De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 11 februari 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de invoer van harddrugs via het havengebied van Vlissingen. De tenlastelegging betrof het verstrekken van informatie over containers en havenmedewerkers aan een medeverdachte, met het oog op de invoer van cocaïne.
Tijdens de zitting op 28 januari 2026 heeft de officier van justitie het bewijs toegelicht, terwijl de verdediging stelde dat er onvoldoende bewijs was voor opzet en betrokkenheid. De rechtbank oordeelde dat het wettig en overtuigend bewezen was dat verdachte informatie verstrekte die de invoer van harddrugs mogelijk maakte, mede gezien de aard van de werkzaamheden in de haven en de communicatie met de medeverdachte.
De rechtbank hield rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder druk van de medeverdachte en zijn beperkte rol, en legde een gevangenisstraf van 360 dagen op, waarvan 346 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 180 uren. Daarnaast werd een inbeslaggenomen mobiele telefoon verbeurd verklaard. Verdachte werd vrijgesproken van overige tenlastegelegde feiten.