Op 12 februari 2026 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van poging tot zware mishandeling en mishandeling van twee GGZ-medewerkers. De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 8 mei 2025 met een kapotte glazen basepijp meerdere malen in de nek en het achterhoofd van slachtoffer 1 heeft gestoken, met voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel. Daarnaast werd mishandeling van twee medewerkers op 30 april 2025 bewezen verklaard.
Het beroep op noodweer door verdachte werd verworpen omdat geen sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. De rechtbank concludeerde dat verdachte zelf de aanval was begonnen. Verdachte heeft een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers, die werkzaam waren in een GGZ-instelling waar verdachte verbleef.
De strafoplegging bestond uit een gevangenisstraf van 340 dagen, waarvan 58 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, inclusief bijzondere voorwaarden gericht op behandeling en begeleiding. Tevens werd een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd vanwege het hoge recidiverisico. De benadeelde partij van feit 2 kreeg een schadevergoeding van €250 toegekend, vermeerderd met wettelijke rente.
De rechtbank nam mee dat verdachte lijdt aan schizofrenie, PTSS, een lichte verstandelijke beperking en ernstige verslavingsproblematiek, wat de toerekeningsvatbaarheid vermindert. De reclassering adviseerde intensieve behandeling en toezicht. De dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden werd bevolen om herhaling te voorkomen.
De voorlopige hechtenis werd opgeheven zodra de duur gelijk was aan het onvoorwaardelijke deel van de straf. De uitspraak benadrukt de noodzaak van langdurige zorg en toezicht om de veiligheid van anderen te waarborgen.