ECLI:NL:RBZWB:2026:853

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
02-140941-25
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 38z Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging zware mishandeling en mishandeling GGZ-medewerkers met deels voorwaardelijke gevangenisstraf en gedragsmaatregel

Op 12 februari 2026 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van poging tot zware mishandeling en mishandeling van twee GGZ-medewerkers. De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 8 mei 2025 met een kapotte glazen basepijp meerdere malen in de nek en het achterhoofd van slachtoffer 1 heeft gestoken, met voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel. Daarnaast werd mishandeling van twee medewerkers op 30 april 2025 bewezen verklaard.

Het beroep op noodweer door verdachte werd verworpen omdat geen sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. De rechtbank concludeerde dat verdachte zelf de aanval was begonnen. Verdachte heeft een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers, die werkzaam waren in een GGZ-instelling waar verdachte verbleef.

De strafoplegging bestond uit een gevangenisstraf van 340 dagen, waarvan 58 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, inclusief bijzondere voorwaarden gericht op behandeling en begeleiding. Tevens werd een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd vanwege het hoge recidiverisico. De benadeelde partij van feit 2 kreeg een schadevergoeding van €250 toegekend, vermeerderd met wettelijke rente.

De rechtbank nam mee dat verdachte lijdt aan schizofrenie, PTSS, een lichte verstandelijke beperking en ernstige verslavingsproblematiek, wat de toerekeningsvatbaarheid vermindert. De reclassering adviseerde intensieve behandeling en toezicht. De dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden werd bevolen om herhaling te voorkomen.

De voorlopige hechtenis werd opgeheven zodra de duur gelijk was aan het onvoorwaardelijke deel van de straf. De uitspraak benadrukt de noodzaak van langdurige zorg en toezicht om de veiligheid van anderen te waarborgen.

Uitkomst: Verdachte wordt veroordeeld tot 340 dagen gevangenisstraf, waarvan 58 dagen voorwaardelijk, en een gedragsbeïnvloedende maatregel wegens poging tot zware mishandeling en mishandeling van twee GGZ-medewerkers.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-140941-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 12 februari 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de PI [locatie] ,
raadsvrouw mr. N.M.E. Verpaalen, advocaat te Breda.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 29 januari 2026, waarbij de officier van justitie mr. A. Verhoeven en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:
een poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] op 8 mei 2025, subsidiair ten laste gelegd als mishandeling;
mishandeling van [slachtoffer 2] op 30 april 2025;
mishandeling van [slachtoffer 3] op 30 april 2025 en
vernieling van een rolluik op 30 april 2025.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feit 1 primair, feit 2 en feit 3. Bij feit 1 is niet aannemelijk geworden dat sprake is van een noodweersituatie. Zij vordert vrijspraak voor feit 4.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van feit 1 primair en feit 4. Of sprake is van een noodweersituatie bij feit 1 is aan de rechtbank om af te wegen.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feit 1
Gelet op de verklaring van [getuige] - welke verklaring de rechtbank voldoende duidelijk en betrouwbaar acht - en de verklaring van verdachte ter zitting stelt de rechtbank vast dat verdachte meerdere malen met een kapotte glazen basepijp [slachtoffer 1] in zijn nek en achterhoofd heeft gestoken. De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of dit kan worden aangemerkt als een poging tot zware mishandeling.
Voor bewezenverklaring van een poging tot zware mishandeling is vereist dat verdachte opzet had om aan [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De vraag die in dit verband eerst voorligt is of verdachte ten minste heeft gehandeld met voorwaardelijk opzet (de lichtste opzetvariant), oftewel of verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 1] door de handelingen van verdachte zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.
De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
De rechtbank overweegt dat wanneer met een scherp voorwerp, zoals een glasscherf of in dit geval een kapotte glazen basepijp, in de nek van een slachtoffer wordt gestoken, naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans bestaat dat het slachtoffer daardoor zwaar lichamelijk letsel oploopt. In de nek lopen bijvoorbeeld slagaders die kunnen worden geraakt. Door op de wijze als hiervoor omschreven te handelen, heeft verdachte de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 1] daardoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen, bewust aanvaard. De rechtbank concludeert dan ook dat bij verdachte sprake was van voorwaardelijk opzet om [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.
De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan.
Feiten 2 en 3
Gelet op de aangiftes van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , die elkaars verklaring ondersteunen, komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de mishandeling van beide aangeefsters, zoals ten laste gelegd onder feiten 2 en 3.
Feit 4
De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat voor de vernieling van het rolluik, zoals ten laste gelegd onder feit 4. De rechtbank zal verdachte van dit feit vrijspreken.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1.
op 8 mei 2025 te [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meerdere malen die [slachtoffer 1] met kracht met een (kapotte) glazen basepijp in de nek en het achterhoofd heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
op 30 april 2025 te [plaats] , [slachtoffer 2] (verpleegkundige in dienst van [organisatie] ) heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] voornoemd meerdere malen met kracht te slaan tegen de schouder en/of borst en/of tegen het lichaam;
3.
op 30 april 2025 te [plaats] , [slachtoffer 3] (werkzaam als begeleider bij [organisatie] ) heeft mishandeld door die [slachtoffer 3] voornoemd met kracht tegen de borst te trappen en tegen de borst en de schouder en het gezicht en in de nek te slaan.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

