ECLI:NL:RBZWB:2026:866
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand voor griffierecht in tuchtprocedure
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor het griffierecht in verband met een procedure bij het Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. Het college stelde de aanvraag aanvankelijk buiten behandeling vanwege het ontbreken van benodigde informatie. Na bezwaar heeft het college de aanvraag inhoudelijk beoordeeld en afgewezen omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de procedure noodzakelijk is.
Eiser voerde aan dat het college onrechtmatige eisen stelde en dat bijzondere bijstand voor griffierechten een objectieve kostenpost is die niet inhoudelijk getoetst mag worden. Ook stelde hij dat het college zijn toegang tot het Tuchtcollege onrechtmatig beperkte en dat de besluitvorming onzorgvuldig was vanwege een vermeende belangenverstrengeling.
De rechtbank oordeelt dat zij niet bevoegd is om te oordelen over de klacht tegen de ambtenaar en dat het college terecht een terughoudende toets toepast bij de beoordeling van de noodzaak van de procedure. Omdat eiser geen nadere informatie heeft verstrekt over het doorlopen van de klachtenprocedure bij de huisartsenpraktijk en de SKGE, kon het college de noodzaak niet beoordelen en was afwijzing terecht.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat eiser geen recht heeft op vergoeding van het griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter J.W. Ponds op 11 februari 2026 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand voor griffierecht.