Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het verdere verloop van de procedure
- de beschikking van 13 november 2025 en alle daarin vermelde stukken;
- de briefrapportage van de GI van 22 januari 2026;
- het bericht van de GI met bijlage, ontvangen op 29 januari 2026.
2.De feiten
3.Het verzoek
4.De standpunten
punt 1 (de emotieregulatie en impulsbeheersing van beide ouders)benoemt de GI dat de emotieregulatie van de moeder door een medicatiewisseling de afgelopen periode onrustig is geweest en de emoties in de afgelopen periode soms hoog bij haar zijn opgelopen. Positief is wel dat de moeder in contact met het FACT is gebleven. Voor wat betreft
punt 2 (de patronen van huiselijk geweld tussen de ouders)is er nog onvoldoende gewerkt aan het doorbreken van het patroon, nu de emotieregulatie van de ouders in de afgelopen periode op de voorgrond heeft gestaan. Ten aanzien van
punt 3 (de samenwerking tussen de betrokken hulpverlening)geeft de GI aan dat er afstemming tussen [zorgaanbieder] en het FACT plaatsvindt, net als tussen de persoonlijke hulpverlening van beide ouders. Het groot overleg, dat staat gepland voor 23 februari 2026, is nodig om alle hulpverlening en (hulpverlenings)afspraken goed op elkaar af te kunnen stemmen. Verder is de afgelopen periode gebleken dat het lastig is om tot afspraken met de ouders te komen. De ouders vinden het moeilijk om het overzicht te behouden en daar komt bij dat de moeder onregelmatig werkt. Dat vormt een belemmering voor het behalen van de doelen en het bieden van begeleiding. Ook de speltherapie voor [minderjarige] is nog niet van de grond gekomen, nu de intake van Amarant met de ouders drie keer niet heeft kunnen doorgaan. Voor wat betreft
punt 4 (de financiële situatie van de ouders)zijn er positieve stappen gezet. Het bewind van de moeder is goedgekeurd. Desondanks ervaren de ouders nog veel stress door hun financiële situatie. De GI vindt het zorgelijk dat [minderjarige] van volwassenzaken, zoals de financiën van de ouders, op de hoogte is. Ook maakt de GI zich zorgen over een recent incident van de moeder, waarbij haar rijbewijs is ingenomen in verband met rijden onder invloed.
punt 1 (de emotieregulatie en impulsbeheersing van beide ouders)benoemen de ouders dat de moeder verkeerde medicatie heeft gekregen, waardoor zij de afgelopen periode inderdaad last had van haar emotieregulatie. Dit is volgens de moeder niet zichtbaar geweest voor [minderjarige] . Doordat de moeder op dit moment weer de juiste medicatie heeft, gaat het veel beter. De moeder is aan het leren hoe de emotieregulatie bij haar verloopt. Er is sprake van vooruitgang, maar zij is er nog niet. De emotieregulatie van de vader is door de verplichte CoVa-training verbeterd en hij ondersteunt de moeder als zij in haar emotie schiet of in paniek raakt. Voor wat betreft
punt 2 (de patronen van huiselijk geweld tussen de ouders)geven de ouders aan dat er geen sprake meer is van huiselijk geweld. Zij herkennen zich dan ook niet in hoe de GI dit beschrijft. Ten aanzien van
punt 3 (de samenwerking tussen de betrokken hulpverlening)leggen de ouders uit dat ook de hulpverleners geregeld afspraken wisselen of niet door laten gaan. Het ligt niet alleen aan de ouders. Voor de ouders is het een onmogelijke puzzel om alle verplichtingen na te komen, nu de (hulpverlenings)afspraken door elkaar heen lopen en alle instanties iets van de ouders willen, maar zij niet goed met elkaar samenwerken. Er heeft nog geen groot overleg plaatsgevonden om dit op elkaar af te stemmen. Naast de zorg voor [minderjarige] en het verdienen van geld, heeft de vader voorwaarden vanuit de reclassering waaronder verplichte dagbesteding (36-40 uur per week), meldplicht en het volgen van de CoVa-training (elke woensdagmiddag). Op dit moment werkt de vader niet, waardoor hij de volledige zorg voor [minderjarige] kan oppakken. De moeder is hierdoor extra gaan werken. Verder heeft de vader na de vorige zitting de toestemmingspapieren getekend, zodat de GI en de reclassering zaken kunnen afstemmen. Dat is tot op heden echter nog niet gebeurd. De ouders verwachten dat zaken en afspraken tijdens het groot overleg van 23 februari 2026 worden afgestemd en dat duidelijk wordt wat welke instanties van de ouders verwachten. Voor wat betreft
punt 4 (de financiële situatie van de ouders)bevestigen de ouders dat de moeder onder bewind staat en benoemen zij dat het gas, water en licht is geregeld. Dit geeft de ouders rust en zij ervaren hierdoor een minder hoog stressniveau. Verder gaat het met [minderjarige] erg goed. Dit krijgen de ouders ook vanuit de school teruggekoppeld. Daarnaast is het contact met [minderjarige] uitgebreid. Zij is elke dinsdag van 15.00 tot 18.00 uur bij de ouders en op de donderdag halen de ouders [minderjarige] uit school om 15.00 uur en brengen zij [minderjarige] de volgende ochtend weer naar school. Door [zorgaanbieder] is een periode meegekeken en zij zijn positief over de ouders. De ouders merken dat [minderjarige] het fijn bij hen heeft, dat zij rust ervaart en dat zij zo snel mogelijk terug thuis wil wonen. Verder benoemen de ouders dat [minderjarige] wel een slaapkamerdeur heeft. De GI blijft dit soort zorgen herhalen in de rapportages, maar kan gewoon langskomen en zien dat dit soort zaken wel geregeld zijn. Tot slot legt de moeder uit dat zij een halfjaar geleden inderdaad een joint heeft gerookt, waarna zij is gaan autorijden. De moeder realiseert zich dat dit zeer onverstandig was en heeft hier spijt van. Als gevolg daarvan is haar rijbewijs tijdelijk ingenomen. Om haar rijbewijs terug te krijgen, moet de moeder een cursus volgen.
5.De beoordeling
3) de samenwerking tussen de betrokken hulpverlening (m.n. tussen de hulpverleners van de ouders onderling en met de bij de vader betrokken reclassering);
4) de financiële situatie van de ouders.
De kinderrechter hoopt dat de GI en de ouders de komende periode meer gaan samenwerken om hier zicht op te krijgen en praktische zaken, zoals het wel of niet ontbreken van een slaapkamerdeur opgehelderd te krijgen. Gelet op het bovenstaande is de kinderrechter van oordeel dat de ouders nog stappen moeten zetten, voordat [minderjarige] terug thuis kan wonen. Om die reden zal zij de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengen voor de resterende duur, te weten tot 14 mei 2026 om het verblijf van [minderjarige] in het netwerkpleeggezin van stiefopa en oma te borgen.
6.De beslissing
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.