Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:855

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
21/5245 en 24/7869
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit waterschap wegens motiveringsgebrek en afwijzing handhavingsverzoek

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 10 februari 2026 de bestuursrechtelijke beroepen tegen besluiten van het waterschap Brabantse Delta. Het eerste beroep betrof een vergunning voor het dempen van een sloot, waarbij de rechtbank in een eerdere tussenuitspraak een motiveringsgebrek constateerde over de aanwezigheid van een verbinding tussen watergangen. Het waterschap heeft dit gebrek niet adequaat hersteld, waardoor het besluit werd vernietigd en het waterschap werd opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Het tweede beroep betrof de afwijzing van een handhavingsverzoek voor het heropenen van een sloot en het verwijderen van een dam. Eiser stelde dat de waterafvoer niet gewaarborgd was, onderbouwd met foto's van waterplassen. De rechtbank oordeelde dat de controle van het waterschap geen overtreding aantoonde en dat de natte omstandigheden verklaarbaar waren door uitzonderlijke neerslag. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard.

De rechtbank legde het waterschap op het betaalde griffierecht en proceskosten aan eiser te vergoeden. De uitspraak is openbaar en partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het besluit van het waterschap wordt vernietigd wegens motiveringsgebrek en het beroep tegen de afwijzing van het handhavingsverzoek wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 21/5245 en BRE 24/7869

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. F.K. van den Akker),
en

het dagelijks bestuur van waterschap Brabantse Delta (het waterschap)

(gemachtigde: mr. M.L.A. Sluiter).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [vergunninghouder] uit [woonplaats]
(de vergunninghouder),
(gemachtigde: mr. P.A.M. van Hoef).

Procesverloop

1. Op 10 juni 2021 heeft het waterschap een vergunning verleend aan vergunninghouder voor het dempen van een sloot (B-water met leggercode [code 1] ) ter hoogte van [adres] (primair besluit 1).
1.1.
Op 11 januari 2024 heeft eiser bij het waterschap een verzoek ingediend voor het heropenen van een sloot (B-water met leggercode [code 1] ) en het verwijderen van de dam in een sloot (B-water met leggercode [code 2] ). Eiser heeft zich daarbij beroepen op een aan deze watergangen verbonden vergunningsvoorschrift, afkomstig uit een eerder verleende vergunning voor het dempen van deze watergangen. Het waterschap heeft dit verzoek daarom aangemerkt als een verzoek om handhaving. Bij besluit van 18 april 2024 heeft het waterschap dit handhavingsverzoek afgewezen (primair besluit 2).
1.2.
Met de bestreden besluiten van 25 oktober 2021 (bestreden besluit 1) en 18 september 2024 (bestreden besluit 2) op de bezwaren van eiser is het waterschap, onder verwijzing naar het advies van de commissie bezwaarschriften, bij die besluiten gebleven.
1.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
Het waterschap heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft de beroepen op 10 september 2025 op zitting behandeld, gelijktijdig met de zaak BRE 22/2127. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van het waterschap, de vergunninghouder en de gemachtigde van de vergunninghouder.
1.5.
In de tussenuitspraak van 22 oktober 2025 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank het waterschap in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in bestreden besluit 1 te herstellen.
1.6.
Het waterschap heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend.
1.7.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Overwegingen

2. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen.
2.1.
In deze einduitspraak beoordeelt de rechtbank eerst of het in de tussenuitspraak ten aanzien van het beroep met zaaknummer BRE 21/5245 geconstateerde gebrek is hersteld. Vervolgens beoordeelt zij het beroep met zaaknummer BRE 24/7869, waarvan de inhoudelijke beoordeling in de tussenuitspraak is aangehouden.

Zaaknummer BRE 21/5245

Is het gebrek hersteld?
3. Samengevat heeft de rechtbank in de tussenuitspraak geoordeeld dat het waterschap nader moet motiveren of er een verbinding onder de weg door ligt tussen watergang [code 1] en watergang [code 3] .
3.1.
Het waterschap heeft nader gemotiveerd dat uit hun gegevens uit 2021 bleek dat de verbinding onder de weg door tussen watergang [code 1] en watergang [code 3] destijds aanwezig was. Zij hebben echter op 4 november 2025 onderzoek ter plaatse verricht waarbij zij de verbinding niet meer hebben aangetroffen.
3.2.
De rechtbank overweegt dat de veronderstelde verbinding tussen [code 1] en [code 3] een dragend element vormt in de motivering van bestreden besluit 1. Nu de rechtbank niet met zekerheid kan vaststellen dat deze verbinding ten tijde van de besluitvorming aanwezig was, vindt zij dat bij de besluitvorming niet van die veronderstelling mocht worden uitgegaan. De motivering van bestreden besluit 1 schiet daarmee tekort. Het in de tussenuitspraak vastgestelde motiveringsgebrek is daarmee niet hersteld. De rechtbank zal bestreden besluit 1 vernietigen en het waterschap opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Zaaknummer BRE 24/7869

