ECLI:NL:RBZWB:2026:895

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
24/5581
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbBesluit proceskosten bestuursrechtWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling omzetting loongerelateerde WGA-uitkering naar WGA-vervolguitkering

Eiser maakte bezwaar tegen de omzetting van zijn loongerelateerde WGA-uitkering in een WGA-vervolguitkering door het UWV, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 64,17%. Na bezwaar en een eerste besluit waarin de arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 62,57%, stelde eiser beroep in bij de rechtbank.

De rechtbank oordeelde in een tussenuitspraak dat het medisch onderzoek van het UWV onvoldoende zorgvuldig was en gaf het UWV de gelegenheid dit te herstellen. Het UWV voerde aanvullend onderzoek uit, inclusief een spreekuuronderzoek door een verzekeringsarts b&b, en diende een nieuw besluit in.

De rechtbank beoordeelde het aanvullende onderzoek als voldoende zorgvuldig en gemotiveerd. De bezwaren van eiser tegen de medische en arbeidskundige beoordeling werden niet gegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk omdat dit was vervangen door het tweede besluit, en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond.

Daarnaast werd eiser het griffierecht en proceskosten toegekend vanwege het eerdere gebrek aan zorgvuldig onderzoek door het UWV. De rechtbank wees een verzoek tot vergoeding van een nota van een sportarts af wegens ontbreken van een nota en relevantie voor de procedure.

Uitkomst: Het beroep tegen het tweede besluit is ongegrond en de omzetting van de loongerelateerde WGA-uitkering naar een WGA-vervolguitkering met 62,57% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/5581 WGA

uitspraak van 12 februari 2026 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats 1] , eiser,

gemachtigde: mr. V.M.C. Verhaegen,
en
de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(UWV), verweerder.
Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:

[eisers voormalige werkgever] B.V. (eisers voormalige werkgever), te [plaats 2] ,

gemachtigde: mr. F.A.M. Stegenga-Naus.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank eisers beroep tegen de toekenning van een WGA-vervolguitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) met ingang van 21 oktober 2023.
1.1.
Het UWV heeft in een besluit van 18 juli 2023 (primair besluit) eisers loongerelateerde WGA-uitkering omgezet in een WGA-vervolguitkering vanaf 21 oktober 2023, naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 64,17% (klasse 55-65%). Zowel eiser als de werkgever hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
1.2.
Het UWV heeft in een besluit van 27 mei 2024 (bestreden besluit I) de bezwaren van eiser en de werkgever gegrond verklaard, en bepaald dat eiser 62,57% arbeidsongeschikt moet worden geacht per 21 oktober 2023. Eisers uitkering is ongewijzigd voortgezet. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het UWV werd vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger] . De werkgever is, met voorafgaande afmelding, niet verschenen.
1.4.
Bij tussenuitspraak van 7 juli 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat het medisch onderzoek van het UWV onvoldoende zorgvuldig is geweest en dat bestreden besluit I daardoor onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank heeft het UWV in de gelegenheid gesteld om dit gebrek te herstellen.
1.5.
Het UWV heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering van de verzekeringsarts b&b van 15 september 2025 ingediend, alsmede een daarop gebaseerde gewijzigde beslissing op bezwaar van 23 september 2025 (bestreden besluit II). Eiser heeft hier op 3 november 2025 op gereageerd. In reactie daarop heeft het UWV een aanvullende rapportage van de verzekeringsarts b&b van 21 november 2025 overgelegd.
1.6.
De rechtbank heeft vervolgens op 11 februari 2026 bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

2. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak van 7 juli 2025. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen.
3. Met bestreden besluit II heeft het UWV bestreden besluit I gewijzigd. Het UWV heeft de rechtbank verzocht bestreden besluit II te betrekken bij de beoordeling van de beroepszaak. Eiser heeft gereageerd en toegelicht dat bestreden besluit II niet aan zijn bezwaren tegemoet komt. De rechtbank merkt bestreden besluit II daarom aan als een besluit als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat eisers beroep ook betrekking heeft op bestreden besluit II.
Bestreden besluit I
4. Er is niet gebleken dat eiser nog een procesbelang heeft bij de beoordeling van de rechtmatigheid van bestreden besluit I, nu dit is vervangen door bestreden besluit II. De rechtbank zal het beroep tegen bestreden besluit I daarom niet-ontvankelijk verklaren.
Bestreden besluit II
5. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat in de primaire besluitvormingsfase geen medisch onderzoek heeft plaatsgevonden en dat in de bezwaarfase onderzoek is verricht door een arts die geen verzekeringsarts is. Vervolgens heeft – ondanks de gemotiveerde betwisting door eiser en de overgelegde aanvullende medische stukken – geen spreekuurcontact met een verzekeringsarts b&b plaatsgevonden. De rechtbank heeft daarom geconcludeerd dat het medisch onderzoek van het UWV onvoldoende zorgvuldig is geweest en dat zijn beslissing daardoor onvoldoende is gemotiveerd.
5.1.
De rechtbank zal hierna beoordelen of met bestreden besluit II en het daaraan ten grondslag gelegde onderzoek deze gebreken voldoende zijn hersteld en of bestreden besluit II juist is. Daarbij is van belang welke medische beperkingen eiser heeft (medische beoordeling) en in hoeverre hij daardoor niet meer in staat is met arbeid inkomsten te verwerven (arbeidskundige beoordeling).
6.
De verzekeringsarts b&b heeft na de tussenuitspraak nader onderzoek verricht, waarbij hij eiser heeft onderzocht op een spreekuur. Hij heeft ook medische informatie betrokken in zijn beoordeling, in de vorm van een rapport van [organisatie] van 22 september 2021, een verslag van [sportarts] van 19 mei 2025, informatie van [psychosomatisch fysiotherapeut] van 9 mei 2025 en een rapport van [ziekenhuis] van 13 december 2022.
De verzekeringsarts b&b overweegt in een rapport van 15 september 2025 dat de in de FML van 30 oktober 2023 opgenomen beperkingen aansluiten bij de bevindingen van de sportarts en de ervaren klachten, mede omdat de normwaarden van het CBBS relatief laag liggen en zware belasting daarin niet is opgenomen. Hij stelt dat de door de sportarts geschatte VO2max van 24,0 ml/kg/min wordt geduid als een gemiddelde energetische belastbaarheid in werk en dat volgens verzekeringsgeneeskundige protocollen al bij een waarde vanaf 10 sprake is van belastbaarheid. Een maximale waarde van 24,0 is zeer slecht voor een gezonde man van 44 jaar, maar is voor een vrouw van 60+ een gemiddelde waarde. De verzekeringsarts b&b verwerpt de opvatting dat sprake is van een conditie passend bij een 80-plusser. Hij acht de door de fysiotherapeut ingeschatte inspanningscapaciteit (die neerkomt op een VO2max van 7 à 7,6) niet reëel, ook omdat deze ver beneden de waarde van de sportarts ligt.
Hoewel eiser overmatige spierpijn ervaart, kan dit niet worden verklaard uit de anaerobe drempel of lactaatproductie en blijft de exacte oorzaak onduidelijk, maar met de beperkingen in de rubrieken 3, 4 en 5 van de FML is hier volgens de verzekeringsarts b&b voldoende rekening mee gehouden, mede omdat bij onderzoek geen ernstige afwijkingen zijn vastgesteld.
Over eisers psychische klachten stelt de verzekeringsarts b&b dat de bevindingen van [organisatie] en de psychomotore therapie geen aanleiding geven voor andere beperkingen. De diagnose 'aanpassingsstoornis' leidt niet tot een andere belastbaarheid en de door [organisatie] aangenomen zwaardere beperkingen in sociaal functioneren en werkomgeving zijn onvoldoende onderbouwd. Hij acht beperkingen voor klantcontact, patiëntcontact en leidinggeven passend, maar ziet geen reden voor aanvullende beperkingen voor samenwerken, storingen en onderbrekingen of een voorspelbare werksituatie. Verder overweegt hij dat sprake is van een wederkerige relatie tussen lichamelijke en psychische klachten. Tot slot stelt hij dat er energetisch geen indicatie bestaat voor een urenbeperking, geen intensieve behandeling plaatsvindt en geen verhoogd risico bestaat op toename van ziekteactiviteit bij voltijdse belasting. De verzekeringsarts b&b concludeert dat de belastbaarheid op de datum in geding ongewijzigd is ten opzichte van de eerdere WIA-beoordeling, en correct is weergegeven in de FML van 30 oktober 2023.
7. Eiser voert in reactie hierop aan dat de verzekeringsarts b&b ten onrechte geen volledig dagverhaal heeft uitgevraagd. Wat betreft zijn lichamelijke belastbaarheid wijst hij op een nadere reactie van de sportarts van 13 oktober 2025, die stelt dat met name de aerobe drempel bepalend is voor eisers belastbaarheid en dat zijn langdurige inspanningsvermogen lager ligt dan dat van een ongetrainde vrouw van 60 jaar.
Eiser voert verder aan dat onvoldoende rekening is gehouden met klachten van aambeien, waaronder pijn, bloedverlies en een onrustige zithouding, waardoor ten onrechte geen zitbeperking in de FML is opgenomen. Hij stelt verder dat de verzekeringsarts b&b onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de door hem gestelde urenbeperking. De verzekeringsarts b&b concludeert volgens eiser ook ten onrechte dat hij duurzaam met anderen omgaat en daarom kan samenwerken, omdat zijn sociale contact zich beperkt tot directe familie, behandelaars en zijn advocaat. Hij wijst erop dat [organisatie] heeft vastgesteld dat zijn sociaal steunsysteem beperkt is en daarom beperkingen heeft aangenomen voor samenwerken, een voorspelbare werksituatie en een werksituatie zonder veelvuldige storingen en onderbrekingen. Daarnaast stelt eiser dat zijn voortdurende pijn en stress leiden tot concentratieproblemen en dat de beperkingen in persoonlijk en sociaal functioneren ten onrechte niet zijn overgenomen.