5.1.
Het standpunt van verdachte
Verdachte heeft bij feit 1 aangevoerd dat hij zich noodzakelijk heeft moeten verdedigen tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanval door [slachtoffer 1] . Ter onderbouwing van deze stelling heeft verdachte aangevoerd dat [slachtoffer 1] degene was die hem wilde neersteken met de basepijp, waarna hij de basepijp van [slachtoffer 1] heeft afgepakt en hem ermee heeft gestoken.
5.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft aangevoerd dat een noodweersituatie niet aannemelijk is geworden. Uit de verklaring van [getuige] blijkt dat verdachte uit de rolstoel sprong en steekbewegingen maakte. Hij verklaart daarbij niet dat [slachtoffer 1] iets richting verdachte zou hebben gedaan. Er is niet duidelijk geworden wat de wederrechtelijke aanranding is waartegen verdachte zich moest verdedigen.
5.3.
Het oordeel van de rechtbank
Voor noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Van een ogenblikkelijke aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. De enkele vrees voor zo'n aanranding is daartoe echter niet voldoende. De gestelde aanranding moet in redelijkheid beschouwd, zodanig bedreigend zijn voor verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van artikel 41 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Op grond van bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat verdachte degene is geweest die de aanval richting [slachtoffer 1] is begonnen en hem vervolgens in de nek heeft gestoken. In het dossier zijn geen aanknopingspunten te vinden waaruit zou blijken dat [slachtoffer 1] degene was die verdachte wilde steken.
Gezien de feiten en omstandigheden als hiervoor omschreven, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat ten aanzien van feit 1 sprake is geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, zodat het beroep op noodweer wordt verworpen.
Conclusie
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 340 dagen, waarvan 58 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd met de dadelijke uitvoerbaarheid daarvan.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging wijst erop dat artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Verzocht wordt de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering op te leggen. Er zijn geen bezwaren tegen de door de officier van justitie gevorderde straf.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Ernst van de feiten
Verdachte heeft met een kapotte glazen basepijp in de nek van het slachtoffer gestoken. Dat had bij het slachtoffer tot zwaar lichamelijk letsel kunnen leiden. Dat het niet zover is gekomen is niet aan het handelen van verdachte te danken geweest. Verdachte heeft hiermee een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en hem pijn en letsel toegebracht.
Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van twee GGZ-medewerkers, die op dat moment werkzaam waren in de instelling waar verdachte verbleef. Dit zijn zeer vervelende feiten; de medewerkers proberen verdachte te helpen en ondersteunen en worden daarbij met geweld en agressie geconfronteerd. Dit zorgt voor veel onrust op de werkvloer bij medewerkers en bij patiënten, nog los van de fysieke en emotionele gevolgen die het handelen van verdachte voor de slachtoffers heeft gehad. Een van de aangeefsters geeft aan dat zij door het handelen van verdachte extra op haar hoede is op haar werk, mede vanwege de onvoorspelbare werkomgeving waarin zij met cliënten met complexe problematiek te maken heeft.
Strafblad
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij vaker is veroordeeld voor geweldsfeiten en ook voor geweld tegen beroepsbeoefenaars. Ook is artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht van toepassing.
Rapporten over verdachte
Uit het over verdachte opgemaakte psychologisch rapport van 30 december 2025 komt naar voren dat bij verdachte sprake is van schizofrenie, PTSS, een functioneren op licht verstandelijk beperkt niveau en ernstige verslavingsproblematiek. Dit was ook het geval ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde. Er was ten tijde van de ten laste gelegde feiten sprake van een forse ontregeling en overvraging bij verdachte, waardoor hij voortdurend in de overlevingsmodus stond en zich snel aangevallen, afgewezen en onrechtvaardig bejegend voelde. Door zijn verstandelijke beperking beschikt hij over weinig adequate copingvaardigheden om deze omstandigheden het hoofd te kunnen bieden. Mogelijk was sprake van (rand)psychotische verschijnselen in de zin van overmatige achterdocht. Gezien de doorwerking van de licht verstandelijke beperking op zijn denken, voelen en handelen ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten wordt geadviseerd verdachte deze feiten in tenminste verminderde mate toe te rekenen.
