor de belanghebbende nadelige gevolgen van de beschikking tot vaststelling of tot terugvordering, bedoeld in het tweede lid, voor zover die onevenredig zijn in verhouding tot de met die beschikking te dienen doelen. De onevenredigheid van die gevolgen wordt weggenomen door het vaststellen van de beschikking tot toekenning van de hardheidstegemoetkoming overeenkomstig:
a. herziening van de beschikking tot vaststelling waarbij het recht op kinderopvangtoeslag per berekeningsjaar wordt vastgesteld naar rato van het bedrag aan kosten van kinderopvang waarvan aannemelijk is dat het tijdig is betaald, of;
b. herziening van de beschikking tot terugvordering onder bijzondere omstandigheden.
(…)
Artikel 49b (geldend van 7 juli 2020 tot en met 4 november 2022)
1. In bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen kan de rijksbelastingdienst in verband met een samenstel van zijn handelingen waarbij sprake is van institutionele vooringenomenheid bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag, bedoeld in de Wet kinderopvang, volgens bij die regeling te stellen regels en binnen bij die regeling te stellen kaders, aan de belanghebbenden compensatie verlenen. Deze compensatie geschiedt in verband met het door die handelingen door die belanghebbenden ondervonden nadeel, voor zover de reguliere bestuursrechtelijke rechtsmiddelen voor 23 oktober 2019 onvoldoende toereikend werden geacht om dit nadeel geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken en dit nadeel niet is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan de belanghebbenden toerekenbaar zijn. Het vaststellen van de beschikking tot toekenning van de compensatie geschiedt op een door de belanghebbende voor 1 januari 2024 aan de Belastingdienst/Toeslagen gedaan verzoek. De compensatie blijft achterwege voor zover op andere wijze in een vergoeding of tegemoetkoming ter zake is of wordt voorzien. (…)
Besluit Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken
(geldend van 8 september 2020 tot en met 4 november 2022, vervallen per 2 februari 2023 met terugwerkende kracht tot en met 5 november 2022)
Dit besluit bevat beleidsregels voor de verstrekking van een compensatie aan ouders vanwege de institutioneel vooringenomen handelwijze van de Belastingdienst/Toeslagen in het kader van CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken.
2. Doelgroep
Dit besluit voorziet in een compensatie voor de ouder die deel uitmaakte van het CAF 11-onderzoek (onderdeel 2.1), die deel uitmaakte van een vergelijkbaar (CAF-)onderzoek
(onderdeel 2.2) of die aannemelijk maakt dat de vaststelling van zijn aanspraak op kinderopvangtoeslag in enig jaar onderdeel is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de Belastingdienst/Toeslagen (onderdeel 2.3).
(…)
2.2.
Vergelijkbare (CAF-)onderzoeken
(…)
De Adviescommissie heeft in haar advies de (CAF-)onderzoeken geïdentificeerd waarin waarschijnlijk sprake is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze of waarin mogelijk sprake is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze. De Belastingdienst/Toeslagen zal voor deze (CAF-)onderzoeken aan de hand van de door de Adviescommissie beschreven kenmerken beoordelen of daadwerkelijk sprake was van een institutioneel vooringenomen handelwijze. Het gaat hierbij om de volgende kenmerken:
1. Een collectieve stopzetting zonder een voorafgaande individuele beoordeling die dit rechtvaardigde (‘zachte stop’).
2. Het breed uitvragen van bewijsstukken over één of meerdere jaren.
3. Een zero tolerance-onderzoek naar fouten, tekortkomingen en ontbrekende bewijsstukken met (soms/veelal) een tweede check wanneer bij eerste lezing geen grond voor afwijzing was gevonden.
4. Het niet nader uitvragen van informatie bij gebleken tekortkoming in de door de ouder verstrekte bewijsstukken.
5. Het afwijzen of reduceren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag bij de minste of geringste onregelmatigheid in de door de ouder verstrekte bewijsstukken.
Bij de beoordeling van de (CAF-)onderzoeken aan deze kenmerken gaat het niet om de optelsom van deze kenmerken of het afzonderlijk aanwezig zijn daarvan, maar om het in samenhang voorkomen daarvan in een onderzoek. De afwezigheid van één kenmerk betekent niet dat er geen sprake is van een institutioneel vooringenomen handelwijze evenmin als dat de aanwezigheid van meerdere kenmerken per definitie een institutioneel vooringenomen handelwijze betekent. De beoordeling geschiedt op basis van alle op de zaak betrekking hebbende stukken, inclusief het onderzoeksdossier.
(…)

Voetnoten

1.Stcrt. 2021, 14691.
2.Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, blz. 70-71.