8. De verzekeringsarts b&b stelt in zijn rapport van 21 november 2025 dat een nieuw dagverhaal niet nodig was, omdat een dagverhaal reeds beschikbaar was. Over eisers lichamelijke belastbaarheid en de gestelde urenbeperking stelt hij dat uit de inspanningstest een VO2max volgt passend bij een gemiddelde vrouw van 60 jaar en dat volgens de relevante protocollen bij een achturige werkdag al rekening wordt gehouden met lage energetische belasting, waarbij de FML-beperkingen zelfs verder gaan dan strikt noodzakelijk. Daarom acht hij extra pauzes of een urenbeperking niet aangewezen en merkt hij op dat bij post-covid vooral doseren van inspanning van belang is. Verder stelt hij dat aambeien niet leiden tot specifieke arbeidsbeperkingen en dat het onrustig zitten niet aan aambeien maar aan onrustige benen kan worden toegeschreven. Volgens hem volgt uit het rapport van [organisatie] dat geen sprake is van een persoonlijkheidsstoornis maar slechts van persoonlijkheidstrekken, waardoor geen aanleiding bestaat voor een beperking op FML-item 1.8.2. De verzekeringsarts b&b acht de door [organisatie] aangenomen beperkingen bovendien onvoldoende inzichtelijk en de combinatie van wel een beperking op samenwerken maar niet op klant- of patiëntencontact niet logisch. Ook ziet hij geen aanleiding voor een beperking op FML-item 1.8.3, omdat geen evidente concentratieproblemen of stoornissen in het cognitief functioneren zijn vastgesteld.
9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het medisch onderzoek van het UWV met de aanvulling van het onderzoek van de verzekeringsarts b&b in de beroepsfase alsnog op een voldoende zorgvuldige wijze plaatsgevonden. Blijkens het rapport van 15 september 2025 heeft een uitgebreide medische anamnese plaatsgevonden, en is eiser lichamelijk onderzocht en (oriënterend) psychisch onderzocht. Ook is alle beschikbare medische informatie betrokken in de beoordeling. Hiermee beschikte de verzekeringsarts b&b over voldoende inzicht in eisers lichamelijke en psychische toestand op 21 oktober 2023, de datum in geding. Uit het rapport van de verzekeringsarts b&b blijkt dat hij op de hoogte was van eisers klachten, en deze heeft hij ook kenbaar betrokken in zijn beoordeling. Het gebrek in het onderzoek is daarmee voldoende hersteld.
9.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts b&b met zijn (aanvullende) rapporten van 15 september 2025 en 21 november 2025 inzichtelijk en steekhoudend gemotiveerd dat bij de opstelling van de FML van 30 oktober 2023 voldoende rekening gehouden is met het geobjectiveerde deel van de klachten. De informatie die eiser in beroep heeft overgelegd en eisers nadere beroepsgronden in diens reactie van 3 november 2025 geven geen aanleiding om te twijfelen aan de door de verzekeringsartsen vastgestelde belastbaarheid.
9.2.
De verzekeringsarts b&b stelt terecht dat in de primaire fase reeds een zorgvuldig en op de datum in geding gericht dagverhaal is opgesteld. De rechtbank acht het standpunt dat een nieuw dagverhaal daarom geen meerwaarde heeft navolgbaar.
9.3.
Wat betreft eisers lichamelijke belastbaarheid en de gestelde urenbeperking acht de rechtbank de motivering van de verzekeringsarts b&b toereikend dat uit de inspanningstest volgt dat eiser een VO2max heeft passend bij de conditie van een gemiddelde vrouw van 60 jaar. Onder verwijzing naar de protocollen COPD en hartfalen en het CBBS is inzichtelijk gemaakt dat bij een achturige werkdag reeds rekening wordt gehouden met een lage energetische belasting, en dat de in de FML opgenomen beperkingen zelfs verder gaan dan strikt op basis van de VO2max noodzakelijk is. In dat licht kan worden geconcludeerd dat geen aanleiding bestaat voor extra pauzes of een urenbeperking op energetische gronden.
9.4.
Verder is voldoende gemotiveerd dat de door eiser genoemde aambeienklachten niet specifiek leiden tot arbeidsbeperkingen en dat het tijdens het spreekuur geobserveerde onrustige zitten niet aan deze klachten kan worden toegeschreven.
9.5.
Wat betreft eisers psychische klachten volgt de rechtbank het standpunt van de verzekeringsarts b&b dat uit het rapport van [organisatie] niet blijkt van een persoonlijkheidsstoornis, maar uitsluitend van persoonlijkheidstrekken zonder duurzaam en star patroon en zonder voldoende kenmerken voor een stoornis. In dat licht kan worden geconcludeerd dat geen aanleiding bestaat om aanvullende beperkingen aan te nemen op FML-item 1.8.2. Ook is naar het oordeel van de rechtbank toereikend gemotiveerd dat de belastbaarheidsoverwegingen van [organisatie] summier zijn en onvoldoende inzichtelijk maken hoe de beperkingen zijn vastgesteld. In dat licht is terecht opgemerkt dat het aannemen van een beperking op samenwerken, terwijl geen beperkingen worden aangenomen voor klant- of patiëntencontact, bij de beschreven klachten en bevindingen niet logisch is.
9.6.
Verder is steekhoudend gemotiveerd dat geen evidente concentratieproblemen zijn vastgesteld en dat geen sprake is van een stoornis die leidt tot rigide cognitief functioneren, zoals autisme, ernstige depressie, angstproblematiek of persoonlijkheidsproblematiek. Er kan daarom ook worden geconcludeerd dat een beperking op FML-item 1.8.3 niet aangewezen is.
9.7.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de door het UWV vastgestelde belastbaarheid.
9.8.
Op basis van de inkomsten die eiser met de geduide functies kan verdienen, heeft het UWV een berekening gemaakt die leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 62,57%. Omdat eiser tegen de arbeidskundige beoordeling geen gronden naar voren heeft gebracht, gaat de rechtbank uit van deze mate van arbeidsongeschiktheid.
9.9.
Dit betekent dat het UWV eisers loongerelateerde WGA-uitkering terecht heeft omgezet in een WGA-vervolguitkering vanaf 21 oktober 2023, naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 62,57% (klasse 55-65%).