De rechtbank neemt deze conclusie over.
Verder blijkt uit het psychologisch rapport dat het recidiverisico op geweldsdelicten matig-hoog wordt ingeschat, met een matig risico op ernstig lichamelijk letsel en een matig risico op acuut dreigend geweld. De belangrijkste risicofactoren zijn gelegen in de lage belastbaarheid van verdachte door zijn verstandelijke beperking, beperkte copingvaardigheden en geringe emotieregulatievaardigheden alsmede zijn verslavingsproblematiek en psychotische kwetsbaarheid. Verdachte heeft een beperkt steunend netwerk. Hij heeft geen woning, geen dagbesteding en geen gestructureerde vrijetijdsbesteding. De belangrijkste beschermende factoren op dit moment zijn gelegen in zijn huidige verblijf binnen het PPC in het kader van de preventieve hechtenis. Verdachte raakt in een drukke, onveilige en weinig voorspelbare omgeving snel overprikkeld en overvraagd, wordt dan angstig en achterdochtig en kan door deze gevoelens overspoeld worden, waarbij hij de grip op zichzelf en de realiteit kwijt kan raken en kan komen tot een agressieve impulsdoorbraak. Middelengebruik luxeert en versterkt dit proces.
Gezien de langdurige en complexe problematiek van verdachte en het matig tot hoge risico op gewelddadige recidive, is een intensieve en langdurige behandeling geïndiceerd. Gedacht wordt aan een opname bij De Woenselse Poort of soortgelijke instelling voor forensische psychiatrie. Als verdachte voldoende gestabiliseerd is, kan hij worden overgeplaatst naar een setting voor beschermd wonen. Bovenstaande interventies kunnen worden opgelegd als bijzondere voorwaarden bij een (deels) voorwaardelijke straf. Mogelijk kan een maatregel gedragbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GVM) ingezet worden om verdachte langere tijd te kunnen volgen en tijdig in te kunnen grijpen als hij zou afglijden.
Uit het reclasseringsrapport over verdachte van 20 januari 2026 komt naar voren dat verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten in een dak- en thuislozenopvang verbleef en dagelijks onder invloed was van wiet, cocaïne en de medicatie Bupropion, een antidepressivum, waarvan hij meer gebruikte dan was voorgeschreven. Vanwege zijn overlast gevende gedrag was verdachte niet langer dan enkele dagen te hanteren en moest hij steeds wisselen van opvanglocatie. Hij had geen beschermend netwerk, geen dagbesteding en verkeerde in het gebruikerscircuit. Inmiddels is verdachte bij de PPC [locatie] tot rust gekomen, wat als beschermend gezien kan worden. Om het hoge recidiverisico te verminderen is het belangrijk dat hij langdurig behandeld gaat worden in een rustige, veilige en stabiele setting. De reclassering adviseert aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, opneming in een zorginstelling, ambulante behandeling, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang en een verbod op verdovende middelen en alcohol. Geadviseerd wordt daarbij de dadelijke uitvoerbaarheid van deze voorwaarden en het toezicht te bepalen. De kans op een misdrijf met schade voor personen is groot. Ook wordt geadviseerd een GVM op te leggen, zodat er voor langere tijd zicht is op verdachte.
Strafoplegging
De rechtbank acht van belang dat verdachte behandeld wordt voor zijn problematiek. Zij zal daarom conform de eis een gevangenisstraf opleggen van 340 dagen, waarvan 58 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.
Gelet op de omstandigheid dat de bewezen verklaarde feiten zijn gericht tegen of gevaar hebben veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen, in combinatie met de bij verdachte vastgestelde stoornissen en het door de reclassering als hoog ingeschatte recidiverisico, overweegt de rechtbank dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom zo een misdrijf zal begaan. De rechtbank zal daarom de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden bevelen.
Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel
Daarnaast is een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht noodzakelijk. Uit het reclasseringsrapport blijkt dat sprake is van een groot gevaar voor herhaling van de gepleegde geweldsfeiten. Om de veiligheid van anderen te beschermen, dient verdachte langdurig onder toezicht te staan.
Ook aan de overige wettelijke vereisten voor de oplegging van de maatregel langdurig toezicht is voldaan. De verdachte zal namelijk worden veroordeeld tot een (gedeeltelijk voorwaardelijke) gevangenisstraf wegens een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld.
Gelet op het voorgaande zal de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking worden opgelegd.