Is het verzoek tot handhaving terecht afgewezen?
4. Eiser heeft op 11 januari 2024 een handhavingsverzoek ingediend voor het heropenen van de sloot [code 1] en het verwijderen van de dam in sloot [code 2] .
5. Eiser stelt dat het waterschap zijn handhavingsverzoek ten onrechte heeft afgewezen. Hij voert aan dat op grond van de aan de watervergunningen van 21 december 2015 en 10 juni 2021 verbonden voorschriften de waterafvoer en ontwatering te allen tijde gewaarborgd moeten blijven, maar dat dit niet het geval is. Hij onderbouwt dit met verschillende foto’s van plassen water aan weerszijden van de toegangsweg. Daarnaast zijn de bij de watervergunning van 21 december 2015 voorgeschreven drainagestrengen niet aangelegd, terwijl de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in haar uitspraak [1] heeft overwogen dat die drainagestrengen noodzakelijk zijn als vervanging van de sloten voor de afvoer van water afkomstig van de toegangsweg. Daardoor is de afwatering ontoereikend en ontstaat water(stagnatie) op de toegangsweg en aangrenzende gronden. Dat bij een controle op 2 april 2024 geen plassen zijn aangetroffen en dat in de voorafgaande periode veel neerslag is gevallen, doet volgens eiser niet af aan de situatie ten tijde van zijn verzoek. Het waterschap had direct moeten controleren en handhaven, omdat er sprake is van strijd met de vergunningvoorschriften.
5.1.
Het waterschap stelt dat het handhavingsverzoek terecht is afgewezen. Volgens het waterschap zijn bij de controle op 2 april 2024 geen plassen aangetroffen en is niet vastgesteld dat de waterafvoer of ontwatering op dat moment in gevaar was. Het waterschap wijst er verder op dat in de periode november 2023-januari 2024 sprake was van zeer natte omstandigheden in de regio en de door eiser beschreven natte situaties daarvoor niet uitzonderlijk zijn in het licht van die neerslag en de ligging van de toegangsweg (hoger dan de omliggende percelen). Tegen deze achtergrond ziet het waterschap geen aanleiding om op grond van de doelvoorschriften handhavend op te treden. Mocht zich alsnog een situatie voordoen waarin waterafvoer of ontwatering in gevaar komt, dan kan het waterschap de vergunninghouder op basis van de voorschriften alsnog verplichten maatregelen te treffen.
6. De rechtbank overweegt dat voor handhaving is vereist dat sprake is van een overtreding van de aan de vergunningen verbonden doelvoorschriften (onder meer voorschrift 9.4 van de watervergunning van 21 december 2015 en voorschrift 7.3 van de watervergunning van 10 juni 2021). Deze voorschriften richten zich tot de vergunninghouder. Beslissend is of een overtreding is vastgesteld. Bij de beoordeling betrekt de rechtbank de door eiser overgelegde stukken en de bevindingen van de controle op 2 april 2024.
6.1.
Bij de controle van 2 april 2024 heeft het waterschap op de door eiser genoemde locaties de op de foto’s weergegeven plasvorming niet aangetroffen. De foto’s tonen natte situaties, maar bevatten geen objectieve gegevens over diepte, duur of frequentie waaruit volgt dat de waterafvoer of ontwatering als bedoeld in de doelvoorschriften niet was gewaarborgd. De rechtbank ziet daarom geen grond om aan te nemen dat er een overtreding bestond.
6.2.
Daarbij weegt mee dat in de periode november 2023 tot en met januari 2024 sprake was van uitzonderlijke natte omstandigheden in de regio. Dat algemene weerbeeld verklaart natte situaties in het gebied en maakt nog niet dat niet aan de doelvoorschriften is voldaan. Onder deze omstandigheden kon het waterschap in redelijkheid oordelen dat geen sprake was van (dreigende) schending van de doelvoorschriften die noopte tot handhaving. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Gelet op wat de rechtbank heeft overwogen in deze uitspraak en gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep met zaaknummer BRE 21/5245 gegrond. De rechtbank vernietigt bestreden besluit 1. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, omdat de verbinding onder de weg door thans niet aanwezig is en deze verbinding een dragend element vormt van de motivering van bestreden besluit 1. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om zelf in de zaak te voorzien
,omdat daarvoor een nieuwe bestuurlijke afweging nodig is. Het waterschap moet daarom een nieuw besluit nemen rekening houdend met deze uitspraak en de tussenuitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak. De rechtbank merkt op dat deze termijn pas begint nadat de termijn om hoger beroep in te tellen ongebruikt is verstreken of, indien hoger beroep wordt ingesteld, nadat op het hoger beroep is beslist.
7.1.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het waterschap aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.
7.2.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Het waterschap moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). Toegekend wordt dus € 2.335,-.
7.3.
Het beroep met zaaknummer BRE 24/7869 is ongegrond.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd met zaaknummer BRE 21/5245:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 25 oktober 2021;
  • draagt het waterschap op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak;
  • draagt het waterschap op het betaalde griffierecht van € 181,- aan eiser te vergoeden;
  • veroordeelt het waterschap in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.335,-.
De rechtbank, in de zaak geregistreerd met zaaknummer BRE 24/7869:
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Koek, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.E. Loontjens, griffier, op 10 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in staat de uitspraak te ondertekenen.
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Voetnoten

1.Uitspraak van de Afdeling van 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3479.