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep tegen bestreden besluit I is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen bestreden besluit II is ongegrond.
11. Omdat het UWV pas na de tussenuitspraak zorgvuldig onderzoek heeft verricht en zijn standpunt heeft voorzien van een deugdelijke motivering, krijgt eiser het griffierecht terug en krijgt hij ook een vergoeding van zijn proceskosten. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. Zijn gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend (1 punt), aan de zitting van de rechtbank deelgenomen (1 punt) en een schriftelijke reactie ingediend op de nadere rapportage van de verzekeringsarts b&b (0,5 punt). In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De proceskostenvergoeding voor rechtsbijstand door een gemachtigde bedraagt daarmee in totaal € 2.335,-. Verder komt eiser in aanmerking voor vergoeding van zijn reiskosten in verband met de zitting. De rechtbank stelt die kosten vast op de kosten van openbaar vervoer, en deze bedragen € 32,96.
Eiser heeft ook verzocht om vergoeding van een nota van de sportarts van € 330,-. De rechtbank wijst dit verzoek af, omdat eiser geen nota heeft overgelegd. Overigens blijkt uit het verslag van de sportarts ook niet dat dit is opgemaakt ten behoeve van deze procedure.
De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding vast op totaal € 2.367,96.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep tegen bestreden besluit I niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep tegen bestreden besluit II ongegrond;
  • bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt het UWV tot betaling van € 2.367,96 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier, op 12 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is niet in de gelegenheid om deze uitspraak mede te ondertekenen.
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via "Formulieren en inloggen" op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.