7.De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 250,00 aan immateriële schade voor feit 2.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De vordering is niet betwist. De rechtbank acht de door de benadeelde gevorderde schadevergoeding van € 250,00 aan immateriële schade geheel toewijsbaar.
Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 30 april 2025, tot aan de dag van voldoening.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 april 2025 tot aan de dag van voldoening. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38z, 45, 57, 63, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.Beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
-
spreekt verdachte vrijvan het onder feit 4 ten laste gelegde feit;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1 primair:poging tot zware mishandeling;
feit 2:mishandeling;
feit 3:mishandeling;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 340 dagen, waarvan 58 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
- stelt als
bijzondere voorwaarden:
* dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen drie werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij SVG Novadic-Kentron op het adres
Dr. Poletlaan 74-76, 5626 ND Eindhoven, telefoonnummer 040-2171200;
* dat verdachte zich tijdens de proeftijd voor de duur van een jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door GGZ de Woenselse Poort Eindhoven of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek (psychotische kwetsbaarheid en trauma’s), verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve
vaardigheden, sociale vaardigheden, woonproblematiek en het realiseren van een duurzame
verbetering van de leefsituatie. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
* dat verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een instelling voor beschermd/begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start aansluitend aan de klinische opname. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
* dat verdachte zich aansluitend aan de klinische opname voor de verdere duur van de proeftijd laat behandelen door een forensische zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op de problematiek zoals genoemd bij opname in zorginstelling. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
* dat verdachte gedurende de proeftijd geen alcohol en verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), en lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek, ademonderzoek en/of speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- bepaalt dat de aan de voorwaardelijke straf verbonden voorwaarden en het op de naleving van die voorwaarden uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
Maatregel
- legt op
de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperkingals bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht;
Benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van € 250,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 30 april 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[slachtoffer 2] , € 250,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 30 april 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 2 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Voorlopige hechtenis
- heft het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van de dag waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk is aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.
Dit vonnis is gewezen door mr. K. Verschueren, voorzitter,
en mr. G.M.J. Kok en mr. C.H.M. Pastoors, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.E.A.M. van der Ven-van de Riet, griffier,
en is uitgesproken ter de openbare zitting op 12 februari 2026.
De voorzitter is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
1.
hij op of omstreeks 8 mei 2025 te [plaats] ,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan [slachtoffer 1]
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- meerdere malen, althans eenmaal, met een (kapotgeslagen)
glazen basepijp, althans een scherp en/of puntig voorwerp in de
richting van de nek en/of het hoofd, althans het lichaam van die
[slachtoffer 1] heeft gestoken en/of
- meerdere malen, althans eenmaal die [slachtoffer 1] , met kracht met een
(kapotgeslagen) glazen basepijp, althans een scherp en/of puntig
voorwerp in de nek en/of het achterhoofd, althans het lichaam
heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(art 302 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht
of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 8 mei 2025 te [plaats] ,
[slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] meerdere malen,
althans eenmaal met een glazen basepijp, althans een scherp en/of
puntig voorwerp in de nek en/of het achterhoofd, althans het
lichaam te steken;
(art 300 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht)
2.
hij op of omstreeks 30 april 2025 te [plaats] ,
[slachtoffer 2] (verpleegkundige in dienst van [organisatie] ) heeft
mishandeld door die [slachtoffer 2] voornoemd meerdere malen, althans
eenmaal met kracht te slaan en/of te stompen tegen de schouder en/of
borst en/of tegen het lichaam;
(art 300 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht)
3.
hij op of omstreeks 30 april 2025 te [plaats] ,
[slachtoffer 3] (werkzaam als begeleider bij [organisatie] ) heeft mishandeld door die
[slachtoffer 3] voornoemd meerdere malen, althans eenmaal met kracht tegen de borst te
trappen en/of tegen de borst en/of de schouder en/of het gezicht en/of het hoofd
en/of in de nek, althans tegen het lichaam te slaan en/of te stompen;
( art 300 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht )
4.
hij op of omstreeks 30 april 2025 te [plaats] ,
opzettelijk en wederrechtelijk een rolluik, in elk geval enig goed, dat/die geheel of
ten dele aan [organisatie] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield,
beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
( art 350 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht )